1. Aansprakelijkheidsrecht algemeen
2. Kwalitatieve aansprakelijkheid
3. Aansprakelijkheid van producten
4. Aansprakelijkheid van de werkgever
5. Beroepsaansprakelijkheidsrecht
6. Bestuurdersaansprakelijkheidsrecht
7. Artikel 185 WVW (aansprakelijkheid in verkeer)
8. Contractuele aansprakelijkheid
9. Schadevergoedingsrecht
10. Vorderingsrechten
11. Bewijsrecht
Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen aansprakelijkheid
Het uitgangspunt is dat het veroorzaken van schade waarvoor je aansprakelijkheid bent tot de
verplichting leidt deze te vergoeden. Een schadevergoedingsplicht kan verschillende oorzaken
hebben. Voor nu is vooral de aansprakelijkheid uit wet (OD) en uit overeenkomst van belang. Je hebt
uit de wet (OD) te maken met persoonlijke aansprakelijkheid en kwalitatieve aansprakelijkheid.
Persoonlijke aansprakelijkheid heb je te maken met een dader die zelf een onrechtmatige gedraging
verricht. Kwalitatieve aansprakelijkheid gaat het om aansprakelijkheid op basis van een hoedanigheid
die je bezit.
Voor de onrechtmatige daad en de vestiging van de aansprakelijkheid daarvan is het van belang dat
aan de 5 vereisten wordt voldaan.
1. Schade -> er moet sprake zijn van schade. In hoofdstuk 9 zal dit nog verder worden
uitgediept. Je hebt materiele schade (vermogensschade), zuivere vermogensschade
(papierenschade) en immateriële schade.
2. Onrechtmatigde gedraging.
-inbreuk op recht van een ander
-handelen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht
-Maatschappelijke verkeer (zorgvuldigheidsnorm)
3. Relativiteit de norm die geschonden is moet wel strekken ter bescherming van de geleden
schade. Een voorbeeld in het boek dat werd aangehaald is dat je geen schade kunt vorderen
door het missen van een examen door vertraging door een verkeersongeluk door derden.
4. Toerekening de onrechtmatige daad moet ook zijn toe te rekenen.
-sprake van schuld/verwijt
-op grond van de wet (denk aan lichamelijke of geestelijke psyché én gedraging)
-Maatschappelijk verkeer
5. Causaliteit de schade moet wel veroorzaakt zijn door de onrechtmatige gedraging.
Causaliteit wordt altijd door een dubbele toets vastgesteld:
-objectieve vaststelling /wederzijdse causaliteit. Er is sprake überhaupt sprake van
een oorzakelijk verband tussen de gedraging en het gevolg (schade). Vastgesteld
wordt of er een oorzaak is die tot de schade heeft geleid.
- Welke gevolgen zijn redelijkerwijze toe te rekenen aan de oorzaak (onrechtmatige
gedraging).
Bij de 5 vereisten speelt de rechtvaardigingsgronden nog een rol bij de onrechtmatige gedraging. Dit
zijn:
1. Overmacht in een noodtoestand
2. Noodweer (direct en wederrechtelijk)
3. Uitvoering gegeven aan een wettelijke voorschrift
4. Uitvoering gegeven aan een bevoegd gegeven ambtelijk bevel. (verplicht en geen
keuzemogelijkheid)
Bij toerekening spelen schulduitsluitingsgronden nog een rol. Dit zijn:
1. Noodweerexces (overschrijding grenzen van de noodzakelijk verdediging)
2. Uitvoering gegeven aan een onbevoegd gegeven ambtelijk bevel (wel goeder trouw).
1
,De causaliteit speelt vooral bij letselschade een grote rol. Vooral de omvang en hoelang een bepaalde
schade dient te worden vergoed speelt dan een grote rol. Pre-existentie én predispositie spelen dan
een grote rol.
