KERNCONCEPTEN
● Kloosters -
● Missionarissen -
● Islam
● Zelfvoorzienende agrarische cultuur -
● Hofstelsel en horigheid-
● Feodaliteit -
● Standensamenleving
● Theocratisch koningschap -
, Politiek in de middeleeuwen: Wie moet de macht hebben?
In de vroege middeleeuwen kwam Karel de Grote aan de macht over bijna heel Europa.
Omdat dit enorme rijk bestuurd moest worden, werd het verdeeld in bestuurlijke gebieden, de
zogeheten gouwen. Aan het hoofd van zo’n gouw stond een graaf of hertog. In de
grensgebieden werden markgraven (markiezen) aangesteld. Zij stonden onder toezicht van
de zendgraven, vertrouwelingen van de keizer. Karel de Grote reisde bovendien regelmatig
door zijn rijk en bezocht verschillende burchten, zodat hij persoonlijk contact hield met zijn
bestuurders. Na zijn dood werd het rijk verdeeld onder zijn zonen. Hierdoor verdween het
centrale gezag, waardoor hertogen en graven steeds meer zelfstandige macht kregen. Zo
ontstonden uiteindelijk kleinere koninkrijken. In grote delen van dit voormalige rijk waren de
boeren arm en hadden zij nauwelijks inspraak over hun eigen leven. Zij woonden en werkten
op een domein (of vroonhof) van een heer, in ruil voor bescherming. Veel van deze hoven
waren verbonden aan kloosters, waar de administratie en belastinginning zorgvuldig werd
bijgehouden. Hoewel er sprake was van economische groei, bleef de bevolkingsgroei achter.
Daardoor ontstond er een tekort aan arbeidskrachten. Om het werk op de domeinen toch te
kunnen doen, namen heren boeren in dienst die verplicht voor het domein werkten. Deze
boeren werden horigen genoemd. Dit geheel van afspraken en verplichtingen tussen heer en
horigen staat bekend als het hofstelsel.