IPR Vermogensrecht Jurisprudentie
Jurisprudentie Week 2
HvJ EG 6 oktober 1976, NJ 1977, 169 (Tessili/Dunlop). Rechtspraakbundel P4:
Conflict tussen 2 firma’s. Duitse Dunlop bestelde bij Italiaanse Tessilini damesskipakken. Achteraf
stelde Dunlop dat er klachten waren in de kwaliteit en niet voldeden aan de ovk. Bij de brief van
Dunlop waarop aankoopvoorwaarden waren afgedrukt stond dat bij een gschil de rb van Hanau am
Main bevoegd was. Op de rekening van Tessili stond dat rb van Como bevoegd was.
Duitse rechter: beide mogelijkheden zijn uitgesloten. Art. 5 Executieverdrag: verbintenissen uit ovk de
rechter van plaats waar verbintenis uit moet voeren, of uitgevoerd is, is bevoegd. Duitse rechter stelt
vraag aan HvJEU over het begrip ‘plaats waar de verbintenis is uitgevoerd of dient uitgevoerd te
worden’.
HvJEU: plaats waar de verbintenis is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd in de zin van art. 5
Executieverdrag = wordt vastgesteld overeenkomstig het recht dat volgens collisieregels van de
aangezochte rechter de litigieuze verbintenis beheerst. Dus geen autonome betekenis!
HvJ EG 30 november 1976, NJ 1977, 494 (Kalimijnen). Rechtspraakbundel P5:
De Franse vennootschap Mines de Potasse d’Alsace loost afvalzouten in de Rijn en breng schade toe
aan Westlandse tuinder Bier die door watervervuiling een reinigingsinstallatie moet aanschaffen. Bier
en Stichting Reinwater dagen Franse Kalimijnen voor Nl rechter en eisen schadevergoeding op grond
van OD. In EEX-verordening staat dat rechter van bepaalde staat bevoegd is, indien daar het
schadeveroorzakende feit heeft plaatsgevonden. Hof Den Haag stelt hierover prejudiciële vraag aan
HvJEU: Hoe moet het begrip ‘plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan’ in de zin
van art. 5 sub 3 EEX-Verdrag worden uitgelegd?
HvJEU: plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan = laat open of ter bepaling van
de rechterlijke bevoegdheid in de beschreven situatie de plaats van de schadeveroorzakende
gebeurtenis, dan wel de plaats waar de schade is ingetreden, als aanknopingspunt moet worden
genomen. Aangenomen moet worden dat de verzoeker de keuze heeft om te kiezen waar hij zijn
vordering wil instellen. Hieruit volgt dat de verweerder ter keuze van de verzoeker kan worden
opgeroepen voor de rechter van de plaats waar de schade is ingetreden of van de plaats van de
veroorzakende gebeurtenis.
Later: HvJEU heeft geoordeeld dat art. 5 sub 3 EEX-verordening geen betrekking heeft op indirecte
schade. Persoon die indirect schade lijdt, mag niet de veroorzaker van de schade oproepen voor de
gerechten van de plaats waar hij zelf de schade in zijn vermogen heeft vastgesteld.
HvJ EG 27 september 1988, NJ 1990, 425 (Kalfelis/Schröder). Rechtspraakbundel P12:
Gaat om het begrip ‘verbintenis uit OD in de zin van art. 5 lid 3 Brussel I Verordening. Dit moet
worden beschouwd als een autonoom begrip, waaronder elke rechtsvordering valt die beoogt de
1
, aansprakelijkheid van een verweerder in het geding te brengen en die geen verband houdt met een
verbintenis uit ovk in de zin van art. 5 lid 1 Brussel I Verordening.
Een gerecht dat op grond van art. 5 lid 3 Brussel I Verordening bevoegd is om kennis te nemen van het
onderdeel van een vordering dat op OD is gebaseerd, is niet bevoegd om kennis te nemen van andere
onderdelen van de vordering, die een andere grondslag hebben dan OD.
HvJ EG 7 maart 1995, NIPR 1995, 533 (Shevill), Rechtspraakbundel P15:
Gaat ook over het begrip uit art. 5 lid 3 Brussel I Verordening de OD. In dit arrest is geoordeeld dat
onder die plaats van het schadebrengende feit zowel de plaats waar de schade is veroorzaakt als
waar de schade is ingetreden mag worden verstaan.
Gevolg: bij grensoverschrijdende situaties zijn twee (of meer) rechters bevoegd om de zaak te
behandelen.
