Grammatica
1. Vraag: Wat is het onderwerp in de zin: "Gisteren hebben de kinderen uitgelaten in het park
gespeeld."?
• Antwoord: De kinderen.
2. Vraag: Noem de persoonsvorm en de werkwoordstijd in: "Zij zouden graag willen komen."
• Antwoord: Persoonsvorm: zouden. Tijd: onvoltooid verleden toekomende tijd (OVTT).
3. Vraag: Wat is het lijdend voorwerp in de zin: "De docent corrigeerde de proefwerken
nauwkeurig."?
• Antwoord: De proefwerken.
4. Vraag: Maak de zin passief: "Het bedrijf introduceert een nieuw product."
• Antwoord: Er wordt een nieuw product geïntroduceerd (door het bedrijf).
5. Vraag: Wat is het verschil tussen een betrekkelijke en een onbepaalde voornaamwoord?
Geef een voorbeeld.
• Antwoord: Een betrekkelijk voornaamwoord (die, dat, wat) introduceert een bijzin. Een
onbepaald voornaamwoord (iemand, iets, enkele) verwijst naar niet-specifieke personen
of zaken. Voorbeeld: "De man die daar loopt, heeft iets verloren."
6. Vraag: Verbind de zinnen met een voegwoord: "Het regent. We gaan toch fietsen."
• Antwoord: Hoewel het regent, gaan we toch fietsen.
7. Vraag: Wat is de stellende, vergrotende en overtreffende trap van "mooi"?
• Antwoord: Mooi - mooier - mooist.
8. Vraag: Is 'omdat' een nevenschikkend of onderschikkend voegwoord?
• Antwoord: Onderschikkend.
9. Vraag: Wat is het meewerkend voorwerp in: "Hij gaf zijn vriendin een bos bloemen."?
• Antwoord: Zijn vriendin.
,10. Vraag: Zet de zin in de voltooide tijd: "Hij eet zijn boterham."
• Antwoord: Hij heeft zijn boterham gegeten.
11. Vraag: Wat is het verschil tussen 'hen' en 'hun' als persoonlijk voornaamwoord?
• Antwoord: 'Hen' gebruik je na een voorzetsel of als lijdend voorwerp. 'Hun' gebruik je
als meewerkend voorwerp zonder voorzetsel. Voorbeeld: "Ik geef hun het boek. / Ik geef
het boek aan hen."
12. Vraag: Wat is een infinitief? Geef een voorbeeld.
• Antwoord: De onvervoegde, hele vorm van een werkwoord. Voorbeeld: lopen, denken,
zijn.
13. Vraag: Noem de oorzakelijke hulpwerkwoorden.
• Antwoord: Laten, doen, en helpen (in sommige contexten).
14. Vraag: Wat is een zelfstandig naamwoord?
• Antwoord: Een woord dat een persoon, dier, ding, begrip of toestand noemt.
15. Vraag: Wat is het verschil tussen een telbaar en een ontelbaar zelfstandig naamwoord?
• Antwoord: Een telbaar naamwoord heeft een meervoud (tafel - tafels). Een ontelbaar
naamwoord heeft dat meestal niet (water, advies).
16. Vraag: Wat is een bijvoeglijk naamwoord?
• Antwoord: Een woord dat een eigenschap of kenmerk van een zelfstandig naamwoord
weergeeft. (Bijv. de rode auto).
17. Vraag: Vervang het bijvoeglijk naamwoord door de verbogen vorm: "Een mooi huis."
• Antwoord: Het mooie huis.
18. Vraag: Wat is een voorzetsel? Geef twee voorbeelden.
• Antwoord: Een woord dat de relatie aangeeft tussen andere woorden. Voorbeelden: in,
op, onder, naast, tijdens.
19. Vraag: Wat is een bijwoord?
• Antwoord: Een woord dat meer informatie geeft over een werkwoord, een bijvoeglijk
naamwoord, een ander bijwoord of een hele zin. (Bijv. Hij loopt snel).
20. Vraag: Wat is een betrekkelijke bijzin?
, • Antwoord: Een bijzin die meer informatie geeft over een woord of woordgroep in de
hoofdzin, vaak ingeleid door een betrekkelijk voornaamwoord.
Spelling
21. Vraag: Schrijf de verleden tijd van 'bakken'.
• Antwoord: Bakte (en niet: bakkte, vanwege de korte klinker).
22. Vraag: Schrijf de verleden tijd van 'reizen'.
• Antwoord: Reisde (lange klinker, dus geen verdubbeling).
23. Vraag: Is het 'pannenkoek' of 'pannekoek'?
• Antwoord: Pannenkoek.
24. Vraag: Schrijf het voltooid deelwoord van 'worden'.
• Antwoord: Geworden.
25. Vraag: Schrijf de juiste vorm: "Hij (vermenigvuldigen) de getallen."
• Antwoord: Vermenigvuldigt.
26. Vraag: Is het 'desalniettemin' of 'desalnietemin'?
• Antwoord: Desalniettemin.
27. Vraag: Schrijf de juiste vorm: "Dat is een (zorgen) ontwikkeling."
• Antwoord: Zorgelijke.
28. Vraag: Schrijf de juiste vorm: "De (agent) auto."
• Antwoord: Agentenauto.
29. Vraag: Wat is de juiste spelling: 'accommoderen' of 'acommoderen'?
• Antwoord: Accommoderen.
30. Vraag: Schrijf de juiste vorm: "Hij is (proberen) te slagen."
• Antwoord: Hij is proberend te slagen. (Maar beter is: Hij probeert te slagen).
31. Vraag: Is het 'te allen tijde' of 'te allen tijden'?
• Antwoord: Te allen tijde.
, 32. Vraag: Schrijf de juiste vorm: "Het (wees) meisje."
• Antwoord: Weesmeisje.
33. Vraag: Wat is de juiste interpunctie aan het eind van een vragende zin?
• Antwoord: Een vraagteken.
34. Vraag: Wanneer gebruik je een dubbele punt?
• Antwoord: Voor een opsomming, een citaat, een uitleg of een samenvatting.
35. Vraag: Wanneer gebruik je een puntkomma?
• Antwoord: Tussen twee hoofdzinnen die sterk met elkaar samenhangen, of in een
opsomming waar komma's verwarrend zouden zijn.
36. Vraag: Schrijf de juiste vorm: "Hij is (door + lopen) met zijn werk."
• Antwoord: Doorgegaan.
37. Vraag: Schrijf de juiste vorm: "Dat is een (moeilijk + praten) man."
• Antwoord: Moeilijkdoener.
38. Vraag: Is het 'ongeacht' of 'onacht'?
• Antwoord: Ongeacht.
39. Vraag: Schrijf de juiste vorm: "Hij heeft het (na + zeggen)."
• Antwoord: Nagezegd.
40. Vraag: Schrijf de juiste vorm: "Het (CD'tje) is kapot."
• Antwoord: Cd'tje.
Woordenschat (incl. Uitdrukkingen en Gezegdes)
41. Vraag: Wat is een synoniem voor 'onmiddellijk'?
• Antwoord: Direct, meteen, ogenblikkelijk.
42. Vraag: Wat is een antoniem voor 'waarderen'?
• Antwoord: Verachten, minachten.
43. Vraag: Wat betekent de uitdrukking: 'De koe bij de horens vatten'?