Leerdoelen
1. Doel van de voortplanting.
- Een nieuw individu creëren
2. Verschil tussen geslachtelijke en ongeslachtelijke voortplanting kunnen aangeven.
3. Onderdelen en functie van de mannelijke en vrouwelijke geslachtsorganen kennen.
4. Verschillen tussen mannelijke en vrouwelijke voortplantingscellen noemen en
verklaren.
5. Afbeeldingen van hormoonhuishouding man en vrouw kunnen lezen en toepassen.
6. Kenmerken van de menstruatiecyclus herkennen en benoemen.
7. Definitie van bevruchting kennen.
- Bevruchting: de kern van de eicel en de kern van de spermaceti smelten samen.
Een bevruchte eicel gaat door de eileider naar de baarmoeder.
8. De ontwikkeling van de bevruchte eicel in grote lijnen kunnen beschrijven.
9. Een aantal voorbehoedsmiddel en met hun werking kunnen noemen.
10. Een aantal SOA’s herkennen en beschrijven.
Verschil tussen geslachtelijke en ongeslachtelijke voorplanting
Geslachtelijk = nakomelingen hebben een genetisch mix van eigenschappen van beide
ouders (bevruchting)
- Grote overlevingskans in stabiele omstandigheden door variatie
Ongeslachtelijke = nakomelingen zijn genetisch identiek aan de ene ouder (celdeling)
- Grote overlevingskans in stabiel omstandigheden door specialisatie
Geslachtskenmerken: Hieraan kun je zien van welke geslacht iemand is.
Primaire geslachtskenmerken: Zijn er al bij de geboorte, bijvoorbeeld de vagina.
Secundaire geslachtskenmerken: Ontstaan later, bijvoorbeeld baardgroei.
Man:
-Maakt zaadcellen (Spermatozoïden) in de teelballen
-In de bijballen worden de zaadcellen tijdelijk opslagen.
Sperma = zaadcellen + vocht (zandblaastoestel en de prostaat
Onderdelen geslachtsorganen
Man
1 urineleider 9 bijbal
2 urineblaas 10eikel
3 zaadblaasjes 11 teelbal
4 schaambenen 12 balzak
5 prostaat 13 anus
6 penis 14 darm
7 urinebuis 15 zaadleider
8 zwellichaam