Pre-existentie In dit geval bestonden er voor de schadegebeurtenis al vergelijkbare klachten. Het
causale verband wordt dan doorbroken. De schade wordt dan niet toegerekend aan de dader omdat
de klachten al bestonden en vergelijkbaar waren. In het boek wordt het voorbeeld van een
dwarslaesie aangehaald. Nog een keer een aanrijding met dwarslaesie maakt niet dat de schade
ineens verhaald kan worden op de dader. Er is wel causaal verband als het gaat om toegenomen
klachten
Predispositie Hier gaat om het verborgen of achterliggende klachten en door de ongeval zijn de
klachten ernstiger geworden terwijl deze voorheen niet tot uiting kwamen (het slachtoffer functioneert
normaal). Het causale verband wordt hier niet doorbroken. De moet het slachtoffer nemen zoals hij of
zij is met alle goede en kwade kansen. In het boek wordt als voorbeeld botontkalking genoemd waarbij
het slachtoffer voorheen normaal functioneerde maar door de schadegebeurtenis erg veel schade
heeft opgelopen (ook door de aandoening die al bestond). Dat betekent niet dat er met de
schadeomvang wel rekening mee gehouden kan worden. Zo kan het voorkomen dat niet alle geleden
schade voor rekening komen van de schadeveroorzaker. Voorbeeld boek. Door zijn
persoonlijkheidsstructuur en privéproblemen werd er niet meegewerkt aan herstel. Deze oplopende
schade kwam niet voor rekening van de dader.
Bij het causaliteitsleerstuk heb je ook de alternatieve causaliteit. Dit is als meerder gebeurtenissen
naast elkaar bestaan die allen geleid kunnen hebben tot de schade. Het slachtoffer kan dan alle
mogelijke daders aanspreken op vergoeding van de schade. Diegene die word(en) aangesproken
hebben wel het recht om aan te tonen dat zijn gedraging niet de schade heeft veroorzaakt. Voorbeeld
boek jaagongeluk.
Als aansprakelijkheid is komen vast te staan is de dader verplicht om de schade te vergoeden. Dan
kan de verdeling van de schadevergoedingsplicht een rol spelen. Het kan zijn dat een gedeelte van de
schade voor rekening blijft van het slachtoffer door aan hem toe te rekenen omstandigheden. Voor de
verdeling van de schadelast (6:101) wordt de volgende toets gebruikt:
1. Wederzijdse causaliteit/objectieve vaststelling --> er wordt gekeken of de omstandigheid die
hoort bij de benadeelde heeft bijgedragen aan de schade.
2. De billijkheidscorrectie De rechter kan van het uitgangspunt van de wederzijde causaliteit
afwijken. Het is dan niet redelijk dat een gedeelte van de schade bij het slachtoffer blijft
ondanks dat er omstandigheden zijn die hiertoe wel aanleiding geven. De rechter kijkt vooral
naar de ernst van de wederzijdse gemaakte fouten en/of schuld. Vooral bij kinderen wordt
vaak de billijkheidscorrectie toegepast.
Mededaderschap -> Dit is anders dan de alternatieve causaliteit. Hier gaat het om één gebeurtenis
(OD) die door meerdere daders wordt verricht. De benadeelde kan allen aanspreken tot vergoeding
van de opgelopen schade. Onderling kan achteraf regres worden gepleegd. Er bestaat hoofdelijke
verbondenheid door allemaal.
Naast de verdeling van de schadevergoedingsplicht op grond van 6:101 heeft de rechter ook de
mogelijkheid om de schade te matigen. Er moet wel sprake zijn van bijzondere omstandigheden die
meebrengen dat de schadevergoedingsplicht voor het slachtoffert meebrengt dat dit leidt tot kennelijk
onaanvaardbare gevolgen zou hebben. Het matigingsrecht door de rechter dient terughoudend te
worden toegepast. Om invulling te geven aan deze norm wordt gekeken naar:
- Aard van de aansprakelijkheid, Vooral bij kwalitatieve aansprakelijkheid zal dit worden
toegepast. Het is minder denkbaar bij persoonlijke aansprakelijkheid omdat hier vaak sprake
is van een (licht) verwijt. Dus om aansprakelijkheid buiten schuld vaker.
- De rechtsverhouding tussen partijen, bij contractuele aansprakelijkheid is minder snel sprake
van een matiging. Dit had je namelijk van te voren kunnen regelen.
- De draagkracht van partijen.
Verder is het zo dat een rechter niet mag matigen als sprake is van een verzekeraar die de schade
vergoed. Wel matigen voor het gedeelte waar de verzekeraar geen dekking voor biedt. In het
verkeersrecht zal dus niet veel sprake zijn van een matiging van de schadevergoedingsplicht. Vaak
zal dan een Wam-verzekering verplicht zijn.
