H12 Medische beeldvorming
§12.1 Echografie en MRI
Elektromagnetische golven: zichtbaar licht en röntgenstraling
Echografie: een beeld maken door het gebruiken van geluidsgolven met frequenties tussen de 1MHz en
10 MHz. Dit geluid is niet hoorbaar, een ultrasoon geluid.
Een transducer zendt korte geluidspulsen uit. De foetus reflecteert de golven. Hoe groter de
afstand van de foetus tot de transducer, des te langer doet geluid erover om terug te keren naar
de transducer. Met deze gegevens berekent de computer een beeld van de foetus.
𝑣 =𝑓∙𝜆 frequentie in constant, soortelijke weerstand (Binas 15A)
MRI: maakt gebruik van de magnetische eigenschappen in waterstofkernen. Een grote elektromagneet
zorgt in een MRI-apparaat voor een enorm sterk magnetisch veld. De magnetische waterstofkernen gaan
zich richten.
In de richting van het veld: de grondtoestand
In tegengestelde richting: de aangeslagen toestand (Kost meer energie)
Gradiëntspoelen --> zorgt ervoor dat de grootte van het magnetisch veld niet overal in de tunnel gelijk is.
Resonantiefrequentie --> de frequentie waarbij een waterstofkern omslaat van energietoestand.
§12.2 Röntgenfotografie en CT-scan
Röntgenfoto: foto door middel van röntgenstraling. Een detector aan de andere kant van het lichaam
registreert hoeveel straling het lichaam gepasseerd heeft. Waar veel röntgenstraling is doorgelaten, is de
foto donker.
Hoeveel röntgenstraling een materiaal tegenhoudt, hangt af van de dikte van het materiaal.
𝑑
1 𝑑1
𝐼= 𝐼0 ∙ (2) 2 = Intensiteit
Halveringsdikte: Hoeveel de dikte afneemt per halvering van de straling.
Doorlatingskromme: De grafiek van I tegen de dikte van het materiaal.
CT-scan / doorlichting: filmpje van bewegende lichaamsdelen door middel van röntgenstraling.
§12.1 Echografie en MRI
Elektromagnetische golven: zichtbaar licht en röntgenstraling
Echografie: een beeld maken door het gebruiken van geluidsgolven met frequenties tussen de 1MHz en
10 MHz. Dit geluid is niet hoorbaar, een ultrasoon geluid.
Een transducer zendt korte geluidspulsen uit. De foetus reflecteert de golven. Hoe groter de
afstand van de foetus tot de transducer, des te langer doet geluid erover om terug te keren naar
de transducer. Met deze gegevens berekent de computer een beeld van de foetus.
𝑣 =𝑓∙𝜆 frequentie in constant, soortelijke weerstand (Binas 15A)
MRI: maakt gebruik van de magnetische eigenschappen in waterstofkernen. Een grote elektromagneet
zorgt in een MRI-apparaat voor een enorm sterk magnetisch veld. De magnetische waterstofkernen gaan
zich richten.
In de richting van het veld: de grondtoestand
In tegengestelde richting: de aangeslagen toestand (Kost meer energie)
Gradiëntspoelen --> zorgt ervoor dat de grootte van het magnetisch veld niet overal in de tunnel gelijk is.
Resonantiefrequentie --> de frequentie waarbij een waterstofkern omslaat van energietoestand.
§12.2 Röntgenfotografie en CT-scan
Röntgenfoto: foto door middel van röntgenstraling. Een detector aan de andere kant van het lichaam
registreert hoeveel straling het lichaam gepasseerd heeft. Waar veel röntgenstraling is doorgelaten, is de
foto donker.
Hoeveel röntgenstraling een materiaal tegenhoudt, hangt af van de dikte van het materiaal.
𝑑
1 𝑑1
𝐼= 𝐼0 ∙ (2) 2 = Intensiteit
Halveringsdikte: Hoeveel de dikte afneemt per halvering van de straling.
Doorlatingskromme: De grafiek van I tegen de dikte van het materiaal.
CT-scan / doorlichting: filmpje van bewegende lichaamsdelen door middel van röntgenstraling.