Duur: een uur (11.00 – 12.00)
6 vragen, 20 punten (11 punten is 5,5), vragen evenredig verdeeld
over artikelen, boek en HC’s
Voorbereiding: lezen, oefenvragen, aantekening HC’s samenvatten,
begrijpen, grote lijnen kennen, concepten/ideeën begrijpen en
kunnen uitleggen, standpunten/argumenten kunnen noemen.
Mag 1 leeg papiertje mee
HC 2 - Introductie & argumentatieleer
Filosofie in de pedagogiek gaat om het uitleggen waarom en hoe. Zoals bij
ethiek of wetenschapsfilosofie.
Er zijn verschillende dimensies van de filosofie belangrijk voor een
pedagoog:
Logica (argumentatieleer) voor debat en kritische discussies
o Oplossen van meningsverschillen
Ethiek: wat is goed en juist handelen
Wijsgerige Antropologie: mens- en maatschappijbeelden. Wat is
goed voor een kind?
Epistemologie & Wetenschapsfilosofie: Wat is kennis? Hoe
ontwikkeld de wetenschap zich?
Een pedagoog kan kritisch reflecteren op het eigen denken en handelen.
Ze gebruiken hun kennis en vaardigheden om ouders/andere opvoeders
te ondersteunen met ontwikkelingsvragen in welke context dan ook.
Ook het bekritiseren van anderen (bijv. beleidsontwikkelingen) en bij het
doen van onderzoek gebruik je filosofie.
Pedagogische prudentie: kritische reflectie en voorzichtigheid bij het
geven van pedagogisch advies.
Normatieve vraag: Heb ik er goed aan gedaan? bijv. wenselijkheid en
uitgangspunten van beleid.
Je hoeft argumentatieschema’s niet uit je hoofd te leren of te maken.
Je moet kijken wat is het standpunt, wat zijn de argumenten hiervoor en
hoe verhouden deze tot elkaar? Bijv. versterken of onderbouwen ze
elkaar?
Volgens de regels van de kritische discussie moet je je standpunt
onderbouwen/verdedigen met argumenten/feiten. Kijk kritisch wat er
logisch mankeert aan de conclusies die getrokken worden.
Dialectische argumentatie: een schriftelijke verwoording van een
mening, zonder dat hij/zij tegengesproken wordt en waarbij de mogelijke
,tegenwerpen ondervangen proberen te worden. Bijv. filosofisch
argumentatie in een artikel.
Je maakt altijd een keuze op basis van het voorlopig beste advies, want de
wetenschap staat niet stil. praktische grens.
Hoofdstuk 10 – Redeneren en argumenteren
Uitgangspunt argumentatietheorie: meningsverschil: iemand heeft een
mening die iemand anders niet heeft.
Geschil: geuit meningsverschil
Proposities: steeds 2 dezelfde meningen/gedacht inhouden
o Tegengestelde proposities: Wanneer beide meningen niet
allebei waar kunnen zijn, maar ook niet allebei tegelijk onwaar
er kan maar 1 goed zijn,
Bijv. het gaat ergens in Utrecht regenen vs. Het zal
nergens in Utrecht regenen er kan maar 1 waar zijn
en 1 onwaar, het zal wel of niet regenen.
o Strijdige proposities: proposities die niet tegelijk waar
kunnen zijn.
o Contraire proposities: Twee proposities niet tegelijk waar
kunnen zijn, maar wel tegelijk onwaar zijn. Meerdere punten
waar je over kan verschillen.
Bijv. de opwarming van de aarde wordt alleen
veroorzaakt door de mens vs. De opwarming wordt
alleen veroorzaakt door de zon. ze kunnen niet allebei
waar zijn, maar er kan nog wel een ander iets zorgen
voor de opwarming van de aarde, waardoor ze beide
onwaar zijn.
Standpunt: een positie die genomen wordt in een geschil kan
zowel positief als negatief zijn
Enkelvoudig geschil: een geschil met maar 1 kwestie (Is dit wel
het geval, of is dit niet het geval bijv. zal hij we slagen voor zijn
tentamen of niet).
o Gemengd enkelvoudig geschil: wanneer meer dan 1
iemand een standpunt inneemt
o Niet-gemengd enkelvoudig geschil: Wanneer 1
gesprekspartner 1 of meerdere standpunten inneemt en de
ander alleen maar reageert met bijv. ‘hoezo?’
Meervoudig geschil: er is meer dan 1 kwestie aan de orde (bijv. ik
ga slagen oor mijn tentamen en ik denk dat ik geld krijg van mijn
moeder). (of iemand die zegt ik ga slagen voor mijn tentamen en
iemand die zegt jij gaat zakken voor je tentamen).
, o Niet-gemengd meervoudig geschil: er is maar 1 iemand
die een standpunt inneemt.
o Gemengd meervoudig geschil: meer dan 1 iemand een
standpunt inneemt
De argumentatietheorie zoekt hoe discussies het best ingericht kunnen
worden ideale doel is tot een oplossing komen (gesprekpartners
komen tot overeenstemming over de (on)houdbaarheid van een
standpunt).
Als dit niet lukt spreken we van ‘beslechten’.
Verschillende soorten twijfel, waardoor er een meningsverschil kan
ontstaan:
Zuivere twijfel
o Zonder alternatief, bijv. ‘ik weet niet zeker of het morgen gaat
regenen’
Twijfel met een tegengesteld standpunt
o Alternatief geopperd dat in strijd is met oorspronkelijke
bewering
o Bijv. "Sommigen zeggen dat klimaatverandering door de mens
wordt veroorzaakt, maar ik denk dat dit volledig een natuurlijk
proces is."
Twijfel met een contrair standpunt
o Alternatief geopperd dat niet direct tegenover het standpunt
staat, maar er wel vanaf wijkt. alternatief perspectief,
zonder te weerspreken.
o Bijv. "De theorie zegt dat bewustzijn voortkomt uit
hersenactiviteit, maar misschien is het eerder een zelfstandig
fenomeen dat los van de hersenen bestaat.”
Soorten discussies:
Gaat niet uit van een geschil:
o Informatieve discussie: Ene heeft kennis van iets, die de
ander probeert te verkrijgen door bijv. vragen te stellen.
Bijv. interview
o Onderzoeksdiscussie: Niemand neemt een standpunt in.
bijv. rechercheurs die een moordzaak proberen op te lossen.
o Beraadslaging: Gesprek over hoe te handelen of de te
volgen koerst bijv. commissievergadering.
Wel een geschil, met oplossing als doel:
o Kritische discussie: De ander proberen over te halen tot de
eigen positie met serieuze overtuigingspogingen kan wel
zorgen voor oplossing.