Inhoudsopgave
Kennisclips week 1......................................................................................................................................... 3
Afhankelijkheid of Zaaksgevolg?.................................................................................................................... 3
Casus 1 – erfdienstbaarheid.................................................................................................................................3
Casus 2 – pandrecht op een vordering.................................................................................................................4
Ezelsbruggetje onderscheid afhankelijkheid en zaaksgevolg...............................................................................5
Het belang van het onderscheid tussen afhankelijkheid en zaaksgevolg............................................................6
Goederenrecht, verbintenissenrecht en dingen daartussenin.........................................................................8
Verschil goederenrechtelijke rechten en verbintenisrechtelijke rechten..............................................................8
Het kwalitatieve recht en de kwalitatieve verplichting (art. 6:251 en 252 BW)..................................................9
Quint/Te Poel arrest, HR 30 januari 1959, NJ 1959/548................................................................................11
Casus...................................................................................................................................................................11
Arrest Depex/Curatoren van Bergel, HR 15 november 1991, NJ 1993/316.....................................................12
Het arrest Depex/Curatoren van bergel.............................................................................................................12
Kennisclips week 2....................................................................................................................................... 14
Hinck/Van der Werff (arrest)........................................................................................................................ 14
Teixeira de Mattos (arrest)........................................................................................................................... 16
Kennisclips week 3....................................................................................................................................... 19
Arrest Berg en Dalse watertoren – HR 2 april 1937, NJ 1937/639..................................................................19
Casus...................................................................................................................................................................19
Slot......................................................................................................................................................................20
Arrest Grensoverschrijdende garage – HR 17 april 1970, NJ 1971/89.............................................................21
Casus...................................................................................................................................................................21
Arrest Lentse schutting – HR 2 december 1937, NJ 1938/353........................................................................23
Ambtshalve toetsing (arrest Heesakkers/Voets, HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691).....................25
Kennisclips week 4....................................................................................................................................... 27
Arrest Berg/de Barry – HR 18 september 1987, NJ 1988/983........................................................................27
Arrest Nationaal Grondbezit/Kamphuis – HR 8 juni 1973, NJ 1974/346.........................................................30
Kennisclips week 5....................................................................................................................................... 33
Hinck/Van der Werff (arrest)........................................................................................................................ 33
Apon/Bisterbosch – HR 4 april 1986, NJ 1986/810........................................................................................36
1
,Kennisclips week 6....................................................................................................................................... 38
Arrest Sogelease.......................................................................................................................................... 38
Arrest: Nijverdal ten Cate/Wilderink q.q...................................................................................................... 41
Kennisclips week 8....................................................................................................................................... 43
Arrest Modehuis Nolly, HR 2 april 1976, NJ 1976/450...................................................................................43
Modehuis Nolly l – Goederenrechtelijke verhoudingen t.a.v. de onroerende zaken..........................................43
Modehuis Nolly II - Verbintenisrechtelijke rechtsverhouding tussen de (ex)echtgenoten.................................44
Modehuis Nolly III - Procesrecht.........................................................................................................................45
Kennisclip week 9........................................................................................................................................ 46
Arrest opschietende bomen......................................................................................................................... 46
Kennisclips week 10..................................................................................................................................... 49
Afhankelijkheid of Zaaksgevolg?.................................................................................................................. 49
Arrest Sogelease.......................................................................................................................................... 49
Kennisclips week 11..................................................................................................................................... 50
Arrest Mulder q.q./CLBN.............................................................................................................................. 50
Arrest Feenstra q.q./ING, HR 14 februari 2014, JOR 2014/118......................................................................55
Kennisclips week 12..................................................................................................................................... 57
Ter verdieping: arrest Van Berkel/Tribosa, HR 25 januari 1991, NJ 1992/172................................................57
Het bodemvoorrecht en het bodemrecht van de fiscus.................................................................................61
2
,Kennisclips week 1
Afhankelijkheid of Zaaksgevolg?
De begrippen afhankelijkheid en zaaksgevolg worden uitgelegd aan de hand van 2 casussen.
