,INHOUDSOPGAVE
HC1 – Inleiding Methodenleer .......................................................................................................................................................2
HC2 – Verbanden tussen variabelen ..............................................................................................................................................4
H3 – Meten van Variabelen ...........................................................................................................................................................7
HC4 – Kwalitatief Onderzoek ....................................................................................................................................................... 10
HC 5 en 6 – Steekproeftrekking ................................................................................................................................................... 12
HC7 en 8 – Surveyonderzoek ....................................................................................................................................................... 15
HC9 en 10 – Experimenten .......................................................................................................................................................... 19
HC11 – Evaluatieonderzoek ......................................................................................................................................................... 23
HC12 – Bestaande data ............................................................................................................................................................... 26
1
,HC1 – INLEIDING METHODENLEER
1. Het wetenschappelijke proces (voorbeeld)
Onderzoeksvraag
Waarom verdienen oudere werknemers (45-55)
meer dan jongere (25-35) werknemers ondanks dat
ze dezelfde kennis en vaardigheden hebben?
Theorie
Human Capital Theory stelt dat mensen economisch
gezien meer waard zijn naarmate ze beschikken over
meer kennis, vaardigheden, en ervaring.
Propositie Meer ervaring leidt tot een hoger salaris.
Conditie Oudere werknemers verdienen meer dan jongere werknemers.
--------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Explanans Oudere werknemers hebben meer werkervaring dan jongere werknemers.
Observatie
Bijvoorbeeld interviews met werknemers en werkgevers.
Empirische generalisatie
- Jongere werknemers werken vaker parttime dan oudere werknemers.
- De kennis en vaardigheden van jongere werknemers worden ondergewaardeerd in de huidige arbeidsmarkt.
- In tegenstelling tot oudere werknemers, laten jongere werknemers hun eigenwaarde niet afhangen van hun carrière, dus streven ze
niet direct naar hogere functies.
2. Hypothesen
Kwalitatief onderzoek legt de nadruk op het inductieve proces: vanuit observatie wordt een theorie opgebouwd.
Kwantitatief onderzoek legt de nadruk op het deductieve proces: vanuit bestaande theorieën/literatuur/logica worden
hypothesen afgeleid en getoetst om verbanden en effecten te onderzoeken. De hypothese is een verwacht/mogelijk antwoord
op de onderzoeksvraag.
Hypothese: een verwachte maar onbevestigde stelling.
▪ Een hypothese wordt d.m.v. het desbetreffende onderzoek aangenomen of weerlegd.
▪ Een hypothese moet dus toetsbaar zijn. Een precieze formulering is daarbij noodzakelijk.
Bouwstenen van een hypothese
Om een goede hypothese te formuleren, hebben we kennis nodig van:
1) variabelen, 2) meetniveaus en 3) de rol van de variabele(n) in een onderzoek.
1) Variabelen
Variabele: een eigenschap die kan variëren tussen eenheden.
▪ Sociaal wetenschappers zijn geïnteresseerd in eigenschappen van eenheden (i.e., individuen, gemeenschappen, etc.)
▪ Eigenschappen van eenheden kunnen variëren, d.w.z. ze kunnen verschillende categorieën of waarden aannemen.
LET OP niet elke eigenschap is een variabele. Of iets een variabele is hangt af van wat je in het onderzoek wil meten/vergelijken.
Voorbeeld een onderzoeker onderzoekt het welzijn van studenten die alleen wonen.
Variabele is welzijn, eenheden zijn studenten die alleen wonen.
Operationalisatie: concepten → variabelen (details in HC3)
2
, ▪ Concepten zijn abstracties die zich bevinden in de ideeënwereld. Ze zijn niet als zodanig te meten.
▪ Variabelen zijn ‘observeerbare’ eigenschappen in de ‘echte’ wereld. Ze zijn meetbaar en te kwantificeren.
2) Meetniveaus
▪ Categorische variabelen: ook wel discrete variabele genoemd, bestaan uit verschillende categorieën.
Bijvoorbeeld relatiestatus, woonsituatie, nationaliteit
▪ Continue variabelen: kunnen allerlei waarden aannemen.
Bijvoorbeeld leeftijd, inkomen, werk- of woontevredenheid (score op een schaal)
Soms is het meetniveau van variabelen discutabel (gender) of niet vanzelfsprekend (inkomen, leeftijd).
→ Belang van duidelijke verslaglegging en formulering!