2
,Hoofdstuk 2: Kwalitatieve aansprakelijkheden
Kwalitatieve aansprakelijkheid is een risicoaansprakelijkheid, terwijl persoonlijke aansprakelijkheid een
schuldaansprakelijkheid. Bij kwalitatieve aansprakelijkheid hoeft er geen schuld te zijn. Je bent
aansprakelijkheid omdat je in een bepaalde hoedanigheid van een persoon of zaak staat die schade
veroorzaakt bij een derde/benadeelde. Je kunt kwalitatief aansprakelijk zijn voor personen of zaken.
Personen:
Kinderen
Gehandicapten
Ondergeschikten
Niet-ondergeschikten
Vertegenwoordigers
Kinderen (6:169):
Bij de kwalitatieve aansprakelijkheid van kinderen kan er onderscheid gemaakt worden tussen
kinderen jonger dan 14, kinderen van 14 en 15 en kinderen ouder dan 16.
Voor kinderen jonger dan 14 geldt volledige kwalitatieve aansprakelijkheid. Moet dan wel gaan om:
- Onrechtmatige gedraging van het kind
- Een doen te beschouwen gedraging (geen nalaten)
Als aan deze vereisten is voldaan zijn de ouders/voogden aansprakelijkheid voor de schade die het
kind heeft toegebracht. Het kind is niet aansprakelijk.
Voor kinderen van 14 en 15 geldt een minder vergaande kwalitatieve aansprakelijkheid voor de
ouders/voogden. Deze kinderen zijn zelf aansprakelijkheid te stellen op grond van 6:162. De
ouders/voogden kunnen medeaansprakelijkheid zijn, tenzij zij zich kunnen disculperen. Zij kunnen
aantonen dat zij geen enkel verwijt treffen.
Vanaf 16 jaar ben je volgens het civiele recht volledig zelf aansprakelijk te stellen. Ouders zijn dan niet
meer (mede)aansprakelijk.
Gehandicapten (6:165):
Voor gehandicapten jonger dan 14 geldt het regime van artikel 6:169 BW. De ouders/voogden zijn
aansprakelijk voor een doen te beschouwen onrechtmatige daad van de gehandicapten. De
gehandicapten is zelf niet aansprakelijk.
Voor gehandicapten van 14 jaar of ouder voor onrechtmatige daad die gezien kan worden als een
doen te beschouwen gedraging kan de gehandicapten zelf aansprakelijk worden gesteld.
Indien sprake was van een toezichthouder staat voor deze persoon de weg naar 6:162 nog open. Op
grond van onvoldoende toezicht kan de toezichthouder dan worden aangesproken. Je kunt dan de
zowel de gehandicapten als de toezichthouder aanspreken. Lid 2 is voor de rechter voor de onderlinge
schadeverdeling. Bij ernstig gebrek aan toezicht kan de toezichthouder worden verplicht de
benadeelde volledig schadeloos te stellen.
Voor nalaten van de gehandicapte en als sprake was van een toezichthouder is dus in alle gevallen
alleen de toezichthouder aansprakelijk te stellen op grond van artikel 6:162 vanwege onvoldoende
toezicht. Zowel jonger of 14 en ouder.
Ondergeschikten (6:170):
De reikwijdte is hier iedere opdrachtgever die in een bepaalde gezagsverhouding staat met een
ondergeschikte en de ondergeschikte veroorzaakt schade aan een derde en/of andere
ondergeschikte. Voor de vestging van deze aansprakelijkheid zijn drie vereisten nodig:
1. Moet sprake zijn van een toerekenbare onrechtmatigde daad (fout).
2. Moet sprake zijn ondergeschiktheid dit wordt getoetst aan de hand van de zeggenschap
die de opdrachtgever had over de gedragingen waar de fout in heeft gelegen. Een zeker mate
van zelfstandigheid doet hier niet aan af. Verder hoeft het dus ook niet de formele werkgever
te zijn. Is er geen recht tot bevelen/instructies dan is niet aan dit vereisten voldaan. Denk
hierbij aan advocaten, architecten, notarissen etc.)
3. Er moet functioneel verband zijn tussen de OD en de opgedragen werkzaamheden Dit
wordt in de rechtspraak snel aangenomen. Er wordt o.a. gekeken naar de aard, de plaats, het
tijdstip en het middel.
3
, Voor huispersoneel is deze aansprakelijkheid wel beperkt voor de opdrachtgever (privé persoon). De
privé persoon is slechts kwalitatief aansprakelijkheid als de fout is begaan tijdens het uitvoeren van
een door hem opgedragen taak aan het huispersoneel. Dit is dus anders dan de te verrichten
werkzaamheden bij aansprakelijkheid bij ondergeschikte (veel ruimer). VB: wegbrengen kinderen naar
school.