Vandaar dat ook toen ook is geoordeeld dat niet overal dezelfde schadevergoeding kan worden
gevorderd:
- bij de rechter in het land van vestiging van de uitgever van de onrechtmatige publicatie kan
vergoeding van de gehele schade worden gevorderd; of
- bij de rechter in alle andere landen (van de EU) kan vergoeding van de in dat land door de
onrechtmatige publicatie geleden schade worden gevorderd.
HvJ EG 1 maart 2005, NIPR 2005, 152 (Owusu), Rechtspraakbundel P25:
Brussel I Verordening verzet zich er tegen dat een rechterlijke instantie van een verdragsluitende staat
de bevoegdheid die zij aan art. 2 Brussel I Verordening niet ontleent, niet uitoefent, op grond dat een
gerecht van een niet-verdragsluitende staat een geschikter forum zou zijn om van het betrokken
geschil kennis te nemen, ook wanneer de bevoegdheid van een gerecht van een andere
verdragsluitende staat niet aan de orde is of wanneer het geschil geen andere aanknopingspunten
heeft met een andere verdragsluitende staat. ‘Forum non conveniens-exeptie: wordt dus door HvJEU
uitdrukkelijk afgewezen.
HvJ EG 16 juli 2009, NIPR 2009, 207 (Zuid Chemie), Rechtspraakbundel P31:
Geding tussen Zuid-Chemie BV (producent van kunstmeststoffen) in Nl en Philippo’s mineralenfabriek
in België. Zuid-Chemie had schade geleden, doordat grondstoffen voor kunstmest, geleverd door
Philippo, verontreinigd waren met Cadmium. Zuid-Chemie had via een tussenpersoon het product
micromix gekregen van Philippo, maar nadat het product was verwerkt door Zuid-Chemie bleek het
kunstmest niet/minder bruikbaar waardoor Zuid-Chemie schade leed.
Volgens Philipppo was Belgische rechter bevoegd, want daar was de levering. Volgens Zuid-Chemie
de Nl rechter, want daar was de schade ingetreden. Rb Middelburg verklaarde zich onbevoegd.
HR komt met prejudiciële vraag bij het HvJEU omtrent uitleg van EEX Verordening art. 5 sub 3: HR
wilde weten of als plaats waar de initiële schade was ontstaan de plaats van aflevering gold, of de
plaats waar stoffen vermengd werden. Waar heeft het schadebrengende feit voorgedaan om zo de
bevoegdheid van het gerecht vast te stellen?
2
Jurisprudentie Week 2
HvJ EG 6 oktober 1976, NJ 1977, 169 (Tessili/Dunlop). Rechtspraakbundel P4:
Conflict tussen 2 firma’s. Duitse Dunlop bestelde bij Italiaanse Tessilini damesskipakken. Achteraf
stelde Dunlop dat er klachten waren in de kwaliteit en niet voldeden aan de ovk. Bij de brief van
Dunlop waarop aankoopvoorwaarden waren afgedrukt stond dat bij een gschil de rb van Hanau am
Main bevoegd was. Op de rekening van Tessili stond dat rb van Como bevoegd was.
Duitse rechter: beide mogelijkheden zijn uitgesloten. Art. 5 Executieverdrag: verbintenissen uit ovk de
rechter van plaats waar verbintenis uit moet voeren, of uitgevoerd is, is bevoegd. Duitse rechter stelt
vraag aan HvJEU over het begrip ‘plaats waar de verbintenis is uitgevoerd of dient uitgevoerd te
worden’.
HvJEU: plaats waar de verbintenis is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd in de zin van art. 5
Executieverdrag = wordt vastgesteld overeenkomstig het recht dat volgens collisieregels van de
aangezochte rechter de litigieuze verbintenis beheerst. Dus geen autonome betekenis!
HvJ EG 30 november 1976, NJ 1977, 494 (Kalimijnen). Rechtspraakbundel P5:
De Franse vennootschap Mines de Potasse d’Alsace loost afvalzouten in de Rijn en breng schade toe
aan Westlandse tuinder Bier die door watervervuiling een reinigingsinstallatie moet aanschaffen. Bier
en Stichting Reinwater dagen Franse Kalimijnen voor Nl rechter en eisen schadevergoeding op grond
van OD. In EEX-verordening staat dat rechter van bepaalde staat bevoegd is, indien daar het
schadeveroorzakende feit heeft plaatsgevonden. Hof Den Haag stelt hierover prejudiciële vraag aan
HvJEU: Hoe moet het begrip ‘plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan’ in de zin
van art. 5 sub 3 EEX-Verdrag worden uitgelegd?