Casus 1 – erfdienstbaarheid
Er zijn twee erven. Links het erf van Anne en rechts het erf van Bart. Bart heeft ten gunste
van Anne het recht van erfdienstbaarheid gevestigd, waardoor Anne het recht heeft om over
zijn erf heen te lopen.
Waar zit de afhankelijkheid in het plaatje verstopt? Bij afhankelijkheid heb je het altijd over
2 termen:
1. Het afhankelijke recht zelf; en
2. Het hoofdrecht waarvan dat afhankelijke recht afhankelijk is.
Dit zie je ook terug in de definitie van afhankelijke rechten in art. 3:7 BW
“Een afhankelijk recht is een recht dat aan een ander recht zodanig verbonden is, dat het
niet zonder dat andere recht kan bestaan.”
In casus is het recht van erfdienstbaarheid het afhankelijke recht en het eigendomsrecht van
het erf van Anne het hoofdrecht, waarvan het recht van erfdienstbaarheid afhankelijk is.
Zonder het eigendomsrecht van haar erf, heeft Anne er ook niks aan om vanaf dat erf over
het erf van Bart heen te lopen. Zou Anne haar erf overdragen aan een derde, dan krijgt die
derde automatisch het recht van erfdienstbaarheid erbij, zie art. 3:82 BW:
“Afhankelijke rechten volgen het recht waaraan zij verbonden zijn.”
Zou het eigendomsrecht van Anne teniet gaan, dan gaat het recht van erfdienstbaarheid
automatisch ook teniet vanwege art. 3:7 BW.
Nu het zaaksgevolg (een betere term = goederenrechtelijk gevolg of droit de suite)
Bij zaaksgevolg zijn er ook twee termen:
1. Het beperkt recht dat zaaksgevolg heeft; en
2. Het moederrecht waarop dat beperkte recht is gevestigd.
Zie definitie art. 3:8 BW:
“Een beperkt recht is een recht dat is afgeleid uit een meer omvattend recht, hetwelk met
het beperkte recht is bezwaard.”
3
,Het recht van erfdienstbaarheid is hier als afhankelijk recht, maar ook als beperkt recht
gevestigd. Het is als beperkt recht gevestigd op het eigendomsrecht van het erf van Bart; het
moederrecht. Omdat het recht van erfdienstbaarheid zaaksgevolg heeft, blijft het op het
moederrecht rusten als Bart zijn eigendomsrecht van het erf zou overdragen aan een derde.
Mocht het eigendomsrecht van het erf van Bart teniet gaan, dan gaat ook het recht van
erfdienstbaarheid teniet vanwege zaaksgevolg, zie art. 3:81 lid 2 sub a BW.
Casus 2 – pandrecht op een vordering
Carlos heeft geld geleend van de bank, dus heeft de bank een vordering op hem. Ter
verzekering van terugbetaling van die vordering vestigt Carlos ten gunste van de bank een
pandrecht op de vordering, die hij Carlos zelf op Daphne heeft. De vordering van de bank is
het hoofdrecht waarvan het pandrecht afhankelijk is. Zonder die vordering heeft de bank
niets aan het pandrecht, want dan is er geen vordering om op het verpande goed te
verhalen.
Gaat de vordering teniet, dan gaat het pandrecht ook automatisch teniet. Wordt de
vordering overgedragen, dan gaat het pandrecht automatisch mee. Dit is allebei het gevolg
van de afhankelijkheid van het pandrecht.
De vordering van Carlos op Daphne is het moederrecht waarop de vordering wordt
gevestigd. Gaat de vordering teniet, dan gaat het pandrecht automatisch ook teniet. Gaat de
vordering over naar een derde, dan krijgt die derde de vordering bezwaard met het
pandrecht erop. Dit is allebei het gevolg van het zaaksgevolg van het pandrecht.
4
,Bij beide casussen zijn het hoofdrecht en het moederrecht hetzelfde. Ofwel:
1. Eigendomsrecht van een perceel
2. Vordering.
Bij andere afhankelijke rechten die ook beperkte rechten zijn is het niet zo. Zo is een
hypotheekrecht of een recht op een roerende zaak wel afhankelijk van een vordering, maar
niet gevestigd op een vordering.