De benadeeld kan zowel de werkgever/opdrachtgever op grond van 6:170 als de ondergeschikten
(6:170) aanspreken tot vergoeding van schade. Dit kan ook naast elkaar staan. In de regel (lid 3) dient
de werkgever op te komen voor 100% van de schade in de onderlinge draagplicht , tenzij sprake is
van opzet en/of bewuste roekeloosheid. Met deze onderlinge draagplicht heeft de benadeelde echter
niets van te doen. Deze kan ook de ondergeschikte uitsluitend aanspreken.
Bij structureel werk zal vaak door de werkgever/opdrachtgever een exoneratie opgenomen zijn in de
overeenkomst. Als een derde schade lijdt kan hij dit dan niet verhalen op de werkgever door deze
exoneratie. Dit geldt ook voor de onderschikte. Deze kan gebruik maken van de paardensprong
conform artikel 6:257. Een exoneratie werkt alleen bij de contractpartner en niet bij willekeurige
derden.
Niet-ondergeschikten (6:171):
De toepassing van dit artikel is beperkt en komt niet veel voor. Vaak gaat het hier om aanneemwerk
en/of uitbesteed werk aan een ander bedrijf en dan gaat het om dat personeel. Er zijn 4 vereisten voor
de vestiging van deze kwalitatieve aansprakelijkheid voor niet-ondergeschikten:
1. Moet gaan om iemand die in opdracht werkzaamheden uitvoeren (OVO). Werkzaamheden
worden niet ondergeschikt, maar zelfstandig uitgevoerd maar moet wel aanwijzingen volgen
van de opdrachtgever.
2. Moet gaan om werkzaamheden in kader van beroep of bedrijf van de kwalitatieve
aangesproken. ‘’werkzaamheden ter uitoefening van diens bedrijf’’.
3. Moet gaan om een toerekenbare onrechtmatige gedraging van de niet-ondergeschikte.
4. Moet sprake zijn van functioneel verband tussen de gedraging en de werkzaamheden.
Benadeelde zou eventueel dan drie partijen kunnen aanspreken. Let wel dat voor deze
aansprakelijkheid alle vereisten voldaan dienen te worden. Deze aansprakelijkheid is enger dan die
van artikel 6:170. In het boek als voorbeeld loopt de aansprakelijkheid stuk op vereisten 2. Ramen
zemen van een advocatenkantoor en de emmer valt. Dan wel 6:170, maar niet 6:171. Dit is zijn niet
werkzaamheden ter uitoefening van een advocatenkantoor.
Vertegenwoordigers (6:172):
Een vertegenwoordiger is in deze zin iemand die op naam en rekening handelt van diegene die hij
vertegenwoordigd. Denk aan wettelijke vertegenwoordigers (voogd, curator), maar ook diegene met
een volmacht (advocaat, adviseur, makelaar). Dit artikel gaat niet over de onderlinge draagplicht. Als
een vertegenwoordiger een fout maakt in de uitoefening van zijn werkzaamheden dan is niet alleen de
vertegenwoordiger maar ook de vertegenwoordigde aansprakelijk voor de geleden schade.
Zaken:
Roerende zaken
Opstallen
Dieren
Producten (volgend hoofdstuk).
Er zijn een aantal artikelen die de bezitter (niet eigenaar) aansprakelijk stelt voor aansprakelijkheid die
schade veroorzaakt wordt door de zaak aan een derde. Het gaat om het begrip bezitter. Dit is iemand
die de zaak voor zichzelf houdt. Dit is dus niet de huurder of de lener van de zaak. Als hij toch wordt
aangesproken dan moet hij aantonen dat hij niet de bezitter is van de zaak, maar iemand anders.
Slaag je hierin niet dan wordt je beschouwd bezitter te zijn van de zaak.
Roerende zaken (6:173):
Iemand is kwalitatief aansprakelijkheid voor de veroorzaakte schade van de roerende zaak als;
1. Er sprake is van bezitter.
2. Er sprake is van een roerende zaak. Dit zijn geen onroerende zaken (duurzaam met de grond
verbonden) en dieren, schepen en luchtvaartuigen.
3. Er is sprake van een gebrek. Er is sprake van een gebrek als de zaak niet voldoet aan de
eisen die daaraan redelijkerwijs mogen worden gesteld. Denk aan de veiligheid of gebruik van
de zaak.
4