Digestivus - anatomie en fysiologie
1. Hoe wordt de maagwand beschermd tegen de lage pH van het maagsap?
● Intrinsic factor breekt het zuur snel af.
● Doordat de maagwand gastrine aanmaakt dat zuur buffert.
● Door een slijmlaagje.
● Pepsine bindt H+ ionen in de maagkliertjes.
2. Vulling van het rectum leidt bij personen die continent (dus zindelijk) zijn tot _______
● Aanspanning m. sphincter ani internus en aanspanning m. sphincter ani externus.
● Aanspanning m. sphincter ani internus en ontspanning m. sphincter ani externus.
● Ontspanning m. sphincter ani internus en aanspanning m. sphincter ani externus.
3. Wat is de functie van intrinsic factor die door de maag wordt geproduceerd?
● Doden van bacteriën
● Bescherming van het maagepitheel
● Opname van vitamine B12 in de dunne darm mogelijk maken
● Opname van calcium in de dunne darm mogelijk maken
4. Hoe heet het laatste deel van de dunne darm dat in het coecum/colon uitmondt?
● Ileum
● Jejunum
● Cardia
● Duodenum
5. De dunne darm heeft plooien, vlokken en microvilli (als een opgerold hoogpolig tapijt).
Waarvoor is dit van belang?
● Om bacteriën kolonisatie te beperken
● Om het resorberend oppervlak te vergroten
● Om de zuurgraad (pH) beter te handhaven
● Om snellere darmpassage te bevorderen
Cytologie - anatomie en fysiologie
6. Wat gebeurt er met cellen in een hypotone vloeistof (minder opgeloste deeltjes dan
fysiologisch) en waarom?
● De cellen krimpen, want intracellulair is de concentratie opgeloste deeltjes relatief
hoger.
● De cellen krimpen, want intracellulair is de concentratie opgeloste deeltjes relatief
lager.
, ● De cellen zwellen, want intracellulair is de concentratie opgeloste deeltjes relatief
lager.
● De cellen zwellen, want intracellulair is de concentratie opgeloste deeltjes relatief
hoger.
7. Borstkanker is bij mammografie vaak herkenbaar aan microcalcificaties. Die kalkvorming
in borstklierweefsel bij mammacarcinoom komt doordat in de abnormale celkernen
__________
● Enkelstrengs-DNA is gevormd, dat aanwezig blijft
● De genetische code voor botcellen wordt afgelezen
● Dubbelstrengs-RNA is gevormd, dat aanwezig blijft
8. In welke fase van de celcyclus verdubbelt een cel zijn DNA?
● Mitose
● Interfase
● Apotose
9. Hieronder staan drie stellingen over cel-differentie. Geef per stelling aan of de stelling
Waar of Niet waar is.
● Een zenuwcel bevat evenveel genen als een spiercel
● Spiercellen bevatten de genen die nodig zijn voor de aanmaak van amylase
● Een levercel gebruikt alle genen in dezelfde mate als een niercel
10. Twee stellingen over fosfolipiden staan hieronder beschreven. Geef per stelling aan of ze
Waar of Niet waar zijn.
● De fosfaatgroep van de fosfolipiden is goed wateroplosbaar
● Het lipidegedeelte van fosfolipiden staat in contact met het cytoplasma
Circulatie - pathologie
11. Maak de onderstaande zin af. Een patiënte krijgt na een keizerssnede plotseling een
asymmetrische snelle ademhaling (rechts blijft achter) en opvallend gestuwde halsvenen. Zij
heeft klamme ledematen met verlengde capillaire refill. Deze patiënte heeft een zwakke pols
(110/min) een bloeddruk van 80/ 50 mmHg . Deze gegevens passen het beste bij shock
door _______
● Astma cardiale
● Dehydratie
● Een grote longembolie
● Ernstig hartklepprobleem links
13. Een oudere patiënte raakt kort na een operatie in verband met een femurfractuur in
shock. Zij heeft opvallend gestuwde halsvenen. ECG en Echo van het hart tonen geen
afwijkingen. Op welke vorm van shock wijzen deze gegevens?
, ● Hypovolemische
● Cardiogene
● Obstructieve
● Distributieve
14. Wat is een oorzaak van hypovolemische shock?
● Bloedbraken/hematemesis (>1 liter)
● Dwarslesie (acute fase)
● Mitralisruptuur (klepscheur)
● Myocardinfarct (groot)
15. Welk verschijnsel berust op compensatie (bezuinigen ten bate van vitale organen) voor
bloedarmoede?
● Verwardheid
● Bleke huid
● Malaise
● Vermagering
16. Een postoperatieve patiënte met COPD krijgt plotseling een asymmetrische snelle
ademhaling (rechts blijft achter) en opvallend gestuwde halsvenen. Zij heeft klamme
ledematen met verlengde capillaire refill. Deze patiënte heeft een zwakke pols (110/min)
een bloeddruk van 80/ 50 mmHg. Het primaire probleem bij deze shock is ________
● Afname pompwerking rechts (probleem rechter ventrikel)
● Extra pulmonale vaatweerstand (obstructie thoracale vaten)
● Afname hoeveelheid circulerend bloed (minder liters)
● Extra systemische vaatweerstand (perifere vasoconstrictie)
17. Welk product bevat veel driewaardig ijzer? (Dit Fe3+ helpt pas na omzetting.)
● Biefstuk
● Wit brood
● Broccoli
● Worst
18. Wat is een oorzaak van distributieve shock?
● Hartklepinsufficiëntie
● Ernstige dehydratie (>10% gewichtsverlies)
● Uitgebreide longembolie
● Allergische reactie/anafylaxie
19. Een patiënt met pijn op de borst en koude handen blijkt een hemoglobineconcentratie
van 3,2 mmol/l te hebben. Deze klachten en een Hb van 3,2 mmol/ l passen bij ______.
, ● Laag normaal Hb
● Hoog normaal Hb
● Lichte anemie
● Ernstige anemie
20. De eerste aanwijzing voor een vermoedelijk middelgrote longembolie is ________.
● Een productieve hoest met vies sputum
● Een verlengde piepende expiratie
● Subcutaan emfyseem
● Plotselinge pijn bij het ademen
21. Waarom daalt de hemoglobineconcentratie (“het Hb”) na bloedverlies?
● Alleen erytrocyten stromen uit het vat, plasma niet
● Door toediening van packed cells/donorerytrocyten
● Het beenmerg is minder actief door verlies van EPO
● Plasma wordt sneller aangevuld met bloedcellen
Motorisch systeem - pathologie
22. Een skater ving bij een noodstop de klap op met de hand en heeft nu knikstand van de
bovenarm en asdrukpijn. Wat wijst het meest specifiek op zenuwletsel?
● Kraken gehoord bij trauma
● Tintelingen en sensibiliteitsverlies
● Witte kleur en trage cappilaire refill
● Heftige drukpijnlijke paarse zwelling
23. Na weken niet mogen belasten van een onderbeenfractuur zakt een patiënt door de
benen vanwege _______.
● Vetembolie
● Spieratrofie
● Compartimentsyndroom
● Pseudoartrose
24. Een oude man krijgt tijdens het wandelen opeens pijn in zijn rug. Hij heeft al jaren
inoperabele prostaatkanker, waarvoor hij medicatie (cyproteron en gosereline) slikt.
Röntgenopnamen tonen compressiefracturen van enkele lendenwervels. Op welk type
fracturen wijzen deze gegevens?
● Spontane
● Gecompliceerde
● Hormonale
● Directe