Ezelsbruggetje onderscheid afhankelijkheid en zaaksgevolg
Er worden 3 ezelsbruggetjes gegeven om afhankelijkheid en zaaksgevolg uit elkaar te halen.
De ezelsbruggetjes gaan er vanuit dat je inziet dat de afhankelijkheid net op een ander deel
van het plaatje ziet dan het zaaksgevolg; ook wel de afhankelijkheidskant en de
zaaksgevolgkant genoemd.
Bij de erven bijvoorbeeld hebben de twee kanten verschillende namen:
1. Het heersende erf van Anne; en
2. Het dienende erf van Bart.
Bij de vordering zou je kunnen zeggen:
1. De gesecureerde vordering van de bank; en
2. De verpande vordering van Carlos.
De 3 ezelsbruggetjes om afhankelijkheid en zaaksgevolg uit elkaar te houden zijn:
1e ezelsbruggetje
- Afhankelijke rechten worden altijd voor een hoofdrecht gevestigd;
o Het recht van erfdienstbaarheid wordt altijd voor ( ten gunste van) het recht
van Anne gevestigd.
5
, o Het pandrecht wordt gevestigd voor zekerheid van terugbetaling van de
vordering van de bank.
- Beperkte rechten worden altijd op een moederrecht gevestigd.
o Het recht van erfdienstbaarheid wordt op het recht van Bart gevestigd.
o Het pandrecht wordt gevestigd op de vordering van Carlos op Daphne.
2e ezelsbruggetje
- Een afhankelijk recht voegt waarde toe aan het hoofdrecht.
o Het eigendomsrecht van het erf van Anne wordt meer waard, omdat de
eigenaar van dat erf ook de bevoegdheid heeft om over het erf van de
buurman heen te lopen.
o De vordering van de bank is gemakkelijker te verkopen, omdat de
terugbetaling ervan wordt verzekerd van het pandrecht.
- Een beperkt recht vermindert de waarde van het moederrecht.
o Het eigendomsrecht van Bart wordt minder waard, omdat de eigenaar van
dat erf moet dulden dat de buurman of buurvrouw over het erf heenloopt.
o De vordering van Carlos is minder makkelijk te verkopen, omdat die bezwaard
is met het pandrecht.
3e ezelsbruggetje
- Het uitgangspunt is dat het afhankelijk recht en het hoofdrecht steeds in hetzelfde
vermogen vallen.
o Anne heeft zowel het eigendomsrecht van haar eigen perceel (het
hoofdrecht), als het daarvan afhankelijke recht (het recht van
erfdienstbaarheid).
o De bank heeft zowel haar eigen vordering op Carlos, als het pandrecht in haar
vermogen.
- Het uitgangspunt is dat het beperkt recht en het moederrecht steeds in verschillende
vermogens vallen.
o Bart heeft wel het eigendomsrecht van zijn eigen perceel, maar niet het recht
van erfdienstbaarheid want dat is van Anne.
o Carlos heeft alleen zijn eigen vordering in het vermogen en niet het
pandrecht, want dat is juist van de bank.
Het belang van het onderscheid tussen afhankelijkheid en
zaaksgevolg
Het is belangrijk dat je in een casus kunt aangeven wat van een afhankelijk beperkt recht:
- Het hoofdrecht;
- Het moederrecht;
is.
Voor hoofdrechten gelden vaak namelijk andere rechten dan voor moederrechten.
o Zou Anne bv. het recht van erfdienstbaarheid willen wijzigen of willen
beëindigen, dan is daarop art. 5:80 BW van toepassing.
o Zou Bart het recht van erfdienstbaarheid willen wijzigen of willen beëindigen,
dan is daarop art. 5:78 en 5:79 BW van toepassing.
6
, o Bij het vestigen van pandrecht op vorderingen gelden ook verschillende
regels.
Zo kun je een pandrecht vestigen voor elke toekomstige vordering, art.
3:231 BW (de afhankelijkheid)
Maar alleen maar op toekomstige vorderingen die worden verkregen
uit een op het moment van vestigen reeds bestaande
rechtsverhouding, art. 3:239 lid 1 BW (de zaaksgevolgkant).
