Visie op gezondheid
Welvaartsziekten worden veroorzaakt door leefstijlcomponenten; ongezond(e) gedrag/gewoonten.
• Kanker
• Longziekten
• Obesitas
• CVA
• Diabetes Mellitus
• Hart- en vaatziekten
Voordelen bio-psycho-sociaal-model:
• Je ziet het mens als geheel
• Interventies kunnen op verschillende plekken insteken
Gedragsverandering
Onrealistisch optimisme = het gevoel dat je een kleinere kans hebt op een gezondheidsrisico in
vergelijking tot leeftijdsgenoten.
• Zelf geen ervaring met het probleem.
• Overtuiging dat het probleem voorkomen kan worden.
• Overtuiging dat als het probleem er nu niet is, het later ook niet zal komen.
• Overtuiging dat het probleem niet vaak voorkomt.
1. Attitude-benadering
‘Als je gedrag van mensen wilt veranderen, moet je eerst weten welke overtuigingen/waarden er aan dit
gedrag ten grondslag liggen.’
• Stadia van gedragsverandering Prochaska & DiClemente
• Theory of Planned Behavior: overtuiging x belang
, 1. Attitude
a. Inschatting van de zv dat het doelgedrag bepaalde consequenties met zich
meebrengt.
b. Belang dat ze zv aan die verschillende consequenties hecht.
2. Subjectieve norm
a. De ideeën van de zv over wat anderen denken over het doelgedrag.
b. Het belang dat de zv hecht aan deze ideeën van anderen.
3. Waargenomen gedragscontrole
a. Inschatting dat je het doelgedrag ook daadwerkelijk kunt uitvoeren.
b. Mogelijkheden zien tot verandering.
c. Vertrouwen in eigen kunnen.
2. Cognitief/gedragsmatige benadering
‘Als je gedrag bij mensen wilt veranderen, doe je dit door middel van het aanleren van gezond gedrag en
het afleren van ongezond gedrag, door middel van opdrachten, beloningen, straffen, voorbeeldgedrag.’
Opties:
• Self-monitoring = bijhouden hoe het nu gaat.
• Klassiek conditioneren en stimulus controle = zorgen voor een andere stimulus (Pavlov).
• Operant conditioneren = jezelf belonen of straffen (self-reïnforcement) of dit met iemand anders
afspreken (contingency contracting).
• Modeling = voorbeeld. Voorwaarde: je moet je kunnen identificeren met het rolmodel, denk aan
leeftijd, geslacht, cultuur, situatie, etc.
• Cognitieve herstructurering = gedachten ombuigen naar iets positiefs.
3. Intrinsieke motivatie uitlokken in een gesprek
Motiverende gespreksvoering (Miller en Rollnick) = evidence-based benadering om mensen voor te
bereiden op gedragsverandering en ambivalentie op te lossen.
Doel: uitlokken van verandertaal waardoor de cliënt de relatie van het gedrag en het optreden van
problemen verwoordt, en zijn argumenten voor verandering.
Spirit: houding is belangrijk.
• Samenwerken vs confrontatie.
• Uitlokken (evocatie) vs educatie: vragen stellen zodat de cliënt zelf gaat nadenken.
• Autonomie vs autoriteit: het blijft de cliënt zijn eigen keuze.
• Empathie vs veroordelen: aanvaarding als iemand iets niet wilt. Ook complimenteren is
oordelen; vragen stellen (‘wat doet dat met je?’).
De vier principes van motiverende gespreksvoering:
1. Wees empathisch: het gaat om daadwerkelijk inleven in de cliënt en niet doen alsof.
2. Ontwikkelen van discrepantie: richt je op verschil (vanuit het perspectief van de cliënt) tussen het
huidige en toekomstige gedrag. 'Hoe ben of doe ik nu en hoe wil ik doen of zijn?'
3. Meeveren met weerstand: vermijd discussie of argumentatie. Veer mee met de weerstand en zie
dit als een kans.
4. Ondersteunen van eigen effectiviteit: het gaat er hierbij om dat je het geloof in eigen kunnen
ondersteunt en versterkt. Eigen effectiviteit is een directe voorspeller van gedragsverandering.