Hoofdstuk 1
De Wereld In De Tijd Van De Jagers En Verzamelaars
Hoofdstuk 1.1 -> Leven Van Jagers & Verzamelaars
Rond 10000 v.C kwam er een einde aan de laatste ijstijd.
Rendierkuddes trokken mee met de smeltende ijskappen naar het Noorden.
Jagers en verzamelaars keerden terug naar Nederland en andere delen van
Noord-Europa. In het Zuiden van Europa waren de jagers en verzamelaars de
hele ijstijd aanwezig gebleven.
Jagers en verzamelaars leefden in groepen van ongeveer 10 tot 25 personen.
Ze leefden in tijdelijke kampen.
Als er geen voedsel was in de buurt van de jagers en verzamelaars trokken ze
weer verder om ergens anders een kamp te stichten.
, Mannen hielden zich bezig met de jacht.
Ze gingen bijvoorbeeld vissen vangen of ze gingen jagen op herten, kleine
zoogdieren en vogels.
De vrouwen daarentegen verzamelden knollen, bessen en eetbare
paddenstoelen en ze pasten op de kinderen.
Doordat de mensen in de kampen steeds meer ervaring kregen gaven ze hun
informatie door van generatie op generatie. Doordat ze deze informatie konden
doorgeven wisten ze precies in welke plek, in welk seizoen de meeste voedsel
was te vinden.
Jagers en verzamelaars waren heel handig in het maken van spullen.
Ze konden van vezels van moerasplanten touw, fuiken en manden maken.
Van het botten en het gewei van een edelhert maakten ze priemen, bijlen en
andere werktuigen. En van vuursteen maakten ze messen, pijlpunten en
krabbers.
Met eenvoudige middelen beschilderden ze de wanden van grotten en sneden
ze kleine beeldjes uit bot of ivoor. Die beeldjes beeldde bijvoorbeeld vrouwen
met een enorme buik, borsten en heupen uit. Dat moest mogelijk het
vruchtbaarheidsritueel uitbeelden.