Inkomen en vermogen
Inkomen
primair inkomen: loon, rente, huur, pacht, winst
Overdrachtsinkomen: sociale uitkeringen en toeslagen
Stroomgrootheid en wordt over bepaalde tijd gemeten
Vermogen = bezit – schulden
Voorraadgrootheid en wordt op een bepaald moment gemeten
Financiele levensloop
Ruil tussen generaties
Opleiding is geld lenen
Werkzame leven = meer sparen dan consumeren
o Kun je sparen voor pensioen
Oude dag - volledig op vermogen
Werkende generaties betaald voor oude dag, ruilen tussen generaties
Ruilen over de tijd
Lage rente is sparen minder aantrekkelijk en lenen aantrekkelijker
Door inflatie daalt de reële waarde van spaargeld en uitgeleend geld
Consumenten, zijn ze optimistisch of pessimistisch
Lage tijdsvoorkeur = zij stellen hun consumptie uit door nu te sparen en later te
consumeren
Hoge tijdsvoorkeur = zij halen hun consumptie naar voren door nu te
consumeren en later rente en aflossing te betalen
Menselijk kapitaal = scholing is investering in jezelf – hierdoor neemt de
verdiencapaciteit toe = het geld dat een persoon in de toekomst kan verdienen
Rente
Leningen:
Consumptief krediet = krediet voor de aanschaf van niet-waardevaste
consumptiegoederen, zoals auto, reizen. = zonder onderpand
Hypotheeklening = lening voor aanschaf van een woning = met
onderpand., interest en aflossing niet kan mag de bank het pand verkopen
Rente is een vergoeding voor
Uitstellen van consumptie, spaarder
Het risico dat spaargeld of uitgeleend geld minder waard wordt
Het risico van wanbetaling (kans dat het niet wordt terugbetaald)
Rentevaste periode = waarin rente niet wordt verandert
Indexcijfer reële rente = indexcijfer nominale rente / consumentenprijsindex CPI
x 100
Spaardeposito = interestpercentage vast, en enkelvoudige interest =
interest wordt berekend over het oorspronkelijk ingelegd bedrag
o Looptijd = vast
o Geld opnemen is niet mogelijk
Spaarrekening = interestpercentage is variabel, samengestelde interest =
interest wordt berekend over het ingelegde bedrag plus de bijgeschreven
interest uit eerdere jaren
, Hst. 1.5 – verzekeren
Schadeverzekering = verzekerd tegen financiële gevolgen van schade.
Levensverzekering = verzekerd tegen het finaniële risico als gevolg van
overlijden
De keuze om wel of niet te verzekeren hangt af van 3 factoren
1. Risicoaversie – mensen zijn vaak risicomijdend, de vraag naar
verzekeren neemt toe
2. Afweging tussen kosten en opbrengsten – wegen de kosten van
verzekeren op tegen de schade
3. Beschikbare middelen – heb je ubehaupt het geld om de maandelijkse
premie te betalen
Premie = wat je iedere maand betaald om verzekerd te zijn = kans op schade x
(schadelast – eigen risico)
Solidariteit = mensen die weinig schade hebben dragen in verhouding meer
bij
Assymetrische informatie= verzerde heeft meer informatie dan verzekeraar
2 problemen – moral hazard en averechtse selectie
Moral hazard = het gedrag van mensen als zij niet direct risico lopen op de
financiële gevolgen van schade omdat zij verzekerd zijn
Voorkomen
1. Eigen risico ; de verzekerde moet ook betalen
2. Bonus-malus; meer schade = minder korting
3. Uitsluiten; bepaalde soorten schade uitsluiten en niet verzekeren
4. Maximumvergoeding ; schade wordt tot een bepaald max betaald
Averechtse selectie = als goede risicos verdwijnen en alleen slechte
overblijven
Voorkomen
1. Premiedifferentiatie; verzekeraar vraagt verschillende premies
2. Risicoselectie; manieren om goede risicos aan te trekken
3. Cellectieve dwang; mensen moeten zich aan de regels houden, bijv door
verplicht iedereen te laten verzekeren
Zorgverzekering
Basisverzekering; verplichte ziektenkostenverzekering = collectieve dwang
Aanvullende verzekering; vrijwillig = bijv fysio of tandarts, verzekeraar mag
mensen weigeren
Eigen risico
Voor; het risico remt de kosten voor gezondheidszorg
Tegen; het eigen risico is een boete op ziek zijn