3) De rol van variabele(n) in een onderzoek
In verklarend onderzoek onderscheiden we onafhankelijke en afhankelijke variabelen.
Bijvoorbeeld ‘Wat is de invloed van de mate van sociale cohesie in de wijk (OV) op stemgedrag (AV) van de inwoners?
Onafhankelijke variabele (OV) Afhankelijke variabele (AV)
Beïnvloedt vermoedelijk de AV De variabele die men wil verklaren, variantie vermoedelijk door de OV(‘s) verklaard
De oorzaak (cause) Het effect
De predictor die voorspelt De uitkomst (outcome) die voorspelt wordt
Vaak aangegeven met X Vaak aangegeven met Y
Relaties
In beschrijvend onderzoek…
▪ … bevatten hypothesen vaak maar één variabele.
▪ … geven hypothesen de verwachte waarde van de desbetreffende variabele aan.
In verklarend onderzoek… (nadruk van de cursus)
▪ … gaan hypothesen over twee of meer variabelen.
▪ … stellen hypothesen iets over de vorm van de relatie tussen de variabelen.
▪ Positieve relatie: twee variabelen bewegen consistent in dezelfde richting (i.e., af- of toename).
▪ Negatieve relatie: twee variabelen bewegen consistent in tegenovergestelde richting.
Verbanden
Afhankelijk van het meetniveau van de verschillende variabelen in de hypothese, kunnen hypothese geschreven worden als:
1. Continu verband: twee continue variabelen.
Stelt dat een toename in een variabele (OV) geassocieerd is met een toename/afname in een andere variabele (AV).
Voorbeeld ‘Hoe hoger het opleidingsniveau, des te zwakker de voordelen t.o.v. etnische minderheden.’
2. Verschil: een categorische variabele (OV) en een continue variabele (AV).
Stelt dat de waarde van de continue variabele (AV) verschilt tussen de categorieën van de categorische variabele (OV).
Voorbeeld ‘Vrouwen besteden gemiddeld meer tijd aan sociale interacties dan mannen.’
3. Voorwaarde: twee categorische variabelen
Stelt dat de categorieën op de OV samenhangen met de categorieën op de AV.
Voorbeeld ‘De woonsituatie van studenten (bij ouders / niet bij ouders) hangt samen met het lid zijn van een studentensportvereniging.’
LET OP Als het meetniveau in de hypothese niet overeenkomt met het meetniveau van een variabele, is toetsen van de
hypothese op (on)waarheid NIET mogelijk!
3
,HC2 – VERBANDEN TUSSEN VARIABELEN
1. Het conceptuele model
Het conceptuele model is een visuele weergave van één of meerdere (verwachte) verbanden tussen variabelen.
Bivariate verbanden, relatief verband Mediërend verband Modererend verband
Vaak, maar niet altijd, bestaande uit een
combinatie van meerdere, gerelateerde
hypotheses.
2. Bivariate verbanden
Een bivariaat verband is een relatie tussen twee variabelen.
X = onafhankelijke variabele (OV)
Y = afhankelijke variabele (AV)
→ = richting van het effect
X1 = onafhankelijke variabele (OV)
X2 = onafhankelijke variabele (OV)
Y = afhankelijke variabele (AV)
→ = richting van het effect
Voorbeeld hypothese bivariaat verband met continue OV
- Hoe hoger het opleidingsniveau (X), hoe groter de kans op re-integratie op de
arbeidsmarkt (Y).
- Hoe groter de stad (X), hoe hoger het gemiddelde stressniveau van de inwoners (Y).
Voorbeeld hypothese bivariaat verband met categorische OV
- Praktisch geschoolde hebben een grotere kans op re-integratie op de
arbeidsmarkt dan theoretisch geschoolden.
3. Twee (of meer) onafhankelijke variabelen
Een meervoud aan verbanden tussen twee (of meer) variabelen, maar dan in één model.
X1 = onafhankelijke variabele (OV)
X2 = onafhankelijke variabele (OV)
Y = afhankelijke variabele (AV)
→ = richting van het effect
4
, Voorbeelden hypotheses
- Hoe hoger het opleidingsniveau (X1), hoe groter de kans op re-integratie op de
arbeidsmarkt (Y).
- Hoe hoger het bedrag van de uitkering (X2), hoe kleiner de kans op de
re-integratie op de arbeidsmarkt (Y).
Mogelijkheid tot aangeven relatief belang (relative importance)
Voorbeelden hypotheses
- Hoe hoger het opleidingsniveau (X1), hoe groter de kans op reïntegratie op de
arbeidsmarkt (Y).
