Hoorcolleges
HC1: Introductie en functie en bouw nieren en urinewegen
Probleemgerichte aanpak
- Waarneming → interpretatie → plan
o Definities
o Prioriteiten
o Interpretaties (richting DDx)
- Symptomen
o PU/PD
o Braken
o Oedeemvorming/ascites
o Afwijkende mictie
- Laboratorium
o Urineonderzoek (hematurie, SG, proteïnurie, glucosurie)
o Bloedonderzoek (kreatinine, eiwitten, elektrolyten, kreatine/ureum ratio)
Functies nieren
- Excretie van metabolieten, medicijnen en toxinen
- Homeostase van het volume, de osmolariteit, elektrolyten en de pH in bloed
- Endocriene functies zoals productie EPO, RAAS systeem, prostaglandine en
calcitriol (vitamine D).
Ontwikkeling nieren
Nieren ontwikkelen vanuit het mesoderm, en
om precies te zijn het intermediaire
mesoderm.
Het intermediaire mesoderm loopt vanuit de
halsregio helemaal naar caudaal. Hierbij
ontstaan er verschillende gebieden/stadia
(pronephros, mesonephros, metanephros).
De verschillende stadia ontwikkelen
verschillend (zowel locatie als tijd).
,De metanephros (zwart) wordt de uiteindelijke functionele nier in volwassen dieren.
De mesonephros (blauw) is de embryonale nier (oernier) die alleen dan functioneel is.
De pronephros (oranje) heeft bij zoogdieren geen functie behalve aanzet voor
ontwikkeling van de rest. Bij “lagere” dieren vaak wel een functie.
De metanephros ontstaat vanuit de
ureterknop. Deze ureterknop ontstaat uit
de ductus mesonephricus (oernierbuis).
Deze knop gaat groeien richting het
metanefrogeen blasteem (richting
toekomstig nierweefsel) en als hij daar
aankomt zal de knop zich gaan vertakken.
Het klompje cellen rondom de
vertakkingen van de ureterknop gaan
zich ook organiseren en differentiëren.
Daaruit ontstaan de proximale tubuli,
Lis’ van Henle en distale tubuli.
De ureterknop vormt dus de
verzamelbuizen, nierbekken en
kelkjes.
Het metanefrogeen blasteen vormt de
nefronen, interstitium en het kapsel.
Als de knop en het metanefrogeen blasteem meer uitgegroeid zijn dan ontstaan er
lobben. Deze lobben kúnnen gaan fuseren en dit is diersoortspecifiek.
Zeezoogdieren hebben erg veel lobben en het nierbekken is erg vertakt.
Unilobulair zijn gladde nieren waarbij de lobben volledig gefuseerd zijn (paard, kleine
herkauwers, vleeseters, OOK mensen en varkens). Multilobulair zijn er nog meerdere
lobben.
Unipapillair zijn nieren waarbij de papilla ook gefuseerd zijn. Dit is de meest gefuseerde
stap (paard, kleine herkauwers, GEEN mensen en varkens). Mensen en varkens zijn
multipapillair maar dus wél unilobulair.
,De nieren ontstaan in het bekkengebied. Ze blijven niet daar maar migreren naar
craniaal. De rechter nier komt hierbij iets meer craniaal te liggen dan de linker (behalve
bij varken).
Caudaal van de nier komen dan de gonaden te liggen (nieren halen ze in) die onderdeel
worden van het geslachtsapparaat.
Er kan bij de migratie van de nieren nog wel iets verkeerd gaan. Zo kan een nier migreren
of de ander niet (pelvic kidney), of kunnen de nieren gaan fuseren (horseshoe kidney)
waardoor ze blijven hangen achter de arteria mesenterica caudalis. Dit heeft geen
klinische waarde maar wordt als toevalsbevinding gevonden.
Macroscopische bouw + ligging
De kelken (stengels) van de nier worden ook wel calyces genoemd. Bij dieren waarbij de
papillen ook zijn gefuseerd worden deze samen het crista renalis genoemd.
De nieren liggen retroperitoneaal (linker nier hangt iets meer
in het peritoneum), dorsaal en de rechter nier iets meer
craniaal.
Door de magen van het rund liggen de nieren helemaal aan de
rechterkant. De linker nier ligt ook erg rechts. Ze zijn beter te
onderscheiden door de wervels waar ze liggen (rechter nier
dus cranialer (13e thoracale) dan de linker (3e lumbale)).
Microscopische bouw
Een nefron is een functionele eenheid van de nier. Het aantal nefronen is
diersoortafhankelijk.
Een nefron bestaat uit:
- Nierlichaampje = glomerulus + kapsel van Bowman
- Proximale tubulus
- Lis van Henle
- Distale tubulus
In de afbeelding zijn de cortex en
medulla aangeduid. Er zijn twee soorten
nefronen: juxtamedullaire nefronen en
corticale nefronen.
Juxtamedullair wil zeggen dat ze dicht bij
de medulla liggen. Ze hebben dan ook
een Lis van Henle die behoorlijk ver
doorloopt.
Corticale nefronen hebben een veel
kortere Lis van Henle en die komen bijna
niet in de medulla.
, De cortex met glomeruli
In de afbeelding is een microscopische afbeelding
te zien van de cortex van een nier. Hierin zijn de
glomeruli, proximale tubuli, distale tubuli en
kapsel van Bowman zichtbaar.
Dieren die goed hun urine kunnen concentreren
hebben een uitgebreide Lis van Henle met veel
juxtamedullaire nefronen.
Het juxtaglomerulair apparaat (in de buurt van
glomerulus) bestaat uit:
- Macula densa → oefent invloed uit op distale tubulus
(Na-K-2Cl-transporter)
- Juxtaglomulaire cellen (granulaire cellen) → maakt
renine
- Extraglomulaire mesangium cellen
Deze 3 reguleren de glomerulaire filtration rate (GFR).
De afferente arteriole zorgt voor aanvoer, de efferente
arteriole loopt ervan weg.
In de proximale tubulus vindt de reabsorptie en secretie
plaats. >60% van het water wordt hier teruggeresorbeerd en
ook veel opgeloste stoffen (glucose bijv.).
Anorganische ionen worden gesecreteerd.
In de Lis van Henle is er concentrerend
vermogen. In het afdalende/dunne deel is er
grote permeabiliteit van water en dus treedt er
door osmose water uit. Hierdoor concentreert
de inhoud van de Lis.
In het stijgende/dikke deel is er geen
permeabiliteit maar wel actief transport van
NaCl naar het interstitium. Deze NaCl gaat
naar het interstitium en zorgt ervoor dat de
osmotische gradiënt van het dunne deel zo
blijft dat er water blijft bewegen. Dit is counter
current multiplication (zie hiernaast).