Cursuscode: 201700102 | Pedagogische Wetenschappen | Universiteit Utrecht
Tentamen: vijf vragen per hoorcollege
Opbouw van de cursus
12/11/2024: Theorieën opvoeding / socialisatie
19/11/2024: Gehechtheid: Voorspellers en gevolgen
26/11/2024: Gendersocialisatie
03/12/2024: De ontwikkeling van (morele) emoties
10/12/2024: Ouder-kind relaties tijdens de adolescentie
17/12/2024: Jongeren en scheiding
07/01/2024: Jeugd en media
14/01/2024: Relaties met leeftijdgenoten
Week 1: Theorieën opvoeding / socialisatie
Algemene informatie
Socialisatie:
Het proces waarbij kinderen kennis, vaardigheden, gedragingen,
waarden en normen leren om te participeren in de samenleving.
Drie soorten socialisatie:
Unidirectioneel: Eénrichtingsverkeer, ouder beïnvloedt het kind.
Bidirectioneel: Ouders en kind beïnvloeden elkaar.
Transactioneel: Interacties veranderen over tijd en beïnvloeden
gedrag generatie op generatie.
Belangrijke theorieën
1. Psychodynamische benadering (Freud)
Samenvatting PSKA 1
, Driften (seksueel, agressief) veroorzaken conflicten met de omgeving.
Regulatie via:
Id: Primitieve driften gericht op genot.
Ego: Rationele regulatie van impulsen.
Superego: Geweten dat interne controle ontwikkelt.
Ontwikkeling is discontinu, met sprongsgewijze fasen:
Orale, anale, fallische, latente en genitale fasen.
Taak ouders: Kind helpen impulsen te reguleren.
2. Psychosociale theorie (Erikson)
Acht levensfasen, elk met een psychosociale crisis:
Bijv. vertrouwen vs. wantrouwen (0-1 jaar), autonomie vs. schaamte (1-3
jaar).
Kenmerken:
Levenslange ontwikkeling.
Sociale en culturele invloeden centraal.
Fasen bouwen voort op elkaar, successen en falen beïnvloeden latere
ontwikkeling.
3. Leertheoretische benaderingen
Klassieke conditionering (Pavlov):
Associaties tussen stimuli en reacties, vooral emotionele reacties.
Operante conditionering (Skinner):
Gedrag beïnvloed door beloning of straf.
Positieve bekrachtiging verhoogt gedrag; straf verlaagt gedrag.
Sociaal-cognitieve leertheorie (Bandura):
Leren door observatie en imitatie.
Belang van motivatie en zelfeffectiviteit (geloof in eigen kunnen).
Reciprocal determinism: Gedrag, persoonlijke factoren en omgeving
beïnvloeden elkaar.
Samenvatting PSKA 2
, Coercion circle (Patterson):
Een negatieve vicieuze cirkel van bekrachtiging tussen ouder en kind:
1. Ouder geeft een aversieve correctie (bijvoorbeeld schreeuwen).
2. Kind reageert met tegenstand (bijvoorbeeld huilen of boosheid).
3. Ouder stopt de correctie om conflict te vermijden → negatieve
bekrachtiging.
4. Kind leert dat tegenstand effectief is → versterking van negatief
gedrag.
Gevolgen:
Korte termijn: Minder conflict.
Lange termijn: Negatief gedrag van het kind neemt toe, terwijl
ouders frustratie ervaren.
4. Cognitieve ontwikkeling (Piaget)
Kinderen ontwikkelen in vier fasen:
Sensomotorisch, pre-operationeel, concreet-operationeel, formeel-
operationeel.
De vier fasen van cognitieve ontwikkeling (Piaget)
1. Sensomotorisch stadium (0-2 jaar):
Kinderen begrijpen de wereld door directe zintuiglijke ervaringen en
motorische interacties.
Belangrijk concept: Objectpermanentie (besef dat objecten blijven
bestaan, zelfs als ze niet zichtbaar zijn).
2. Pre-operationeel stadium (2-7 jaar):
Ontwikkeling van symbolisch denken (woorden en beelden
representeren objecten).
Kenmerken:
Egocentrisme: Moeite om het perspectief van anderen te
begrijpen.
Centratie: Focussen op één aspect van een situatie en andere
aspecten negeren (bijv. denken dat een hogere beker meer
Samenvatting PSKA 3
, water bevat, zelfs als de inhoud hetzelfde is).
3. Concreet-operationeel stadium (7-11 jaar):
Kinderen kunnen logisch nadenken over concrete situaties.
Belangrijk concepten:
Conservatie: Begrip dat een hoeveelheid hetzelfde blijft, zelfs
als de vorm verandert (bijv. water overgieten).
Classificatie en seriatie: Objecten indelen in categorieën of
ordenen op volgorde.
4. Formeel-operationeel stadium (vanaf 11 jaar):
Ontwikkeling van abstract en hypothetisch denken.
Belangrijk concept:
Hypothetisch-deductief redeneren: Het systematisch testen van
hypotheses en het begrijpen van abstracte concepten.
Processen:
Assimilatie: Nieuwe informatie inpassen in bestaande schema’s.
Accommodatie: Aanpassing van schema’s bij nieuwe ervaringen.
Ontwikkeling is discontinu en stadium-gebaseerd.
5. Sociaal-culturele theorie (Vygotsky)
Leren via sociale interacties en culturele contexten.
Zone van naaste ontwikkeling (ZPD): Kinderen leren het beste met hulp
van anderen.
Cultuur en sociale interactie zijn essentieel voor probleemoplossing en
ontwikkeling.
6. Ecologische systeemtheorie (Bronfenbrenner)
Ontwikkeling wordt beïnvloed door meerdere omgevingslagen:
Microsysteem: Directe omgeving (gezin, school).
Mesosysteem: Interacties tussen microsystemen (bijv. ouder-
leerkrachtrelatie).
Exosysteem: Indirecte invloeden (bijv. werk van ouders).
Samenvatting PSKA 4