Dat is de reden waarvoor de vorderingen waarop het pandrecht wordt
gevestigd, in de praktijk vaak gewerkt wordt met een verzamelpandakte, om
de beperkingen van art. 3:239 lid 1 BW zoveel mogelijk teniet te doen.
Voor vorderingen waarvoor het pandrecht wordt gevestigd is dat helemaal
niet nodig. Volgens art. 3:231 BW hoeft de vordering waarvoor het pandrecht
is gevestigd niet eens te bestaan op het moment van verpanding als dat
pandrecht maar mede is gevestigd voor toekomstige vorderingen.
Je ziet ook een verschil bij het hoofdrecht en moederrecht op het moment van waarop de
vordering waarvoor of waarop het pandrecht wordt gevestigd, vast moet staan. De
vordering die als hoofdrecht dient moet voldoende bepaalbaar zijn op het moment dat het
pandobject wordt uitgewonnen, zie art. 3:231 lid 2 BW.
Terwijl de vordering die als moederrecht dient, voldoende bepaald dient te zijn op het
moment van verpanding, zie art. 3:84 lid 2 BW.
7
, Goederenrecht, verbintenissenrecht en dingen
daartussenin
Wanneer twee personen iets met elkaar willen afspreken hebben zij niet alleen de
mogelijkheid om dit in een vorm van een overeenkomst te doen, maar kunnen ze ook
gebruik maken van een goederenrechtelijk rechtsfiguur. Zou iemand die het gebruik van een
machine aan een ander wilt verlenen, dat kunnen doen door een overeenkomst van verhuur
aan te gaan met diegene. Ook zou gekozen kunnen worden voor een recht van
vruchtgebruik. Er bestaan ook tussen figuren. Rechtsfiguren die tussen het
verbintenissenrecht en goederenrecht in staan.
Voor welke kies je nu?
Verschil goederenrechtelijke rechten en verbintenisrechtelijke
rechten
Het verschil tussen goederenrechtelijke rechten en verbintenissenrechtelijke rechten is
gelegen in de werking.
Van goederenrechtelijke rechten wordt gezegd dat ze absoluut werken.
- Absolute rechten wil zeggen dat de rechten jegens iedereen werking hebben.
Van verbintenisrechtelijke rechten dat ze relatief werken.
- Relatieve rechten wil zeggen dat de rechten slechts werking hebben bij bepaalde
personen. Alleen tussen partijen.
Casus om verschil uit te leggen
En 1905 werd het klassieke arrest Blaauboer/Berlips (HR 3 maart 1905, W 8191) gewezen.
De gebroeders Berlip verkochten en leverden een stuk grond aan blaauboer. De gebroeders
Berlips verplichtten zich erbij om een stukje naastgelegen grond dat in hun eigendom zou
blijven, te bestraten zodat het gebruikt kon worden als openbare weg. De broers Berlips
hebben niet aan deze verplichting voldaan. Een van de broers was inmiddels overleden en
Blaauboer sprak de andere broer aan. Die verweerde zich in de rechten door hem erop te
wijzen dat de grond die op de weg zou aangelegd moeten worden, heeft overgedragen aan
mevrouw Maks en dat de vordering dus tegen de verkeerde was ingesteld.
De rechtbank oordeelde dat de verplichting die door Berlips was aangegaan, inderdaad op
mevrouw Maks was overgegaan. De Hoge Raad oordeelt echter anders. Die beoordeelde dat
persoonlijke verbintenissen, zoals deze verplichting die Berlips op zich nam om de weg aan
te leggen, die beperkte het eigendomsrecht van de grond zelf niet. Dus de overeenkomst die
Berlips is aangegaan werkt alleen tussen hem en zijn wederpartij Blaauboer.
Dat er aan de overeenkomst tussen Berlips en Blaauboer goederenrechtelijke werking toe
zou kunnen komen, dat kan niet worden aangenomen zonder dat een wettelijke bepaling
dat bepaalt zegt de Hoge Raad. Anders zou het bestaande scherpe onderscheid tussen
goederenrecht en verbintenissenrecht worden uitgewist. Zo oordeelt de Hoge Raad.
