samenvatting - Tilburg University
Psychopathologie Tentamen: 100 Vragen & Antwoorden
Deel 1: Algemene Begrippen en Classificatie
1. Vraag: Wat is het verschil tussen "geestelijke gezondheid" en "psychopathologie"?
o Antwoord: Geestelijke gezondheid is een toestand van welzijn waarin een
individu zijn eigen capaciteiten kan realiseren, kan omgaan met de normale
spanningen van het leven, productief kan werken en in staat is een bijdrage te
leveren aan zijn of haar gemeenschap. Psychopathologie is de wetenschappelijke
studie van psychische aandoeningen, inclusief hun symptomen, oorzaken en
behandeling.
2. Vraag: Noem de vier D's die vaak worden gebruikt om afwijkend gedrag te definiëren.
o Antwoord: Dysfunctionaliteit, Distress, Deviatie (afwijking van de norm) en
Gevaar (Danger).
3. Vraag: Wat is het belangrijkste doel van het DSM-5 classificatiesysteem?
o Antwoord: Het bieden van een gestandaardiseerd systeem voor het
diagnosticeren en classificeren van psychische stoornissen op basis van
observeerbare symptomen, om zo de betrouwbaarheid en communicatie tussen
clinici te verbeteren.
4. Vraag: Wat is het cruciale verschil tussen de begrippen "validiteit" en
"betrouwbaarheid" binnen de diagnostiek?
o Antwoord: Betrouwbaarheid verwijst naar de consistentie van een meting (bijv.
of twee verschillende artsen dezelfde diagnose stellen). Validiteit verwijst naar de
mate waarin een diagnose daadwerkelijk meet wat hij beoogt te meten (de
onderliggende stoornis).
5. Vraag: Wat is het verschil tussen een "signs" en "symptoms"?
o Antwoord: Symptoms (symptomen) zijn de subjectieve klachten die een patiënt
zelf rapporteert (bijv. "Ik voel me verdrietig"). Signs (tekens) zijn de objectieve,
, observeerbare indicatoren van een stoornis (bijv. trage motoriek, geagiteerd
gedrag).
6. Vraag: Wat wordt bedoeld met "comorbiditeit"?
o Antwoord: Het gelijktijdig voorkomen van twee of meer stoornissen bij dezelfde
persoon.
7. Vraag: Noem een belangrijk kritiekpunt op het DSM-systeem.
o Antwoord: Het medicaliseren van normaal menselijk lijden, de afhankelijkheid
van categorische in plaats van dimensionale diagnoses, of het risico op
stigmatisering.
8. Vraag: Wat is het verschil tussen "etiologie" en "pathogenese"?
o Antwoord: Etiologie verwijst naar de oorzaken van een stoornis. Pathogenese
beschrijft het ontstaansproces en het verloop van de stoornis.
9. Vraag: Welke drie factoren worden in het bio-psycho-sociale model als verklaring voor
psychopathologie gezien?
o Antwoord: Biologische factoren (genen, neurobiologie), psychologische factoren
(gedachten, emoties, persoonlijkheid) en sociale factoren (omgeving, cultuur,
levensgebeurtenissen).
10. Vraag: Wat is een "differentialdiagnose"?
o Antwoord: Het systematisch overwegen van alternatieve diagnoses die dezelfde
symptomen kunnen verklaren, voordat een definitieve diagnose wordt gesteld.
Deel 2: Angststoornissen en Obsessieve-Compulsieve Stoornis
11. Vraag: Wat is het kernverschil tussen angst en vrees?
o Antwoord: Vrees is een emotionele reactie op een reële, directe dreiging. Angst
is de anticiperende reactie op een toekomstige, diffuse of onbekende dreiging.
12. Vraag: Noem drie lichamelijke symptomen van een paniekaanval.
o Antwoord: Hartkloppingen, zweten, trillen, gevoel van stikken, pijn op de borst,
misselijkheid, duizeligheid.
13. Vraag: Bij welke stoornis is de angst niet gebonden aan een specifieke situatie (vrij
rondzwevend)?
o Antwoord: Gegeneraliseerde angststoornis (GAS).
, 14. Vraag: Wat is het essentiële kenmerk van een specifieke fobie?
o Antwoord: Een uitgesproken en aanhoudende angst voor een specifiek object of
situatie (bijv. spinnen, bloed, hoogtes), die excessief of onredelijk is.