- Hoe hoger het bedrag van de uitkering (X2), hoe kleiner de kans op reïntegratie op de arbeidsmarkt (Y).
- Het effect van opleidingsniveau op de kans op re-integratie op de arbeidsmarkt is sterker dan het effect van het bedrag op de uitkering.
4. Mediatie
Mediatie is het mechanisme waardoor de onafhankelijke variabele (X) de afhankelijke variabele
beïnvloedt (Y).
X3 = onafhankelijke variabele (OV)
X4/M = mediërende variabele
Y = afhankelijke variabele (AV)
→ = richting van het effect
Volledige mediatie (full mediation)
De mediërende variabele verklaart volledig het effect van OV op AV.
Voorbeeld hypothese:
- Hoe hoger de leeftijd, des te kleiner de kans op re-integratie op de arbeidsmarkt.
- Dit verband wordt volledig verklaard door de gezondheid van een individu, want hoe ouder een individu is, des te slechter de gezondheid,
wat leidt tot minder kans op re-integratie op de arbeidsmarkt.
- Onwaarschijnlijk in het geval van sociaalwetenschappelijk onderzoek.
Gedeeltelijke mediatie (partial mediation)
De mediërende variabele verklaart gedeeltelijk het effect van OV op AV.
Voorbeeld hypothese:
- Hoe hoger de leeftijd, des te kleiner de kans op re-integratie op de arbeidsmarkt.
- De verband wordt gedeeltelijk verklaard door de gezondheid van een individu, want hoe ouder een individu is, des te slechter de
gezondheid, wat leidt tot minder kans op re-integratie op de arbeidsmarkt.
- Waarschijnlijk in het geval van sociaalwetenschappelijk onderzoek.
5. Moderatie
Moderatie is de invloed van een derde variabele (de moderator) op de relatie tussen de OV en AV.
M.a.w. de relatie tussen OV en AV is afhankelijk van de waarde van de modererende variabele.
▪ Statistiek: een interactie tussen X4 en X5.
X5 = onafhankelijke variabele (OV)
X4/M = modererende variabele
Y = afhankelijke variabele
→ = richting van het effect
5
HC1 – Inleiding Methodenleer .......................................................................................................................................................2
HC2 – Verbanden tussen variabelen ..............................................................................................................................................4
H3 – Meten van Variabelen ...........................................................................................................................................................7
HC4 – Kwalitatief Onderzoek ....................................................................................................................................................... 10
HC 5 en 6 – Steekproeftrekking ................................................................................................................................................... 12
HC7 en 8 – Surveyonderzoek ....................................................................................................................................................... 15
HC9 en 10 – Experimenten .......................................................................................................................................................... 19
HC11 – Evaluatieonderzoek ......................................................................................................................................................... 23
HC12 – Bestaande data ............................................................................................................................................................... 26
1
,HC1 – INLEIDING METHODENLEER
1. Het wetenschappelijke proces (voorbeeld)
Onderzoeksvraag
Waarom verdienen oudere werknemers (45-55)
meer dan jongere (25-35) werknemers ondanks dat
ze dezelfde kennis en vaardigheden hebben?
Theorie
Human Capital Theory stelt dat mensen economisch
gezien meer waard zijn naarmate ze beschikken over
meer kennis, vaardigheden, en ervaring.
Propositie Meer ervaring leidt tot een hoger salaris.
Conditie Oudere werknemers verdienen meer dan jongere werknemers.
--------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Explanans Oudere werknemers hebben meer werkervaring dan jongere werknemers.
Observatie
Bijvoorbeeld interviews met werknemers en werkgevers.
Empirische generalisatie
- Jongere werknemers werken vaker parttime dan oudere werknemers.
- De kennis en vaardigheden van jongere werknemers worden ondergewaardeerd in de huidige arbeidsmarkt.
- In tegenstelling tot oudere werknemers, laten jongere werknemers hun eigenwaarde niet afhangen van hun carrière, dus streven ze
niet direct naar hogere functies.
2. Hypothesen
Kwalitatief onderzoek legt de nadruk op het inductieve proces: vanuit observatie wordt een theorie opgebouwd.
Kwantitatief onderzoek legt de nadruk op het deductieve proces: vanuit bestaande theorieën/literatuur/logica worden
hypothesen afgeleid en getoetst om verbanden en effecten te onderzoeken. De hypothese is een verwacht/mogelijk antwoord
op de onderzoeksvraag.
