(zelfstudie)vragen, antwoorden, theorie en
uitwerkingen van verplichte uitspraken
1. Vraag: Wat is het primaire doel van het bestuursrecht?
Antwoord: Het reguleren van de verhouding tussen de overheid (bestuursorganen) en de
burger. Het biedt kaders voor de uitoefening van bestuursbevoegdheid en waarborgt de
rechtsbescherming van de burger tegen de overheid.
2. Vraag: Noem de drie belangrijkste pijlers van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Antwoord: 1. Het bepalen van algemene regels voor de relatie tussen bestuur en burger
(Algemeen Deel). 2. Het reguleren van de voorbereiding en totstandkoming van besluiten
(Besluitvorming). 3. Het bieden van procedures voor geschilbeslechting (Rechtsbescherming).
3. Vraag: Wat is een "besluit" in de zin van art. 1:3 lid 1 Awb?
Antwoord: Een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een
publiekrechtelijke rechtshandeling.
4. Vraag: Noem drie vereisten uit de Algemene beginselen van behoorlijk bestuur (ABBB).
Antwoord: (Drie van de volgende:) Het verbod op détournement de pouvoir, het
specialiteitsbeginsel, het legaliteitsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het
rechtsverwerkingsbeginsel, het motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het fair play-
beginsel, het gelijkheidsbeginsel.
5. Vraag: Wat is het onderscheid tussen een "beschikking" en een "beleidsregel"?
Antwoord: Een beschikking is een concreet, individueel bindend besluit (art. 1:3 lid 1 Awb).
Een beleidsregel is een algemeen verbindend voorschrift dat door een bestuursorgaan wordt
gesteld als leidraad voor de uitoefening van zijn bevoegdheid (art. 1:3 lid 4 Awb).
6. Vraag: Wat houdt het legaliteitsbeginsel in?
Antwoord: Dat een bestuursorgaan alleen bevoegdheden mag uitoefenen die het bij of
krachtens de wet zijn toeekend. "Geen bevoegdheid zonder wet."
7. Vraag: Wat is het verschil tussen formele en materiële wetgeving?
Antwoord: Formele wetten zijn wetten in formele zin, vastgesteld door regering en Staten-
Generaal. Materiële wetten zijn alle algemeen verbindende voorschriften, ongeacht wie ze
heeft vastgesteld (dus inclusief AMvB's, ministeriële regelingen, verordeningen, etc.).
,8. Vraag: Wat is de definitie van een "bestuursorgaan" volgens art. 1:1 Awb?
Antwoord: Een orgaan van een rechtspersoon krachtens publiekrecht ingesteld, of een ander
persoon of college, met enig openbaar gezag bekleed.
9. Vraag: Wat is het doel van het vertrouwensbeginsel?
Antwoord: Het beschermen van het vertrouwen dat een burger redelijkerwijs mocht hebben in
uitingen of gedragingen van de overheid, ook als deze onjuist bleken te zijn.
10. Vraag: Wat is het verschil tussen onrechtmatige en nietige besluiten?
Antwoord: Een onrechtmatig besluit is weliswaar in strijd met het recht, maar blijft in stand tot
het wordt vernietigd. Een nietig besluit is vanaf het begin absoluut ongeldig (een 'nulheid'),
bijvoorbeeld wegens strijd met de openbare orde of goede zeden.
Besluitvorming en Voorbereiding
11. Vraag: Wat is het doel van het hoorrecht (art. 4:7 Awb)?
Antwoord: Het waarborgen van een zorgvuldige besluitvorming door de belanghebbende in de
gelegenheid te stellen zijn zienswijze naar voren te brengen voordat een voor hem nadelige
beschikking wordt genomen.
12. Vraag: In welke gevallen geldt het hoorrecht niet? Noem twee uitzonderingen.
Antwoord: Bijvoorbeeld bij spoed wegens onverwijlde betrokkenheid van het algemeen belang,
of indien het horen kennelijk niet tot een andere voorbereiding zal leiden.
13. Vraag: Wat moet een bestuursorgaan doen bij een aanvraag voor een beschikking (art. 4:1
Awb)?
Antwoord: Het bestuursorgaan beslist over de aanvraag binnen een redelijke termijn, doch
uiterlijk binnen acht weken (de reguliere beslistermijn), tenzij een andere termijn bij wettelijk
voorschrift is gesteld.
14. Vraag: Wat is een "voorgenomen besluit" en wat is de functie ervan?
Antwoord: Een mededeling aan de belanghebbende over wat het bestuursorgaan voornemens
is te beslissen. Het biedt de belanghebbende een extra mogelijkheid om te reageren (een
tweede hoor), vaak nadat het advies van een derde (bijv. de commissie voor bezwaarschriften)
is ingewonnen.
15. Vraag: Wat zijn de vereisten voor een goede motivering van een besluit (art. 4:14 Awb)?
Antwoord: De motivering moet de feitelijke en juridische gronden bevatten waarop het besluit
is gebaseerd. Zij moet inzicht geven in de overwegingen van het bestuursorgaan en de afweging
van belangen.
,16. Vraag: Wat is het verschil tussen een bezwaarschrift en een beroepschrift?
Antwoord: Een bezwaarschrift is gericht aan het bestuursorgaan dat het oorspronkelijke besluit
heeft genomen (administratief beroep). Een beroepschrift is gericht aan een onafhankelijke
rechter (de bestuursrechter) om tegen het besluit in beroep te gaan.