8
Kennisclips week 1......................................................................................................................................... 3
Afhankelijkheid of Zaaksgevolg?.................................................................................................................... 3
Casus 1 – erfdienstbaarheid.................................................................................................................................3
Casus 2 – pandrecht op een vordering.................................................................................................................4
Ezelsbruggetje onderscheid afhankelijkheid en zaaksgevolg...............................................................................5
Het belang van het onderscheid tussen afhankelijkheid en zaaksgevolg............................................................6
Goederenrecht, verbintenissenrecht en dingen daartussenin.........................................................................8
Verschil goederenrechtelijke rechten en verbintenisrechtelijke rechten..............................................................8
Het kwalitatieve recht en de kwalitatieve verplichting (art. 6:251 en 252 BW)..................................................9
Quint/Te Poel arrest, HR 30 januari 1959, NJ 1959/548................................................................................11
Casus...................................................................................................................................................................11
Arrest Depex/Curatoren van Bergel, HR 15 november 1991, NJ 1993/316.....................................................12
Het arrest Depex/Curatoren van bergel.............................................................................................................12
Kennisclips week 2....................................................................................................................................... 14
Hinck/Van der Werff (arrest)........................................................................................................................ 14
Teixeira de Mattos (arrest)........................................................................................................................... 16
Kennisclips week 3....................................................................................................................................... 19
Arrest Berg en Dalse watertoren – HR 2 april 1937, NJ 1937/639..................................................................19
Casus...................................................................................................................................................................19
Slot......................................................................................................................................................................20
Arrest Grensoverschrijdende garage – HR 17 april 1970, NJ 1971/89.............................................................21
Casus...................................................................................................................................................................21
Arrest Lentse schutting – HR 2 december 1937, NJ 1938/353........................................................................23
Ambtshalve toetsing (arrest Heesakkers/Voets, HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691).....................25
Kennisclips week 4....................................................................................................................................... 27
Arrest Berg/de Barry – HR 18 september 1987, NJ 1988/983........................................................................27
Arrest Nationaal Grondbezit/Kamphuis – HR 8 juni 1973, NJ 1974/346.........................................................30
Kennisclips week 5....................................................................................................................................... 33
Hinck/Van der Werff (arrest)........................................................................................................................ 33
Apon/Bisterbosch – HR 4 april 1986, NJ 1986/810........................................................................................36
1
,Kennisclips week 6....................................................................................................................................... 38
Arrest Sogelease.......................................................................................................................................... 38
Arrest: Nijverdal ten Cate/Wilderink q.q...................................................................................................... 41
Kennisclips week 8....................................................................................................................................... 43
Arrest Modehuis Nolly, HR 2 april 1976, NJ 1976/450...................................................................................43
Modehuis Nolly l – Goederenrechtelijke verhoudingen t.a.v. de onroerende zaken..........................................43
Modehuis Nolly II - Verbintenisrechtelijke rechtsverhouding tussen de (ex)echtgenoten.................................44
Modehuis Nolly III - Procesrecht.........................................................................................................................45
Kennisclip week 9........................................................................................................................................ 46
Arrest opschietende bomen......................................................................................................................... 46
Kennisclips week 10..................................................................................................................................... 49
Afhankelijkheid of Zaaksgevolg?.................................................................................................................. 49
Arrest Sogelease.......................................................................................................................................... 49
Kennisclips week 11..................................................................................................................................... 50
Arrest Mulder q.q./CLBN.............................................................................................................................. 50
Arrest Feenstra q.q./ING, HR 14 februari 2014, JOR 2014/118......................................................................55
Kennisclips week 12..................................................................................................................................... 57
Ter verdieping: arrest Van Berkel/Tribosa, HR 25 januari 1991, NJ 1992/172................................................57
Het bodemvoorrecht en het bodemrecht van de fiscus.................................................................................61
2
,Kennisclips week 1
Afhankelijkheid of Zaaksgevolg?
De begrippen afhankelijkheid en zaaksgevolg worden uitgelegd aan de hand van 2 casussen.
