Propedeuse Toegepaste psychologie Periode 2
Inhoud
Leerdoelen..............................................................................................................................................2
Week 2................................................................................................................................................7
Week 4..............................................................................................................................................15
Week 6..............................................................................................................................................23
Extra informatie:...................................................................................................................................26
,Leerdoelen
Week 1
1. De student kan beschrijven wat persoonlijkheid is, aangeven wat de nature en nurture
invloeden zijn op persoonlijkheid, beschrijven wat dispositie en temperament is, en deze
begrippen herkennen in een korte casus.
2. De student kan de bijdrage van Cattell en Eysenck aan de persoonlijkheidspsychologie
toelichten (zie HC)
3. De student kan de Big five theorie beschrijven, de vijf factoren benoemen die horen bij deze
theorie, en toelichten hoe deze theorie is ontstaan.
4. De student kan de effecten van cultuur op onze kijk op de persoonlijkheid beschrijven.
5. De student kan de verschillen tussen de dimensies van de Big Five ten opzichte van die van
het HEXACO-model benoemen (welke dimensies zijn toegevoegd/ aangepast?).
6. De student kan de betekenis van de dimensie Integriteit van het HEXACO-model toelichten.
Week 2
1. De student kan de impliciete persoonlijkheidstheorie en de self-narratives toelichten en
herkennen in een korte casus.
2. De student kan verschillende andere theorieën over persoonlijkheid beschrijven en
herkennen in een korte casus (psychodynamische, humanistische en sociaalcognitieve
theorie).
3. De student kan beschrijven hoe persoonlijkheid gemeten kan worden en voorbeelden geven
van persoonlijkheidstesten.
4. De student kan de invloed van persoonlijkheid op gedrag verklaren.
5. De student kan beschrijven wat (interne en externe) locus of control is en herkennen in een
korte casus. 14.3.2
6. De student kan voorbeelden noemen van de invloed van persoonlijkheidsfactoren op de
arbeidsprestatie
7. De student kan het verschil in de voorspellende waarde van brede persoonlijkheidsfactoren
versus onderliggende facetten van die brede persoonlijkheidsfactoren toelichten.
8. De student kan beschrijven wat er bedoeld wordt met het 'reference group effect' en het
'frame-of-reference effect'.
Week 3
1. De student kan beschrijven wat motivatie is, welke aspecten van motivatie bestaan en deze
herkennen in een korte casus.
2. De student kan beschrijven wat intrinsieke en extrinsieke motivatie is en deze herkennen in een
casus.
3. De student kan de verschillende motivatietheorieën beschrijven en deze herkennen in een casus
(de instincttheorie, de drijfveertheorie, de psychodynamische theorie, de behoeftehiërarchie en de
zelfdeterminatietheorie).
4. De student kan beschrijven hoe bovenstaande motivatietheoriën gedrag verklaren.
5. De student kan beschrijven wat de onverwachte effecten van beloning zijn.
Week 4
1. De student kan beschrijven wat de constructen prestatiemotivatie, positieve en negatieve
faalangst inhouden, deze herkennen in een korte casus en de invloed van deze concepten op gedrag
verklaren.
2. Student kan toelichten hoe procestheorieën (verwachtingstheorie van Vroom en de X en Y theorie)
het gedrag van mensen op de werkvloer verklaren.
, 3. De student kan beschrijven wat coping is, welke copingstijlen er zijn en deze herkennen in een
korte casus.
4. De student kan toelichten hoe coping het gedrag van mensen beïnvloedt.
5. De student weet wat faalangst is, welke typen faalangst onderscheiden worden en welke
uitingsvormen faalangst heeft.
6. De student weet welke mogelijke oorzaken van faalangst er zijn en weet wat belangrijk is in de
begeleiding van iemand met faalangst.
Week 5
1. De student kan toelichten wat intelligentie is en kan verschillende manieren om naar intelligentie
te kijken benoemen.
2. De student kan de verschillen tussen crystalized en fluid intelligence zoals benoemd door Cattell
toelichten en in een casus herkennen.
3. De student kan verschillende intelligentietheorieen toelichten (Spearman, Sternberg en Gardner).
4. De student kan toelichten hoe intelligentie gemeten kan worden en welke implicaties dat heeft.
5. De student kan toelichten wat nature en nurture invloeden zijn op intelligentie.
Week 6
1. De student kan toelichten wat de begrippen concepten (en natuurlijk en artificieel concept),
conceptuele hiërarchie, schema’s en scripts inhouden en herkennen in een korte casus.
2. De student kan de begrippen algoritmen en heuristieken toelichten, een aantal voorbeelden van
heuristieken benoemen en toelichten, en herkennen in een korte casus.
3. De student kan de begrippen functionele gefixeerdheid, convergent en divergent denken
toelichten en herkennen in een korte casus.
4. De student kan benoemen wat creativiteit is en wat persoonlijkheidskenmerken van creatieve
mensen zijn.
5. De student kan beschrijven wat de relatie is tussen intelligentie en gedrag.
Week 7
1. De student kan toepassingen benoemen van de kennis over persoonlijkheid, coping, motivatie,
faalangst en intelligentie in de diverse werkvelden (arbeid en organisatie, gezondheid en zorg,
onderwijs en ontwikkeling).