HC 4
Wijsgierige antropologie dacht na over: wat is een mens? Wat zijn
typische menselijke kenmerken? Waarin onderscheiden wij ons van
dieren/machines?
Iedereen heeft een mens/kind/maatschappijbeeld wat invloed heeft op
waar je naar kijkt.
o Mensbeelden liggen ten grondslag aan wat goed is om te doen als
mens (maar subjectief).
o Je handelen en denken wordt gestuurd door je mensbeeld We
nemen niet alleen besluiten op wat wetenschappelijk effectief is,
maar ook welke interventie wij goed vinden op basis van ons
mensbeeld.
Welke concepten zijn adequaat om het verschil tussen mens en dier te duiden?
Biologische antropoloog: Een mens verschilt principieel van een dier door
wezenskenmerken.
Mens: cultuurwezen: aangewezen op cultuur/omgeving om te kunnen
leven, maar niet gebonden aan omgeving.
o Worden geboren met gebreken en afhankelijk van verzorging.
o Door de gebreken zijn ze niet gebonden aan instincten, maar
openheid en plasticiteit. mensen leren altijd en passen zich
aan.
o Opvoedbaar
o Keuzes maken en vrij zijn.
Dier: natuurwezen: reageert vanuit instincten en kennen maar een
uitsnede van de wereld.
o Trainbaar
o Komt ‘af’ in de wereld
o Automatische reflex op prikkels uit de omgeving.
Fylogenetisch: kijkt naar de ontwikkeling van de mens als soort. mensheid is
een cultuurschepper.
Ontogenetisch: kijkt naar de mens als individu. geen cultuurschepper, want
geboren in bestaande cultuur/samenleving/context.
Kind wordt open en plastisch geboren maakt socialisatie mogelijk.
Cultuur waarin kind geboren wordt sociale positie en sociale rollen.
Sociale rollen theorie: mens neemt in zijn leven verschillende rollen in die
gepaard gaan met verwacht gedrag. gedrag wat niet past bij de rol wordt
afgekeurd.
Als kinderen leren te gedragen in een bepaalde cultuur (d.m.v. roldefinities) hoe
‘open’ is de mens dan eigenlijk?
Essentiele onderscheid mens en dier: beide gevolgd door
cultuur/achtergrond/opvoeding, maar mens en kunnen hierover
nadenken/reflecteren en besluiten dit te veranderen of afstand van te nemen.
Mens: Excentrische positionaliteit: reflexiviteit, naar jezelf kijken, niet
,samenvallen met jezelf, nadenken over je eigen gedrag buiten je eigen
centrum om.
Dier: Centrische positionaliteit: vallen samen met hunzelf, geen bewustzijn en
geest en reageren vanuit hun centrum (instincten).
Zijn het bewustzijn en de vrije wil wel wezenskenmerken?
Bewustzijn:
We gokken dat pantoffeldiertjes of muggen geen bewustzijn/innerlijke
wereld/geest hebben, door het gedrag wat ze vertonen. Hogere
diersoorten (bijv. aap of dolfijn) lijken wel een basale vorm van bewustzijn
te hebben. In spiegel kijken en weten dat het zichzelf ziet i.p.v. een
ander dier.
Maar als dit (basale)bewustzijn bij andere diersoorten voorkomt dan is
bewustzijn geen wezenskenmerk.
o Wezenskenmerk: een typisch kenmerk voor een bepaald wezen.
Bewustzijn is ook niet tastbaar/zichtbaar/toetsbaar je kan het niet
zien/lokaliseren, maar alleen maar ervaren. je weet niet of andere
soorten wel/geen bewustzijn hebben.
2 kampen:
o Vertoonde gedrag: je laat zien dat je bewustzijn hebt door bepaald
gedrag wat je doet.
o Lidmaatschap van de soort (biologisch antropologen): bepaling
van toekenning van een bepaalde eigenschap is op basis van de
soort wezenskenmerk.
We zeggen dat bewustzijn niet geschikt is om het typische menselijkheid
te duiden doordat het niet exclusief menselijk is en niet
tastbaar/zichtbaar/toetsbaar is.
Vrije wil:
Mensen kunnen keuzes maken en zijn niet gebonden aan instincten, ze
kunnen zich onttrekken van de wet van causaliteit (dieren niet).
Maar mensen kunnen zich niet helemaal onttrekken van de natuurwetten
je kan niet kiezen om wel/niet ziek te worden.