Hypothese: een verwachte maar onbevestigde stelling.
▪ Een hypothese wordt d.m.v. het desbetreffende onderzoek aangenomen of weerlegd.
▪ Een hypothese moet dus toetsbaar zijn. Een precieze formulering is daarbij noodzakelijk.
Bouwstenen van een hypothese
Om een goede hypothese te formuleren, hebben we kennis nodig van:
1) variabelen, 2) meetniveaus en 3) de rol van de variabele(n) in een onderzoek.
1) Variabelen
Variabele: een eigenschap die kan variëren tussen eenheden.
▪ Sociaal wetenschappers zijn geïnteresseerd in eigenschappen van eenheden (i.e., individuen, gemeenschappen, etc.)
▪ Eigenschappen van eenheden kunnen variëren, d.w.z. ze kunnen verschillende categorieën of waarden aannemen.
LET OP niet elke eigenschap is een variabele. Of iets een variabele is hangt af van wat je in het onderzoek wil meten/vergelijken.
Voorbeeld een onderzoeker onderzoekt het welzijn van studenten die alleen wonen.
Variabele is welzijn, eenheden zijn studenten die alleen wonen.
Operationalisatie: concepten → variabelen (details in HC3)
2
, ▪ Concepten zijn abstracties die zich bevinden in de ideeënwereld. Ze zijn niet als zodanig te meten.
▪ Variabelen zijn ‘observeerbare’ eigenschappen in de ‘echte’ wereld. Ze zijn meetbaar en te kwantificeren.
2) Meetniveaus
▪ Categorische variabelen: ook wel discrete variabele genoemd, bestaan uit verschillende categorieën.
Bijvoorbeeld relatiestatus, woonsituatie, nationaliteit
▪ Continue variabelen: kunnen allerlei waarden aannemen.
Bijvoorbeeld leeftijd, inkomen, werk- of woontevredenheid (score op een schaal)
Soms is het meetniveau van variabelen discutabel (gender) of niet vanzelfsprekend (inkomen, leeftijd).
→ Belang van duidelijke verslaglegging en formulering!
3) De rol van variabele(n) in een onderzoek
In verklarend onderzoek onderscheiden we onafhankelijke en afhankelijke variabelen.
Bijvoorbeeld ‘Wat is de invloed van de mate van sociale cohesie in de wijk (OV) op stemgedrag (AV) van de inwoners?
Onafhankelijke variabele (OV) Afhankelijke variabele (AV)
Beïnvloedt vermoedelijk de AV De variabele die men wil verklaren, variantie vermoedelijk door de OV(‘s) verklaard
De oorzaak (cause) Het effect
De predictor die voorspelt De uitkomst (outcome) die voorspelt wordt
Vaak aangegeven met X Vaak aangegeven met Y
Relaties
In beschrijvend onderzoek…
▪ … bevatten hypothesen vaak maar één variabele.
▪ … geven hypothesen de verwachte waarde van de desbetreffende variabele aan.
In verklarend onderzoek… (nadruk van de cursus)
▪ … gaan hypothesen over twee of meer variabelen.
▪ … stellen hypothesen iets over de vorm van de relatie tussen de variabelen.
▪ Positieve relatie: twee variabelen bewegen consistent in dezelfde richting (i.e., af- of toename).
▪ Negatieve relatie: twee variabelen bewegen consistent in tegenovergestelde richting.
Verbanden
Afhankelijk van het meetniveau van de verschillende variabelen in de hypothese, kunnen hypothese geschreven worden als:
1. Continu verband: twee continue variabelen.
Stelt dat een toename in een variabele (OV) geassocieerd is met een toename/afname in een andere variabele (AV).
Voorbeeld ‘Hoe hoger het opleidingsniveau, des te zwakker de voordelen t.o.v. etnische minderheden.’
2. Verschil: een categorische variabele (OV) en een continue variabele (AV).
Stelt dat de waarde van de continue variabele (AV) verschilt tussen de categorieën van de categorische variabele (OV).
Voorbeeld ‘Vrouwen besteden gemiddeld meer tijd aan sociale interacties dan mannen.’
3. Voorwaarde: twee categorische variabelen
Stelt dat de categorieën op de OV samenhangen met de categorieën op de AV.
Voorbeeld ‘De woonsituatie van studenten (bij ouders / niet bij ouders) hangt samen met het lid zijn van een studentensportvereniging.’