Casus 1 – erfdienstbaarheid
Er zijn twee erven. Links het erf van Anne en rechts het erf van Bart. Bart heeft ten gunste
van Anne het recht van erfdienstbaarheid gevestigd, waardoor Anne het recht heeft om over
zijn erf heen te lopen.
Waar zit de afhankelijkheid in het plaatje verstopt? Bij afhankelijkheid heb je het altijd over
2 termen:
1. Het afhankelijke recht zelf; en
2. Het hoofdrecht waarvan dat afhankelijke recht afhankelijk is.
Dit zie je ook terug in de definitie van afhankelijke rechten in art. 3:7 BW
“Een afhankelijk recht is een recht dat aan een ander recht zodanig verbonden is, dat het
niet zonder dat andere recht kan bestaan.”
In casus is het recht van erfdienstbaarheid het afhankelijke recht en het eigendomsrecht van
het erf van Anne het hoofdrecht, waarvan het recht van erfdienstbaarheid afhankelijk is.
Zonder het eigendomsrecht van haar erf, heeft Anne er ook niks aan om vanaf dat erf over
het erf van Bart heen te lopen. Zou Anne haar erf overdragen aan een derde, dan krijgt die
derde automatisch het recht van erfdienstbaarheid erbij, zie art. 3:82 BW:
“Afhankelijke rechten volgen het recht waaraan zij verbonden zijn.”
Zou het eigendomsrecht van Anne teniet gaan, dan gaat het recht van erfdienstbaarheid
automatisch ook teniet vanwege art. 3:7 BW.
Nu het zaaksgevolg (een betere term = goederenrechtelijk gevolg of droit de suite)
Bij zaaksgevolg zijn er ook twee termen:
1. Het beperkt recht dat zaaksgevolg heeft; en
2. Het moederrecht waarop dat beperkte recht is gevestigd.
Zie definitie art. 3:8 BW:
“Een beperkt recht is een recht dat is afgeleid uit een meer omvattend recht, hetwelk met
het beperkte recht is bezwaard.”
3
,Het recht van erfdienstbaarheid is hier als afhankelijk recht, maar ook als beperkt recht
gevestigd. Het is als beperkt recht gevestigd op het eigendomsrecht van het erf van Bart; het
moederrecht. Omdat het recht van erfdienstbaarheid zaaksgevolg heeft, blijft het op het
moederrecht rusten als Bart zijn eigendomsrecht van het erf zou overdragen aan een derde.
Mocht het eigendomsrecht van het erf van Bart teniet gaan, dan gaat ook het recht van
erfdienstbaarheid teniet vanwege zaaksgevolg, zie art. 3:81 lid 2 sub a BW.
Casus 2 – pandrecht op een vordering
Carlos heeft geld geleend van de bank, dus heeft de bank een vordering op hem. Ter
verzekering van terugbetaling van die vordering vestigt Carlos ten gunste van de bank een
pandrecht op de vordering, die hij Carlos zelf op Daphne heeft. De vordering van de bank is
het hoofdrecht waarvan het pandrecht afhankelijk is. Zonder die vordering heeft de bank
niets aan het pandrecht, want dan is er geen vordering om op het verpande goed te
verhalen.
Gaat de vordering teniet, dan gaat het pandrecht ook automatisch teniet. Wordt de
vordering overgedragen, dan gaat het pandrecht automatisch mee. Dit is allebei het gevolg
van de afhankelijkheid van het pandrecht.
De vordering van Carlos op Daphne is het moederrecht waarop de vordering wordt
gevestigd. Gaat de vordering teniet, dan gaat het pandrecht automatisch ook teniet. Gaat de
vordering over naar een derde, dan krijgt die derde de vordering bezwaard met het
pandrecht erop. Dit is allebei het gevolg van het zaaksgevolg van het pandrecht.
4
,Bij beide casussen zijn het hoofdrecht en het moederrecht hetzelfde. Ofwel:
1. Eigendomsrecht van een perceel
2. Vordering.
Bij andere afhankelijke rechten die ook beperkte rechten zijn is het niet zo. Zo is een
hypotheekrecht of een recht op een roerende zaak wel afhankelijk van een vordering, maar
niet gevestigd op een vordering.