Dus het bewustzijn en de geest is vrij, maar het lichaam niet.
De subcultuur, tijd en omgeving waar mensen in leven heeft invloed op de
keuzes, maar niet op een natuurwetmatige manier als bij dieren.
mensen kunnen kritisch nadenken: denken over eigen handelen en
denken, afstand nemen van denken en hierop reflecteren.
Dieren hebben een zekere mate van vrijheid hoe goed je ze ook africht,
ze doen niet altijd precies zoals je wil. Vrije wil/keuzevrijheid van dieren er
anders uit ziet als van mensen, is het niet zo dat dieren zich als een soort
robot puur gedragen op basis van reflexen en instincten.
We zeggen dat vrije wil niet typisch menselijk is, doordat we ‘geestelijke’
vrijheid hebben en geen lichamelijke vrijheid en omdat dieren ook een
soort vrije wil hebben, ook al is die anders dan die van mensen.
Bewustzijn en vrij wil zijn niet typisch menselijk, want dieren zijn vrij en hebben
een bewustzijn, ook al is die minder complext dan van de mens dieren zijn
minder vrij, waardoor je ze niet ter verantwoording kan roepen.
, Je moet afstand kunnen nemen van je gedrag en kritisch erover nadenken om ter
verantwoording geroepen te kunnen worden Zelfbewustzijn & reflectie:
Vrij wil is niet alleen iets willen, maar ook om te willen willen je wil
weekend vieren, maar je wil het niet willen, omdat je andere taken hebt.
o Je zou willen dat je je wil onder controle had: reflexiviteit.
o Wilstoestanden van de tweede orde: nadenken over de
wenselijkheid van je wensen.
Bewustzijn van de mens is niet alleen de bewustzijn van de omgeving,
maar ook bewustzijn van je bewustzijn: zelfbewustzijn.
In de vrije wil en het bewustzijn zit een mate van reflexiviteit die dieren
niet hebben.
o Door dit reflexieve karakter kan je zelfbepalend zijn: interpretatie
komt voort uit ons eigen perspectief, ik bepaal mijn eigen wereld.
Wordt bepaald door
ervaringen/opvoeding/angsten/achtergrond etc.
Zelfbepaling is een wezenskenmerk van de mens (anders dan persoon)
alle mensen zijn zelfbepalend. Dit is het antropologische verschil.
In de filosofie is een persoon anders dan een mens.
Mens: iemand die behoort tot de menselijke soort.
Persoon: wezen met bepaalde kenmerken en die reageert op een morele oproep
(nadenken over gedragingen en hierop aan te spreken).
Langeveld: kinderen worden eerst gesocialiseerd en pas opgevoed als ze in enige
mate in staat zijn tot reflexiviteit.
Strawson: een persoon reageert op iets wat iemand in de omgeving hem vraagt
en is aansprakelijk en verantwoordelijk te houden voor zijn gedrag.
‘Persoon’ is niet een vooraf gegeven kenmerk, maar wat je realiseert in de
omgang/praxis.
Je moet niet altijd het correcte doen bij een morele oproep, zolang je maar
aanspreekbaar bent op je gedrag en je een geldige reden hebt voor je gedrag.
Wezenskenmerk: exclusiviteit van kenmerk voor de soort (op basis van
‘lidmaatschap’)
Relationele eigenschap: blijkt in de omgang/praxis (op basis van
waargenomen gedrag)
Opvoedbaarheid wordt, net als vrije wil en bewustzijn, als relationele eigenschap
gezien en niet als wezenskenmerk het openbaart zich in de menselijke omgang
en is niet letterlijk te zien.
Doordat het niet zichtbaar is en het een relationele eigenschap is, kan je andere
wezens niet uitsluiten.
Zelfbepaling is een kenmerk van een persoon: persoon is iemand die gehoor
geeft aan een morele oproep en demonstreert hiermee zijn opvoedbaarheid
openbaart zich in de relatie tussen personen.
Opvoedbaarheid staat niet van tevoren vast en is dus geen wezenskenmerk.
Bij welke discipline horen kinderen/mensen die hun persoonszijn niet kunnen
realiseren of niet opvoedbaar zijn?
<6 jaar: socialisatie: leren door imitatie of straf. nog niet opvoeden.
Gehandicapten zorg bij andere discipline?
Gevoelige discussie door het uitsluiten van mensen die niet toerekeningsvatbaar
zijn voelt als diskwalificatie en neerzetten als tweede rang burgers.