LET OP Als het meetniveau in de hypothese niet overeenkomt met het meetniveau van een variabele, is toetsen van de
hypothese op (on)waarheid NIET mogelijk!
3
,HC2 – VERBANDEN TUSSEN VARIABELEN
1. Het conceptuele model
Het conceptuele model is een visuele weergave van één of meerdere (verwachte) verbanden tussen variabelen.
Bivariate verbanden, relatief verband Mediërend verband Modererend verband
Vaak, maar niet altijd, bestaande uit een
combinatie van meerdere, gerelateerde
hypotheses.
2. Bivariate verbanden
Een bivariaat verband is een relatie tussen twee variabelen.
X = onafhankelijke variabele (OV)
Y = afhankelijke variabele (AV)
→ = richting van het effect
X1 = onafhankelijke variabele (OV)
X2 = onafhankelijke variabele (OV)
Y = afhankelijke variabele (AV)
→ = richting van het effect
Voorbeeld hypothese bivariaat verband met continue OV
- Hoe hoger het opleidingsniveau (X), hoe groter de kans op re-integratie op de
arbeidsmarkt (Y).
- Hoe groter de stad (X), hoe hoger het gemiddelde stressniveau van de inwoners (Y).
Voorbeeld hypothese bivariaat verband met categorische OV
- Praktisch geschoolde hebben een grotere kans op re-integratie op de
arbeidsmarkt dan theoretisch geschoolden.
3. Twee (of meer) onafhankelijke variabelen
Een meervoud aan verbanden tussen twee (of meer) variabelen, maar dan in één model.
X1 = onafhankelijke variabele (OV)
X2 = onafhankelijke variabele (OV)
Y = afhankelijke variabele (AV)
→ = richting van het effect
4
, Voorbeelden hypotheses
- Hoe hoger het opleidingsniveau (X1), hoe groter de kans op re-integratie op de
arbeidsmarkt (Y).
- Hoe hoger het bedrag van de uitkering (X2), hoe kleiner de kans op de
re-integratie op de arbeidsmarkt (Y).
Mogelijkheid tot aangeven relatief belang (relative importance)
Voorbeelden hypotheses
- Hoe hoger het opleidingsniveau (X1), hoe groter de kans op reïntegratie op de
arbeidsmarkt (Y).
- Hoe hoger het bedrag van de uitkering (X2), hoe kleiner de kans op reïntegratie op de arbeidsmarkt (Y).
- Het effect van opleidingsniveau op de kans op re-integratie op de arbeidsmarkt is sterker dan het effect van het bedrag op de uitkering.
4. Mediatie
Mediatie is het mechanisme waardoor de onafhankelijke variabele (X) de afhankelijke variabele
beïnvloedt (Y).
X3 = onafhankelijke variabele (OV)
X4/M = mediërende variabele
Y = afhankelijke variabele (AV)
→ = richting van het effect
Volledige mediatie (full mediation)
De mediërende variabele verklaart volledig het effect van OV op AV.
Voorbeeld hypothese:
- Hoe hoger de leeftijd, des te kleiner de kans op re-integratie op de arbeidsmarkt.
- Dit verband wordt volledig verklaard door de gezondheid van een individu, want hoe ouder een individu is, des te slechter de gezondheid,
wat leidt tot minder kans op re-integratie op de arbeidsmarkt.
- Onwaarschijnlijk in het geval van sociaalwetenschappelijk onderzoek.
Gedeeltelijke mediatie (partial mediation)
De mediërende variabele verklaart gedeeltelijk het effect van OV op AV.
Voorbeeld hypothese:
- Hoe hoger de leeftijd, des te kleiner de kans op re-integratie op de arbeidsmarkt.
- De verband wordt gedeeltelijk verklaard door de gezondheid van een individu, want hoe ouder een individu is, des te slechter de
gezondheid, wat leidt tot minder kans op re-integratie op de arbeidsmarkt.
- Waarschijnlijk in het geval van sociaalwetenschappelijk onderzoek.
5. Moderatie
Moderatie is de invloed van een derde variabele (de moderator) op de relatie tussen de OV en AV.
M.a.w. de relatie tussen OV en AV is afhankelijk van de waarde van de modererende variabele.
▪ Statistiek: een interactie tussen X4 en X5.
X5 = onafhankelijke variabele (OV)
X4/M = modererende variabele
Y = afhankelijke variabele
→ = richting van het effect
5