Ezelsbruggetje onderscheid afhankelijkheid en zaaksgevolg
Er worden 3 ezelsbruggetjes gegeven om afhankelijkheid en zaaksgevolg uit elkaar te halen.
De ezelsbruggetjes gaan er vanuit dat je inziet dat de afhankelijkheid net op een ander deel
van het plaatje ziet dan het zaaksgevolg; ook wel de afhankelijkheidskant en de
zaaksgevolgkant genoemd.
Bij de erven bijvoorbeeld hebben de twee kanten verschillende namen:
1. Het heersende erf van Anne; en
2. Het dienende erf van Bart.
Bij de vordering zou je kunnen zeggen:
1. De gesecureerde vordering van de bank; en
2. De verpande vordering van Carlos.
De 3 ezelsbruggetjes om afhankelijkheid en zaaksgevolg uit elkaar te houden zijn:
1e ezelsbruggetje
- Afhankelijke rechten worden altijd voor een hoofdrecht gevestigd;
o Het recht van erfdienstbaarheid wordt altijd voor ( ten gunste van) het recht
van Anne gevestigd.
5
, o Het pandrecht wordt gevestigd voor zekerheid van terugbetaling van de
vordering van de bank.
- Beperkte rechten worden altijd op een moederrecht gevestigd.
o Het recht van erfdienstbaarheid wordt op het recht van Bart gevestigd.
o Het pandrecht wordt gevestigd op de vordering van Carlos op Daphne.
2e ezelsbruggetje
- Een afhankelijk recht voegt waarde toe aan het hoofdrecht.
o Het eigendomsrecht van het erf van Anne wordt meer waard, omdat de
eigenaar van dat erf ook de bevoegdheid heeft om over het erf van de
buurman heen te lopen.
o De vordering van de bank is gemakkelijker te verkopen, omdat de
terugbetaling ervan wordt verzekerd van het pandrecht.
- Een beperkt recht vermindert de waarde van het moederrecht.
o Het eigendomsrecht van Bart wordt minder waard, omdat de eigenaar van
dat erf moet dulden dat de buurman of buurvrouw over het erf heenloopt.
o De vordering van Carlos is minder makkelijk te verkopen, omdat die bezwaard
is met het pandrecht.
3e ezelsbruggetje
- Het uitgangspunt is dat het afhankelijk recht en het hoofdrecht steeds in hetzelfde
vermogen vallen.
o Anne heeft zowel het eigendomsrecht van haar eigen perceel (het
hoofdrecht), als het daarvan afhankelijke recht (het recht van
erfdienstbaarheid).
o De bank heeft zowel haar eigen vordering op Carlos, als het pandrecht in haar
vermogen.
- Het uitgangspunt is dat het beperkt recht en het moederrecht steeds in verschillende
vermogens vallen.
o Bart heeft wel het eigendomsrecht van zijn eigen perceel, maar niet het recht
van erfdienstbaarheid want dat is van Anne.
o Carlos heeft alleen zijn eigen vordering in het vermogen en niet het
pandrecht, want dat is juist van de bank.
Het belang van het onderscheid tussen afhankelijkheid en
zaaksgevolg
Het is belangrijk dat je in een casus kunt aangeven wat van een afhankelijk beperkt recht:
- Het hoofdrecht;
- Het moederrecht;
is.
Voor hoofdrechten gelden vaak namelijk andere rechten dan voor moederrechten.
o Zou Anne bv. het recht van erfdienstbaarheid willen wijzigen of willen
beëindigen, dan is daarop art. 5:80 BW van toepassing.
o Zou Bart het recht van erfdienstbaarheid willen wijzigen of willen beëindigen,
dan is daarop art. 5:78 en 5:79 BW van toepassing.
6
, o Bij het vestigen van pandrecht op vorderingen gelden ook verschillende
regels.
Zo kun je een pandrecht vestigen voor elke toekomstige vordering, art.
3:231 BW (de afhankelijkheid)
Maar alleen maar op toekomstige vorderingen die worden verkregen
uit een op het moment van vestigen reeds bestaande
rechtsverhouding, art. 3:239 lid 1 BW (de zaaksgevolgkant).
