Wat is pathology?
→ ziekteleer, alles wat te maken heeft met ziekte en aandoeningen. Pas wanneer je weet
hoe gezond weefsel in elkaar steekt, kun je uitspraken doen over een ziektebeeld
- Rudolf Virchow → grondlegger van de cellulaire pathology
- “Als iemand ziek is moet je niet kijken naar het persoon of orgaan, maar naar
de weefsels op celniveau”
- Bekend door onderzoek naar leukemie en trombose
- Heeft bijgedragen aan de huidige autopsie procedure
Belangrijke begrippen bij medische pathology zijn:
- Anamnese → ziektegeschiedenis
- Auto anamnese → de patiënt zelf vertelt de arts wat er aan de hand is
- Hetero anamnese → een ander vertelt de arts wat er aan de hand is (patiënt
zelf is bijvoorbeeld niet in staat)
- Diagnose → vaststellen wat voor ziekte iemand heeft
- Differential diagnosis → je begint breed en gaat door uitsluiten van ziektes
richting de aanwezige aandoening
- Therapy → behandeling tot (hopelijk volledige) genezing
Belangrijke begrippen met de betrekking tot deze course:
- Anatomy → kijken naar hoe de structuur van een organisme (weefsel) eruit ziet
- Physiology → kijken naar hoe een orgaan/weefsel werkt en/of functioneert, welke
cellen spelen hierbij een rol en hoe werkt dit bij normale en afwijkende
omstandigheden?
→ samen vormt dit pathology → kijken naar de oorzaak en het verloop van een
ziekte
Wat doet een patholoog?
- (Forensische) Autopsie → lijkschouwing
- Histologie → leer van verschillende weefsels
- Cytologie → bekijken van celpreparaten
- Hierbij wordt gebruik gemaakt van verschillende kleuringen:
1. Hematoxyline-Eosine kleuring → celkern (zure celcomponenten)
kleuren donkerpaars en cytoplasma (basische celcomponenten)
kleuren roze
2. Mallory kleuring → elk weefsel krijgt een eigen kleur: epitheel wordt
bruin/geel, bindweefsel wordt blauw
3. Van Gieson kleuring → elk weefsel krijgt een eigen kleur: epitheel
wordt rood/bruin, bindweefsel wordt rood en kernen worden
zwart/blauw
Hematoxyline-Eosine kleuring: Mallory kleuring: Van Gieson kleuring:
1
,Histology
→ leer van de weefsels: hoe zien weefsels eruit (anatomy) en hoe werken deze
(physiology)?
- Weefsel is een samenstelling van gelijk gedifferentieerde cellen met een gelijke
functie
Er zijn vier schillende soorten weefsels:
1. Epithelial tissue (epitheelweefsel) → alle bekleding aan buiten- en binnenkant
2. Connective tissue (bindweefsel) → onderliggend aan epitheelweefsel
3. Muscle tissue (spierweefsel) → hartspierweefsel, skeletspierweefsel en glad
spierweefsel
4. Nerve tissue (zenuwweefsel) → zenuwen en zenuwcellen
→ de vier type weefsels worden een voor een in detail behandeld
Epithelial tissue (epitheelweefsel)
→ aaneengesloten rij van cellen die goed met elkaar verbonden zijn en daarnaast
verbonden aan onderliggend bindweefsel door middel van het basaal membraan (bestaat uit
basal lamina en reticular lamina)
Functies:
1. Biedt bescherming tegen pathogenen of mechanisme schade
2. Voorkomt vochtverlies
3. Secretie → zorgt voor het uitscheiden van bepaalde stoffen
4. Absorptie → zorgt voor het opnemen van bepaalde stoffen (bijvoorbeeld het
opnemen van voedingsstoffen in de darmen)
De epitheelcellen zijn erg aaneengesloten met maken met elkaar contact:
- Tight junction → zitten zo dicht op elkaar en vormen zo een barrière
- Desmosomen
- Gap junction → klein kanaal waarbij kleine ionen en moleculen kunnen passeren
Bij epitheelcellen geldt: form fits function → wanneer je weet wat iets doet, kun je
beredeneren hoe het weefsel eruit ziet en andersom
- Plooien in de darmen voor het vergroten van het oppervlakte waardoor meer
absorptie van stoffen plaats kan vinden (microvilli)
- Trilharen zorgen voor beweging, bijvoorbeeld van voeding door de slokdarm
Epitheelcellen worden ingedeeld op basis van de vorm van de cel...:
1. Squamous (plaveisel) → relatief grote maar platte cel met een platgedrukte kern
2. Cuboidal (kubisch) → vierkant van vorm met een ronde kern
3. Columnar (cilindrisch) → cilindrische vorm en met langgerekte (eivormige) kern
… en op basis van de gelaagdheid:
1. Simple → eenlagig
a. Pseudostratified (schijn stratified = schijn meerlagig ofwel meerrijig) →
eenlagig epitheel maar omdat de kernen niet allemaal op dezelfde hoogte
liggen lijkt het alsof er sprake is van meerlagig epitheel
2. Stratified → meerlagig
2
,De naam van epitheel wordt dus gebaseerd op de vorm van de cel en op de gelaagdheid:
1. Simple squamous epitheel (eenlagig plaveiselepitheel) → een dunne en enkele laag
epitheelcellen voor goede uitwisseling van stoffen (form fits function!)
