(Universiteit Leiden – Psychologie)
Methodologie & Statistiek Course Pack –
Latest Edition 2025 (Universiteit Leiden –
Psychology)
Inleiding in de Methodologie en Statistiek: 100 Vragen en Antwoorden
Deel 1: Onderzoeksmethodologie & Ontwerp
1. Wat is het primaire doel van methodologie in de psychologie?
a) Het uitvoeren van statistische toetsen.
b) Het verzamelen van zoveel mogelijk data.
c) Het zorgvuldig plannen, uitvoeren en interpreteren van onderzoek. ✓
d) Het vinden van significante resultaten.
2. Een onderzoeker wil weten of cafeïne de reactiesnelheid beïnvloedt. De reactiesnelheid is
in dit voorbeeld de:
a) Onafhankelijke variabele.
b) Afhankelijke variabele. ✓
c) Controlevariabele.
d) Verstorende variabele.
3. Welke vorm van validiteit verwijst naar de mate waarin de resultaten van een studie
gegeneraliseerd kunnen worden naar andere populaties, settingen en situaties?
a) Interne validiteit.
b) Externe validiteit. ✓
c) Constructvaliditeit.
d) Convergente validiteit.
4. Een onderzoek waarbij de onderzoeker geen invloed uitoefent op de onafhankelijke
variabele, maar alleen observeert, is een:
a) Experiment.
b) Correlationeel onderzoek.
,c) Observationeel onderzoek. ✓
d) Quasi-experiment.
5. Wat is een essentieel kenmerk van een waar experiment?
a) Het gebruik van vragenlijsten.
b) Randomisatie (toewijzing aan condities). ✓
c) Het hebben van een controlegroep.
d) Het meten van twee variabelen.
6. Een 'double-blind' opzet is vooral belangrijk om te controleren voor:
a) Placebo-effecten en onderzoeksbias. ✓
b) Het uitvallen van proefpersonen.
c) Het effect van confounding variabelen.
d) Het verkrijgen van ethische goedkeuring.
7. Welke vraag hoort bij de constructvaliditeit van een meetinstrument?
a) Meet het instrument wat het moet meten? ✓
b) Zijn de resultaten generaliseerbaar?
c) Zijn de metingen consistent?
d) Is de steekproef representatief?
8. Een onderzoeker is geïnteresseerd in de ontwikkeling van agressie bij kinderen over een
periode van 10 jaar. Welk onderzoeksdesign is het meest geschikt?
a) Cross-sectioneel design.
b) Longitudinaal design. ✓
c) Experimenteel design.
d) Case-study.
9. Wat is het grootste nadeel van een cross-sectioneel design?
a) Het is duur en tijdrovend.
b) Het kan geen causaliteit aantonen.
c) Het is gevoelig voor cohorteffecten. ✓
d) Het heeft een lage interne validiteit.
10. Een quasi-experimenteel design verschilt van een waar experiment doordat het:
a) Geen afhankelijke variabele heeft.
b) Geen randomisatie gebruikt. ✓
c) Geen hypothesen heeft.
d) Geen statistische analyses gebruikt.
,11. Wat is een 'confounding variabele'?
a) Een variabele die de meting verstoort.
b) Een extra afhankelijke variabele.
c) Een variabele die systematisch samenhangt met zowel de onafhankelijke als afhankelijke
variabele. ✓
d) Een variabele met een hoge betrouwbaarheid.
12. Welke ethische principes zijn vastgelegd in de Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit?
a) Zorgvuldigheid, betrouwbaarheid, controleerbaarheid, onpartijdigheid en onafhankelijkheid.
✓
b) Snelheid, efficiëntie, significantie en generaliseerbaarheid.
c) Complexiteit, diepgang, originaliteit en impact.
d) Kostenbeheersing, toegankelijkheid, transparantie en samenwerking.
13. Informed consent houdt in dat een deelnemer:
a) Verplicht is het onderzoek af te maken.
b) Alleen weet dat hij in een onderzoek zit.
c) Vrijwillig deelneemt op basis van volledige informatie. ✓
d) Een financiële vergoeding krijgt.
14. Wat is het doel van debriefing?
a) Het werven van proefpersonen.
b) Het analyseren van de data.
c) Het informeren van de deelnemer over de ware aard van het onderzoek na afloop. ✓
d) Het schrijven van het onderzoeksverslag.
15. Een onderzoek meet zowel sociale media gebruik als gevoelens van eenzaamheid. Er blijkt
een positief verband. Wat is de meest correcte conclusie?
a) Social media gebruik veroorzaakt eenzaamheid.
b) Eenzaamheid veroorzaakt meer social media gebruik.
c) Er is een verband, maar de causaliteit is onduidelijk. ✓
d) Er is geen causaal verband mogelijk.
Deel 2: Beschrijvende Statistiek & Data
16. Wat is het verschil tussen een parameter en een statistiek?
a) Een parameter beschrijft een steekproef, een statistiek een populatie.
b) Een parameter beschrijft een populatie, een statistiek een steekproef. ✓
, c) Er is geen verschil, het zijn synoniemen.
d) Een parameter is voor kwalitatieve data, een statistiek voor kwantitatieve.
17. Welk meetniveau heeft "favoriete kleur" (rood, blauw, groen)?
a) Nominaal. ✓
b) Ordinaal.
c) Interval.
d) Ratio.
18. Welk meetniveau heeft "temperatuur in graden Celsius"?
a) Nominaal.
b) Ordinaal.
c) Interval. ✓
d) Ratio.
19. Welke centrale maat is het meest geschikt voor data op nominaal niveau?
a) Mean (gemiddelde).
b) Mediaan.
c) Modus. ✓
d) Standaarddeviatie.
20. De mediaan is:
a) De som van alle scores gedeeld door het aantal scores.
b) De meest voorkomende score.
c) De middelste score in een geordende reeks. ✓
d) De grootste score min de kleinste score.
21. Wanneer is de mean (het gemiddelde) gevoelig voor uitschieters?
a) Altijd. ✓
b) Alleen bij een oneven aantal waarnemingen.
c) Nooit.
d) Alleen bij data op nominaal niveau.
22. Wat geeft de standaarddeviatie aan?
a) Het centrale punt van de data.
b) De gemiddelde afwijking van het gemiddelde. ✓
c) Het bereik van de data.
d) De betrouwbaarheid van de meting.
23. Een negatief scheve verdeling betekent dat:
a) De staart naar links wijst en de mean lager is dan de mediaan.