17. Vraag: Wat is de "Wet dwangopname psychiatrische patiënten"?
Antwoord: Dit is een voorbeeld van een bijzondere wet. De correcte naam is de Wet verplichte
geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) en de Wet zorg en dwang (Wzd) voor mensen met een
verstandelijke beperking. Deze wetten bevatten specifieke procedures die voorrang hebben op
de algemene regels van de Awb (lex specialis).
18. Vraag: Wat is het principe van "auditeur et altera pars"?
Antwoord: Het hoor-wederhoor beginsel: "Hoor ook de andere partij." Het is een fundamenteel
onderdeel van een eerlijke procedure.
19. Vraag: Wanneer moet een bestuursorgaan een aanvullend onderzoek instellen?
Antwoord: Als de stukken van de aanvrager of belanghebbende daartoe aanleiding geven, of als
de wettelijke eisen daartoe nopen (oordeel van de rechter in o.a. de Havenkade-uitspraak).
20. Vraag: Wat is het formele rechtsgevolg als een bestuursorgaan de beslistermijn
overschrijdt?
Antwoord: Van rechtswege wordt dan een beschikking geacht te zijn genomen waarbij de
aanvraag is afgewezen (een fictieve afwijzing, art. 4:13 Awb). Tegen deze fictieve beslissing kan
bezwaar en beroep worden ingesteld.
Jurisprudentie & Verplichte Uitspraken
21. Vraag: In de uitspraak "Bouwstoffen" (HR 2 december 1983, NJ 1984/532) oordeelde de
Hoge Raad over de doorwerking van verdragen. Wat was het belang van deze uitspraak?
Antwoord: Deze uitspraak bevestigde dat bepalingen uit verdragen die naar hun inhoud een
ieder kunnen verbinden, rechtstreeks werken in de nationale rechtsorde. Bestuursorganen en
rechters moeten deze bepalingen rechtstreeks toepassen.
22. Vraag: Wat is het belang van de "Benthem-uitspraak" (EHRM 23 oktober 1985, NJ 1986/
136) voor het Nederlandse bestuursrecht?
Antwoord: Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens oordeelde dat de toenmalige
Kroonberoepsprocedure niet voldeed aan het recht op een eerlijk proces (art. 6 EVRM), omdat
de Kroon geen onafhankelijke rechter was. Dit leidde tot een grote herziening van het
bestuursprocesrecht en de invoering van de Algemene wet bestuursrecht.
, 23. Vraag: In de zaak "Landbouwvliegers" (HR 22 juni 1973, NJ 1973/386) werd een belangrijk
algemeen beginsel van behoorlijk bestuur geformuleerd. Welk beginsel was dit?
Antwoord: Het specialiteitsbeginsel. Dit houdt in dat een bestuursorgaan een bevoegdheid
alleen mag uitoefenen voor het doel waarvoor die bevoegdheid is gegeven.
24. Vraag: Wat leert de "Havenkade-uitspraak" (HR 21 februari 1986, NJ 1986/575) over de
onderzoeksplicht van een bestuursorgaan?
Antwoord: Dat een bestuursorgaan een eigen onderzoeksplicht heeft. Het mag niet klakkeloos
vertrouwen op de informatie van de aanvrager, maar moet zelf, ook uit eigen beweging,
onderzoek doen als daartoe aanleiding bestaat.
25. Vraag: In de "Suiker-arresten" (HR 14 april 1989, AB 1989, 461) ging het om de verhouding
tussen het vertrouwensbeginsel en het legaliteitsbeginsel. Welk beginsel prevaleerde?
Antwoord: Het legaliteitsbeginsel prevaleerde. De overheid kan zich niet op het
vertrouwensbeginsel beroepen om handelingen te verrichten waartoe zij niet bevoegd is.
26. Vraag: Wat is de kern van de "Nieuwe Regeling-uitspraak" (HR 6 maart 1981, NJ 1981/532)
met betrekking tot beleid?
Antwoord: Dat een bestuursorgaan aan zijn eigen beleid (beleidsregels) is gebonden, tenzij dit
tot een onbillijkheid van overwegend gewicht zou leiden. Dit wordt ook wel
het rechtsverwerkingsbeginsel genoemd.
27. Vraag: De uitspraak "Gouda" (ABRvS 18 december 1987, AB 1988, 267) gaat over het
gelijkheidsbeginsel. Wat was de conclusie?
Antwoord: Het gelijkheidsbeginsel verbiedt om zonder objectieve rechtvaardiging onderscheid
te maken tussen gelijke gevallen. Het bestuursorgaan moet gemotiveerd uitleggen waarom het
in ogenschijnlijk gelijke gevallen een ander beleid hanteert.
28. Vraag: Wat is het belang van de uitspraak "Alkmaar/Pop" (CRvB 16 juli 1999, AB 1999,
362) voor de motiveringsplicht?
Antwoord: De motivering moet zo zijn dat de belanghebbende kan begrijpen waarom het
besluit is genomen, zonder dat hij zelf allerlei verbanden hoeft te leggen. De rechter toetst of de
motivering "in zichzelf begrijpelijk" is.
29. Vraag: In de "Windmill-uitspraak" (ABRvS 28 mei 1999, AB 1999, 302) oordeelde de
Afdeling bestuursrechtspraak over de reikwijdte van de toetsing van beleid. Wat was het
oordeel?
Antwoord: De rechter toetst of het bestuursorgaan zijn beleid op een voor de hand ligende
wijze heeft kunnen baseren op de aan het beleid ten grondslag liggende feiten en inzichten. Dit
is een terughoudende toets.