HvJEU: plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan = laat open of ter bepaling van
de rechterlijke bevoegdheid in de beschreven situatie de plaats van de schadeveroorzakende
gebeurtenis, dan wel de plaats waar de schade is ingetreden, als aanknopingspunt moet worden
genomen. Aangenomen moet worden dat de verzoeker de keuze heeft om te kiezen waar hij zijn
vordering wil instellen. Hieruit volgt dat de verweerder ter keuze van de verzoeker kan worden
opgeroepen voor de rechter van de plaats waar de schade is ingetreden of van de plaats van de
veroorzakende gebeurtenis.
Later: HvJEU heeft geoordeeld dat art. 5 sub 3 EEX-verordening geen betrekking heeft op indirecte
schade. Persoon die indirect schade lijdt, mag niet de veroorzaker van de schade oproepen voor de
gerechten van de plaats waar hij zelf de schade in zijn vermogen heeft vastgesteld.
HvJ EG 27 september 1988, NJ 1990, 425 (Kalfelis/Schröder). Rechtspraakbundel P12:
Gaat om het begrip ‘verbintenis uit OD in de zin van art. 5 lid 3 Brussel I Verordening. Dit moet
worden beschouwd als een autonoom begrip, waaronder elke rechtsvordering valt die beoogt de
1
, aansprakelijkheid van een verweerder in het geding te brengen en die geen verband houdt met een
verbintenis uit ovk in de zin van art. 5 lid 1 Brussel I Verordening.
Een gerecht dat op grond van art. 5 lid 3 Brussel I Verordening bevoegd is om kennis te nemen van het
onderdeel van een vordering dat op OD is gebaseerd, is niet bevoegd om kennis te nemen van andere
onderdelen van de vordering, die een andere grondslag hebben dan OD.
HvJ EG 7 maart 1995, NIPR 1995, 533 (Shevill), Rechtspraakbundel P15:
Gaat ook over het begrip uit art. 5 lid 3 Brussel I Verordening de OD. In dit arrest is geoordeeld dat
onder die plaats van het schadebrengende feit zowel de plaats waar de schade is veroorzaakt als
waar de schade is ingetreden mag worden verstaan.
Gevolg: bij grensoverschrijdende situaties zijn twee (of meer) rechters bevoegd om de zaak te
behandelen.
Vandaar dat ook toen ook is geoordeeld dat niet overal dezelfde schadevergoeding kan worden
gevorderd:
- bij de rechter in het land van vestiging van de uitgever van de onrechtmatige publicatie kan
vergoeding van de gehele schade worden gevorderd; of
- bij de rechter in alle andere landen (van de EU) kan vergoeding van de in dat land door de
onrechtmatige publicatie geleden schade worden gevorderd.
HvJ EG 1 maart 2005, NIPR 2005, 152 (Owusu), Rechtspraakbundel P25:
Brussel I Verordening verzet zich er tegen dat een rechterlijke instantie van een verdragsluitende staat
de bevoegdheid die zij aan art. 2 Brussel I Verordening niet ontleent, niet uitoefent, op grond dat een
gerecht van een niet-verdragsluitende staat een geschikter forum zou zijn om van het betrokken
geschil kennis te nemen, ook wanneer de bevoegdheid van een gerecht van een andere
verdragsluitende staat niet aan de orde is of wanneer het geschil geen andere aanknopingspunten
heeft met een andere verdragsluitende staat. ‘Forum non conveniens-exeptie: wordt dus door HvJEU
uitdrukkelijk afgewezen.
HvJ EG 16 juli 2009, NIPR 2009, 207 (Zuid Chemie), Rechtspraakbundel P31:
Geding tussen Zuid-Chemie BV (producent van kunstmeststoffen) in Nl en Philippo’s mineralenfabriek
in België. Zuid-Chemie had schade geleden, doordat grondstoffen voor kunstmest, geleverd door
Philippo, verontreinigd waren met Cadmium. Zuid-Chemie had via een tussenpersoon het product
micromix gekregen van Philippo, maar nadat het product was verwerkt door Zuid-Chemie bleek het
kunstmest niet/minder bruikbaar waardoor Zuid-Chemie schade leed.
Volgens Philipppo was Belgische rechter bevoegd, want daar was de levering. Volgens Zuid-Chemie
de Nl rechter, want daar was de schade ingetreden. Rb Middelburg verklaarde zich onbevoegd.
HR komt met prejudiciële vraag bij het HvJEU omtrent uitleg van EEX Verordening art. 5 sub 3: HR
wilde weten of als plaats waar de initiële schade was ontstaan de plaats van aflevering gold, of de
plaats waar stoffen vermengd werden. Waar heeft het schadebrengende feit voorgedaan om zo de
bevoegdheid van het gerecht vast te stellen?
2