a. Endothelium → eenlagig plaveiselepitheel rondom de bloedvaten
b. Mesothelium → eenlagig plaveiselepitheel in de borst- of buikholte
c. Pericardium → eenlagig plaveiselepitheel rondom de hartzakjes
d. Air sacs of the lungs (longblaasjes) → eenlagig plaveiselepitheel rondom
de longblaasjes
2. Simple cuboidal epitheel (eenlagig kubisch epitheel) → te herkennen aan ronde
kernen
a. Nierbuisjes
b. Klierepitheel
3. Simple columnar epitheel (eenlagig cilindrisch epitheel) → te herkennen aan
ovale kernen
a. Maagdarmkanaal
4. Pseudostratified epitheel (eenlagig epitheel) → voor absorptie en secretie
a. Lijkt alsof er sprake is van meerdere lagen omdat de kernen niet op
gelijke hoogte liggen
b. Trilharen
5. Stratified squamous epitheel (meerlagig plaveiselepitheel) → meerdere lagen
met aan de apicale kant plaveiselepitheel en aan de basale kant kubisch of
cilindrisch epitheel
a. Huid (hoornlaag) → biedt bescherming
b. Slokdarm
→ een aparte soort epitheel is:
6. Transitional epitheel (overgangsepitheel) → meerlagig epitheel dat losser
gevormd is dan ‘normaal’ stratified epitheel waardoor het onderling
vervormbaar en verschuifbaar is
a. Umbrella cells (rond) aan de buitenkant en minder plaveiselepitheel
b. Urinewegen/blaas → deze moet kunnen uitrekken en krimpen waardoor
epitheel mee moet bewegen
7. Glandular epitheel (klierepitheel) → er wordt een product gevormd en dat moet door
het epitheel afgegeven worden aan de omgeving
a. Endocrine → bijvoorbeeld hormonen worden afgegeven aan het bloed
b. Exocrine → enzymen, zweet, melk
→ hoe ontstaan deze klier epitheelcellen?
- Er ontstaat een snoer van ingroeiende epitheelcellen
- Blijven alle epitheelcellen hierbij verbonden met de buitenste
epitheellaag → exocrine epitheel
- Blijven niet alle epitheelcellen
verbonden met de buitenste
epitheellaag → endocrine epitheel
3
, - Trekt bloedvaten naar zich toe waaraan stoffen kunnen
worden afgegeven
Connective tissue (bindweefsel)
→ meest voorkomende weefseltype en is heel divers. Alle type bindweefsels zijn ontstaan
vanuit dezelfde (middelste) kiemlaag.
Bindweefsel bestaat uit twee componenten:
1. (Bindweefsel)cellen → de cellen in de verschillende type bindweefsels hebben
allemaal een eigen benaming
a. Deze cellen produceren de vezels voor de extracellulaire matrix
2. Extracellulaire matrix (vezels) bestaat uit:
a. Grondsubstantie (tussenstof) → geeft ondersteuning en zorgt voor verbinding
van de vezels
b. Vezels, hiervan zijn drie soorten:
i. Collageen (meest voorkomend) → sterk met veel trekkracht en niet
vertakt
1. Bestaat uit drie helices om elkaar gedraaid
ii. Elastisch → rekbaar en erg flexibel met veel vertakkingen
iii. Reticulair → erg vertakt en vormt een sponsachtig netwerk
Functies:
1. Ondersteuning
2. Bescherming (van de organen)
3. Transport (bloed)
4. Opslag van voedingsstoffen (vet)
Er zijn verschillende soorten bindweefsel
1. Losmazig bindweefsel (meest voorkomend) → onderhuidse bindweefsel
a. Cellen: fibroblasten
b. Veel collageen maar ook elastisch en reticulaire vezels
2. Dicht/straffe bindweefsel (dense fibreus bindweefsel)
a. Cellen: fibroblasten
b. Veel op elkaar geplakte bundels van collageen en weinig tot geen
elastine
i. De fibroblasten worden platgedrukt tussen de vezels
c. Bij pezen/gewrichtsbanden (waardoor spieren en botten onderling
verbonden zijn)
3. Kraakbeen (cartilage)
a. Cellen: chondrocyten
b. Avasculair = slecht doorbloed → voeding wordt geleverd door
middel van diffusie
c. Drie verschillende soorten kraakbeen: hyaline (geleiachtige
matrix), elastisch (veel elastisch en collageen vezels) en
vezelig/fibrocartilage (veel collageen en is dus erg stevig bijv. bij
de tussenwervelschijven in je rug)
4