2013-2014 Vakconcept
,Hoofdstuk 1; situering.
Variabelen in het onderwijs.
Didactisch handelen is het voorbereiden of plannen, het uitvoeren en het
evalueren van onderwijsleerprocessen. Ingevuld door de leraar na
taakanalyse. Didactisch handelen is het geheel van opvattingen over en
aanwijzingen voor het praktisch handelen in de schoolsituatie.
3 onderwijskundige structuren:
- Microstructuur
o Heeft betrekking op de organisatie van de concrete
onderwijleerprocessen in een klas of groep. (speelt zich af in de
gymzaal)
- Mesostructuur
o Omvat de interne organisatie van de school of scholengemeenschap
(vaksectie).
- Macrostructuur
o Beschrijft de organisatie van het schoolwezen in verschillende
onderwijsniveaus. ( Het landelijke Havo niveau, of een
maatschappelijk probleem als obesitas)
Vakdidactiek behandelt de relatie tussen het leren (van de leerlingen) en het
onderwijzen( van de leraar) aan de hand van de wat-, hoe- en waarom- vraag. De
wat-vraag verwijst naar de vakinhoud, de hoe-vraag naar de
onderwijsleersituatie en de werkvorm, en de waarom-vraag behandet de
doelstelingen en legitimering van het vak.
Het onderwijsonderzoek heeft eigen modellen ontworpen, gekenmerkt door het
zoeken naar kernvariabelen die in het onderwijsleerproces een rol spelen.
Omgevingsvariabelen verwijzen naar de betrokken personen, met name de
leraar en de leerlingen, naar de context op het micro-, meso- en macro-systeem
en naar het leerprogramma. De procesvariabelen belichten de concrete
onderwijsleerprocessen of gebeurtenissen. De productvariabelen verwijzen nar
het leerresultaat of rendement. Deze modellen worden niet alleen gebruikt om
bruikbare informatie te krijgen rond de lesgeefcompetenties, maar ook voor de
reflectiebekwaamheid van een leraar.
, Omgevingsvariabelen
Personen |context Programma
Leerlingen-leraar macro Eindtermen
algemene meso leerdoelen
eigenschappen micro werkvormen
competenties leermiddelen
evaluatie
Procesvariabelen
Leerlingen Leraar
extern:leergedrag extern: lesgeefgedrag
actieve leertijd feedback
betrokkenheid instructie
intern: cognities intern: cognities
leerstijl lesgeefstijl
motivatie reflecteren
Productvariabelen
Leerlingen Leraar
leercompetenties- lesgeefcompetenties
eindtermen
Beroepsprofi elen en basiscompetenties.
Het beroepsprofiel van de leraar, is de omschrijving van de kennis,
vaardigheden en attitudes van de leraar tijdens zijn beroepsuitoefening. De
basiscompetenties zijn de omschrijving van kennis, vaardigheden en attitudes
waarover iedere afgestudeerde moet beschikken m op een volwaardige manier
als beginnend leraar te kunnen functioneren. De basiscompetenties geven de
beginnende leraar de mogelijkheid om door te groeien. Voor de ontwikkeling van
de profielen staat een verruimde professionaliteitsopvatting centraal, waarbij een
, leraar kritisch is, reflecteert over zijn beroepsuitoefening en gefundeerde
beslissingen kan nemen.
De taken van de leraar LO:
Het microniveau:
De taken van de leraar op het micro-niveau – dus in de klas met de leerlingen-
zijn dat de leraar ervoor zorgt dat de leerlingen komen tot leren wanneer ze
samen zijn in de zaal. Hiervoor zijn een aantal lesgeefcompetenties en
bekwaamheden nodig bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van de les
de pre- actieve, interactieve en pro-actieve lesgeeftaken. Dit zijn de lesgeeftaken
die het pedagogisch- didactisch referentiekader vormen.
- Planning:
o Heeft betrekking op
het voorbereiden van
activiteiten die lopen
Management
over korte tot lange
periodes. Competent
planningssgedrag
wordt gekenmerkt door
planning instructie
het aanbieden van
nieuwe leerervaringen
die aansluiten op
Leren
vroeger en op het van
bereikte leerlinge
ontwikkelingsstadium. n
Deze staan in functie
van het leren van de reflectie Evaluatie
leerling.
- Uitvoering: Interpersoonli
jke
o Succesvol lesgeven vaardigheden
houdt in dat de
leerlingen de kans
krijgen om te leren in
een positief leerklimaat. Leren en klimaat vereisen verschillende
leercompetenties.
o Management:
Een krachtige leeromgeving scheppen en onderhouden.