Dat is de reden waarvoor de vorderingen waarop het pandrecht wordt
gevestigd, in de praktijk vaak gewerkt wordt met een verzamelpandakte, om
de beperkingen van art. 3:239 lid 1 BW zoveel mogelijk teniet te doen.
Voor vorderingen waarvoor het pandrecht wordt gevestigd is dat helemaal
niet nodig. Volgens art. 3:231 BW hoeft de vordering waarvoor het pandrecht
is gevestigd niet eens te bestaan op het moment van verpanding als dat
pandrecht maar mede is gevestigd voor toekomstige vorderingen.
Je ziet ook een verschil bij het hoofdrecht en moederrecht op het moment van waarop de
vordering waarvoor of waarop het pandrecht wordt gevestigd, vast moet staan. De
vordering die als hoofdrecht dient moet voldoende bepaalbaar zijn op het moment dat het
pandobject wordt uitgewonnen, zie art. 3:231 lid 2 BW.
Terwijl de vordering die als moederrecht dient, voldoende bepaald dient te zijn op het
moment van verpanding, zie art. 3:84 lid 2 BW.
7
, Goederenrecht, verbintenissenrecht en dingen
daartussenin
Wanneer twee personen iets met elkaar willen afspreken hebben zij niet alleen de
mogelijkheid om dit in een vorm van een overeenkomst te doen, maar kunnen ze ook
gebruik maken van een goederenrechtelijk rechtsfiguur. Zou iemand die het gebruik van een
machine aan een ander wilt verlenen, dat kunnen doen door een overeenkomst van verhuur
aan te gaan met diegene. Ook zou gekozen kunnen worden voor een recht van
vruchtgebruik. Er bestaan ook tussen figuren. Rechtsfiguren die tussen het
verbintenissenrecht en goederenrecht in staan.
Voor welke kies je nu?
Verschil goederenrechtelijke rechten en verbintenisrechtelijke
rechten
Het verschil tussen goederenrechtelijke rechten en verbintenissenrechtelijke rechten is
gelegen in de werking.
Van goederenrechtelijke rechten wordt gezegd dat ze absoluut werken.
- Absolute rechten wil zeggen dat de rechten jegens iedereen werking hebben.
Van verbintenisrechtelijke rechten dat ze relatief werken.
- Relatieve rechten wil zeggen dat de rechten slechts werking hebben bij bepaalde
personen. Alleen tussen partijen.
Casus om verschil uit te leggen
En 1905 werd het klassieke arrest Blaauboer/Berlips (HR 3 maart 1905, W 8191) gewezen.
De gebroeders Berlip verkochten en leverden een stuk grond aan blaauboer. De gebroeders
Berlips verplichtten zich erbij om een stukje naastgelegen grond dat in hun eigendom zou
blijven, te bestraten zodat het gebruikt kon worden als openbare weg. De broers Berlips
hebben niet aan deze verplichting voldaan. Een van de broers was inmiddels overleden en
Blaauboer sprak de andere broer aan. Die verweerde zich in de rechten door hem erop te
wijzen dat de grond die op de weg zou aangelegd moeten worden, heeft overgedragen aan
mevrouw Maks en dat de vordering dus tegen de verkeerde was ingesteld.
De rechtbank oordeelde dat de verplichting die door Berlips was aangegaan, inderdaad op
mevrouw Maks was overgegaan. De Hoge Raad oordeelt echter anders. Die beoordeelde dat
persoonlijke verbintenissen, zoals deze verplichting die Berlips op zich nam om de weg aan
te leggen, die beperkte het eigendomsrecht van de grond zelf niet. Dus de overeenkomst die
Berlips is aangegaan werkt alleen tussen hem en zijn wederpartij Blaauboer.
Dat er aan de overeenkomst tussen Berlips en Blaauboer goederenrechtelijke werking toe
zou kunnen komen, dat kan niet worden aangenomen zonder dat een wettelijke bepaling
dat bepaalt zegt de Hoge Raad. Anders zou het bestaande scherpe onderscheid tussen
goederenrecht en verbintenissenrecht worden uitgewist. Zo oordeelt de Hoge Raad.
8