15. Vraag: Welke twee componenten zijn nodig voor de diagnose sociale angststoornis?
o Antwoord: 1) Angst in sociale situaties waarin men mogelijk beoordeeld wordt.
2) De angst om negatief beoordeeld te worden of zich vernederend te gedragen.
16. Vraag: Wat is het verschil tussen een obsessie en een compulsie bij een OCD?
o Antwoord: Een obsessie is een aanhoudende, intrusieve gedachte, impuls of
voorstelling die angst veroorzaakt. Een compulsie is een repetitief gedrag of
mentale handeling die men moet uitvoeren om de angst veroorzaakt door de
obsessie te neutraliseren of te voorkomen.
17. Vraag: Noem een veelvoorkomende obsessie en bijbehorende compulsie bij OCD.
o Antwoord: Obsessie: angst voor besmetting. Compulsie: excessief handen
wassen.
18. Vraag: Wat is het belangrijkste kenmerk van agorafobie?
o Antwoord: Angst om op plaatsen of in situaties te zijn waar ontsnappen moeilijk
of gênant zou zijn, of waar geen hulp beschikbaar zou zijn in geval van een
paniekaanval of panieksymptomen.
19. Vraag: Welke cognitieve fout ligt vaak ten grondslag aan een paniekstoornis?
o Antwoord: De catastroferende interpretatie van lichamelijke sensaties (bijv. het
denken dat hartkloppingen een hartaanval betekenen).
20. Vraag: Welke angststoornis wordt vaak voorafgegaan door een specifieke, stressvolle
gebeurtenis?
o Antwoord: De posttraumatische stress-stoornis (PTSS).
Deel 3: Trauma- en Stressorgerelateerde Stoornissen
21. Vraag: Wat zijn de vier clusters van symptomen bij PTSS?
o Antwoord: 1) Herbeleving, 2) Vermijding, 3) Negatieve veranderingen in
cognities en stemming, 4) Verhoogde prikkelbaarheid en arousal.
22. Vraag: Wat is het verschil tussen PTSS en een acute stressstoornis (ASS)?
, o Antwoord: De duur. Bij ASS duren de symptomen 3 dagen tot 1 maand na het
trauma. Bij PTSS duren de symptomen langer dan 1 maand.
23. Vraag: Wat is een "trigger" bij PTSS?
o Antwoord: Een interne of externe stimulus die herinneringen aan het trauma
oproept en leidt tot een stressreactie of herbeleving.
24. Vraag: Noem een belangrijk symptoom van aanpassingsstoornis.
o Antwoord: Het ontstaan van emotionele of gedragsmatige symptomen als
reactie op een identificeerbare stressor, binnen 3 maanden na het begin van de
stressor. De symptomen zijn klinisch significant maar voldoen niet aan de criteria
voor een andere stoornis.
25. Vraag: Welke stoornis wordt gekenmerkt door aanhoudende negatieve stemming,
prikkelbaarheid en woede-uitbarstingen bij kinderen die zijn blootgesteld aan trauma?
o Antwoord: Trauma-gerelateerde stoornis van de hechting (DSM-5: "Reactive
Attachment Disorder" of "Disinhibited Social Engagement Disorder" zijn verwante
stoornissen, maar de beschrijving past het best bij "Posttraumatische stress-
stoornis bij kinderen met een specifieke vermelding van prikkelbare en
woedende stemming").
Deel 4: Depressieve Stemmingsstoornissen
26. Vraag: Noem vijf symptomen van een depressieve episode volgens de DSM-5.
o Antwoord: 1) Depressieve stemming, 2) Anhedonie (verlies van interesse of
plezier), 3) Significante gewichts- of eetlustverandering, 4) Slaapstoornissen, 5)
Psychomotorische agitatie of remming, 6) Vermoeidheid, 7) Gevoelens van
waardeloosheid of schuld, 8) Concentratieproblemen, 9) Gedachten aan de dood
of suïcide.
27. Vraag: Wat is het kernverschil tussen een depressieve episode en een dysthyme stoornis
(Permanente Depressieve Stoornis)?
o Antwoord: De ernst en duur. Een depressieve episode is ernstiger maar korter
(minimaal 2 weken). Dysthymie is milder maar chronisch (minimaal 2 jaar bij
volwassenen).
28. Vraag: Wat is anhedonie?
o Antwoord: Het onvermogen om plezier te ervaren in activiteiten die voorheen
als plezierig werden ervaren.