(maximaliseren taakgerichtgedrag)
,Hoofdstuk 1; situering.
Variabelen in het onderwijs.
Didactisch handelen is het voorbereiden of plannen, het uitvoeren en het
evalueren van onderwijsleerprocessen. Ingevuld door de leraar na
taakanalyse. Didactisch handelen is het geheel van opvattingen over en
aanwijzingen voor het praktisch handelen in de schoolsituatie.
3 onderwijskundige structuren:
- Microstructuur
o Heeft betrekking op de organisatie van de concrete
onderwijleerprocessen in een klas of groep. (speelt zich af in de
gymzaal)
- Mesostructuur
o Omvat de interne organisatie van de school of scholengemeenschap
(vaksectie).
- Macrostructuur
o Beschrijft de organisatie van het schoolwezen in verschillende
onderwijsniveaus. ( Het landelijke Havo niveau, of een
maatschappelijk probleem als obesitas)
Vakdidactiek behandelt de relatie tussen het leren (van de leerlingen) en het
onderwijzen( van de leraar) aan de hand van de wat-, hoe- en waarom- vraag. De
wat-vraag verwijst naar de vakinhoud, de hoe-vraag naar de
onderwijsleersituatie en de werkvorm, en de waarom-vraag behandet de
doelstelingen en legitimering van het vak.
Het onderwijsonderzoek heeft eigen modellen ontworpen, gekenmerkt door het
zoeken naar kernvariabelen die in het onderwijsleerproces een rol spelen.
Omgevingsvariabelen verwijzen naar de betrokken personen, met name de
leraar en de leerlingen, naar de context op het micro-, meso- en macro-systeem
en naar het leerprogramma. De procesvariabelen belichten de concrete
onderwijsleerprocessen of gebeurtenissen. De productvariabelen verwijzen nar
het leerresultaat of rendement. Deze modellen worden niet alleen gebruikt om
bruikbare informatie te krijgen rond de lesgeefcompetenties, maar ook voor de
reflectiebekwaamheid van een leraar.
, Omgevingsvariabelen
Personen |context Programma
Leerlingen-leraar macro Eindtermen
algemene meso leerdoelen
eigenschappen micro werkvormen
competenties leermiddelen
evaluatie
Procesvariabelen
Leerlingen Leraar
extern:leergedrag extern: lesgeefgedrag
actieve leertijd feedback
betrokkenheid instructie
intern: cognities intern: cognities
leerstijl lesgeefstijl
motivatie reflecteren
Productvariabelen
Leerlingen Leraar
leercompetenties- lesgeefcompetenties
eindtermen
Beroepsprofi elen en basiscompetenties.
Het beroepsprofiel van de leraar, is de omschrijving van de kennis,
vaardigheden en attitudes van de leraar tijdens zijn beroepsuitoefening. De
basiscompetenties zijn de omschrijving van kennis, vaardigheden en attitudes
waarover iedere afgestudeerde moet beschikken m op een volwaardige manier
als beginnend leraar te kunnen functioneren. De basiscompetenties geven de
beginnende leraar de mogelijkheid om door te groeien. Voor de ontwikkeling van
de profielen staat een verruimde professionaliteitsopvatting centraal, waarbij een
, leraar kritisch is, reflecteert over zijn beroepsuitoefening en gefundeerde
beslissingen kan nemen.
De taken van de leraar LO:
Het microniveau:
De taken van de leraar op het micro-niveau – dus in de klas met de leerlingen-
zijn dat de leraar ervoor zorgt dat de leerlingen komen tot leren wanneer ze
samen zijn in de zaal. Hiervoor zijn een aantal lesgeefcompetenties en
bekwaamheden nodig bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van de les
de pre- actieve, interactieve en pro-actieve lesgeeftaken. Dit zijn de lesgeeftaken
die het pedagogisch- didactisch referentiekader vormen.
- Planning:
o Heeft betrekking op
het voorbereiden van
activiteiten die lopen
Management
over korte tot lange
periodes. Competent
planningssgedrag
wordt gekenmerkt door
planning instructie
het aanbieden van
nieuwe leerervaringen
die aansluiten op
Leren
vroeger en op het van
bereikte leerlinge
ontwikkelingsstadium. n
Deze staan in functie
van het leren van de reflectie Evaluatie
leerling.
- Uitvoering: Interpersoonli
jke
o Succesvol lesgeven vaardigheden
houdt in dat de
leerlingen de kans
krijgen om te leren in
een positief leerklimaat. Leren en klimaat vereisen verschillende
leercompetenties.
o Management:
Een krachtige leeromgeving scheppen en onderhouden.
(maximaliseren taakgerichtgedrag)