Samenvatting Gedrag in
organisaties
Hoofdstuk12 Leiderschap
12.1 Persoonlijkheidstheorieën over leiderschap
Leiderschap = het vermogen om een groep te beïnvloeden zodat zij een
visie of doelstelling realiseren (zie uitleg p. 301–302).
In het hoofdstuk wordt onderscheid gemaakt tussen:
Formele leiders: positiegebonden (functie, titel, salaris).
Informele leiders: krijgen invloed door persoonlijkheid, gedrag of
expertise.
12.1.2 Persoonlijkheidstheorieën over leiderschap
Deze theorieën kijken naar persoonlijke eigenschappen van leiders (p.
302–305).
Big Five en leiderschap
Onderzoek toont dat bepaalde Big Five-eigenschappen bijdragen aan
leiderschap:
Extraversie → sterkste voorspeller
Conscientieusheid → belangrijk voor betrouwbaarheid
Openheid → creatief en flexibel denken
Maar: eigenschap voorspelt eerder of iemand leider wordt dan hoe
effectief hij is.
Donkere persoonlijkheidskenmerken (p. 304)
Een matige score op de “dark triad” (narcisme, machiavellisme,
psychopathie) kan helpen om beslissingen te durven nemen en risico te
nemen.
Een te hoge score → disfunctioneel.
Emotionele intelligentie (EI)
Goede leiders herkennen en reguleren emoties (van zichzelf en anderen).
EI draagt bij aan leiderschapseffectiviteit, vooral bij het motiveren van
volgers.
12.2 Gedragstheorieën
Gedragstheorieën kijken naar wat leiders doen, niet wie ze zijn (p. 305).
Twee kernstijlen:
1. Structuur aanbrengen (task-oriented)
Leiders:
definiëren taken
bepalen rollen
stellen doelen
bewaken processen
Hoge structuur → hogere prestaties in duidelijke, routinematige situaties.
, 2. Consideratie (people-oriented)
Leiders:
tonen respect
luisteren
staan open voor ideeën
zorgen voor vertrouwen
Hoge consideratie → hogere tevredenheid en motivatie.
12.3 Contingentietheorieën
Centraal idee: Er is geen beste stijl – effectiviteit hangt af van de
situatie (p. 306).
12.3.1 Fiedler’s Contingentiemodel (p. 307–308)
Stelt dat leiders vaste persoonlijkheidsstijlen hebben:
Taakgericht (low LPC-score)
Relatiegericht (high LPC-score)
Effectiviteit hangt af van drie factoren:
1. Relatie leider–volgers (goed of slecht)
2. Taakstructuur (gestructureerd of ongestructureerd)
3. Positiemacht (sterk of zwak)
Taakgerichte leiders presteren het best in:
zeer gunstige situaties
zeer ongunstige situaties
Relatiegerichte leiders presteren het best in:
gematigde situaties
Fiedler zegt: verander niet de leider, maar de situatie.
organisaties
Hoofdstuk12 Leiderschap
12.1 Persoonlijkheidstheorieën over leiderschap
Leiderschap = het vermogen om een groep te beïnvloeden zodat zij een
visie of doelstelling realiseren (zie uitleg p. 301–302).
In het hoofdstuk wordt onderscheid gemaakt tussen:
Formele leiders: positiegebonden (functie, titel, salaris).
Informele leiders: krijgen invloed door persoonlijkheid, gedrag of
expertise.
12.1.2 Persoonlijkheidstheorieën over leiderschap
Deze theorieën kijken naar persoonlijke eigenschappen van leiders (p.
302–305).
Big Five en leiderschap
Onderzoek toont dat bepaalde Big Five-eigenschappen bijdragen aan
leiderschap:
Extraversie → sterkste voorspeller
Conscientieusheid → belangrijk voor betrouwbaarheid
Openheid → creatief en flexibel denken
Maar: eigenschap voorspelt eerder of iemand leider wordt dan hoe
effectief hij is.
Donkere persoonlijkheidskenmerken (p. 304)
Een matige score op de “dark triad” (narcisme, machiavellisme,
psychopathie) kan helpen om beslissingen te durven nemen en risico te
nemen.
Een te hoge score → disfunctioneel.
Emotionele intelligentie (EI)
Goede leiders herkennen en reguleren emoties (van zichzelf en anderen).
EI draagt bij aan leiderschapseffectiviteit, vooral bij het motiveren van
volgers.
12.2 Gedragstheorieën
Gedragstheorieën kijken naar wat leiders doen, niet wie ze zijn (p. 305).
Twee kernstijlen:
1. Structuur aanbrengen (task-oriented)
Leiders:
definiëren taken
bepalen rollen
stellen doelen
bewaken processen
Hoge structuur → hogere prestaties in duidelijke, routinematige situaties.
, 2. Consideratie (people-oriented)
Leiders:
tonen respect
luisteren
staan open voor ideeën
zorgen voor vertrouwen
Hoge consideratie → hogere tevredenheid en motivatie.
12.3 Contingentietheorieën
Centraal idee: Er is geen beste stijl – effectiviteit hangt af van de
situatie (p. 306).
12.3.1 Fiedler’s Contingentiemodel (p. 307–308)
Stelt dat leiders vaste persoonlijkheidsstijlen hebben:
Taakgericht (low LPC-score)
Relatiegericht (high LPC-score)
Effectiviteit hangt af van drie factoren:
1. Relatie leider–volgers (goed of slecht)
2. Taakstructuur (gestructureerd of ongestructureerd)
3. Positiemacht (sterk of zwak)
Taakgerichte leiders presteren het best in:
zeer gunstige situaties
zeer ongunstige situaties
Relatiegerichte leiders presteren het best in:
gematigde situaties
Fiedler zegt: verander niet de leider, maar de situatie.