Voor: SPSS tentamen en eind tentamen
Succes <3
,Inhoudsopgave
Begrippen ............................................................................................................................................3
Hoorcollege 2: Intro en univariate analyse .............................................................................................5
Hoorcollege 3: Grondslagen Inferentiële statistiek: kansverdelingen .......................................................6
Hoorcollege 4: Van steekproef naar populatie: schatten ....................................................................... 10
Hoorcollege 5: Significantie testen ...................................................................................................... 13
Hoorcollege 6: Twee groepen vergelijken ............................................................................................. 15
HC 7: Twee Groepen Vergelijken (afhankelijke metingen) & Chi-Kwadraat .............................................. 16
HC 8: Correlatie en enkelvoudige regressie .......................................................................................... 20
HC 9: Meervoudige regressie .............................................................................................................. 24
HC 10: Meervoudige Regressie: Dummies & Mediatie ........................................................................... 27
HC 11: Meervoudige Regressie: Moderatie ........................................................................................... 33
HC 13: Assumpties ............................................................................................................................ 37
HC 14: PCA en eenweg ANOVA ........................................................................................................... 38
HC 15: Tweeweg ANOVA ..................................................................................................................... 42
HC 16: ANCOVA ................................................................................................................................. 44
Regressieanalyze ............................................................................................................................... 48
Pearson correlation: ........................................................................................................................... 50
Betrouwbaarheidsinterval voor gemiddelden ....................................................................................... 50
Significantie test voor gemiddelde ...................................................................................................... 51
Significantie test voor proporties ......................................................................................................... 51
Onafhankelijke T toets ........................................................................................................................ 51
Onafhankelijke Z toets ........................................................................................................................ 52
Tips ................................................................................................................................................... 53
2
,Begrippen
• Alternatieve hypothese (H1): de hypothese die we willen aannemen als we H0
verwerpen.
• Beschrijvende statistiek: vat verzamelde informatie samen, zoals het
gemiddelde.
• Betrouwbaarheid: de consistentie of herhaalbaarheid van een meting.
• Betrouwbaarheidsinterval: een bereik van waarden waarbinnen we met een
bepaalde zekerheid (bijv. 95%) verwachten dat de populatieparameter ligt.
• Betrouwbaarheidsniveau: de kans dat het betrouwbaarheidsinterval de
werkelijke populatieparameter bevat.
• Bivariaat: twee variabelen die je analyseert (verschillende cijfers voor OM3 qua
gender)
• Continue variabelen: kan elke waarde aannemen binnen bepaald bereik, bijv.
lengte (170cm maar ook 170,45) (interval en ratio kan continue en discreet zijn)
• Controle groep: wordt niet blootgesteld aan stimulus of interventie
• Discrete variabele: kan alleen specifieke afzonderlijke waarden aannemen, bijv.
aantal kinderen (nominaal en ordinaal)
• Experimentele groep: blootgesteld aan stimulus of interventie
• Inferentiële statistiek: doet voorspellingen over de populatie op basis van data
uit de steekproef.
• Interval: kwantitatieve variabele, numerieke waarden met gelijke afstanden,
zonder absoluut nulpunt bijv. temperatuur (in spss scale)
• Multicollineariteit: wanneer twee of meer onafhankelijke variabelen in een
regressiemodel sterk met elkaar samenhangen, wat kan leiden tot “overlappende
verklaringskracht” van Y
• Multivariaat: drie of meer variabelen die je analyseert (is het cijfer voor OM3
afhankelijk van gender, motivatie vd student en geïnvesteerde studietijd)
• Nominaal: categoriaal, categorieën zonder volgorde, alleen onderscheid niet
ordenen, bijv. religie
• Non-responsebias: fouten die optreden wanneer een deel van de geselecteerde
steekproef niet reageert, waardoor de resultaten scheef kunnen worden.
• Nulhypothese (H0): de hypothese die we proberen te verwerpen. Stelt meestal
dat er geen effect of verschil is.
• Ordinaal: categoriaal, met volgorde, zonder vaste afstanden tussen categorieën,
bijv. 1: nooit, 2: 1 a 2 keer, 3: 3 a 4 keer, 4: iedere dag. Soms behandelen
onderzoekers een ordinale variabele als interval om bijv. alsnog een gemiddelde
te kunnen berekenen. Gebeurt vooral bij ordinale schalen met minstens 7
categorieën.
3
, • Populatieverdeling: steekproevenverdeling maar dan individuele respondenten
• Randomisatie: het willekeurig kiezen van onderzoekseenheden uit een grotere
groep, wat zorgt voor een representatieve steekproef zonder bias.
• Ratio: kwantitatieve variabele, numerieke waarden met gelijke afstanden, met
absoluut nulpunt bijv. lengte (in spss scale)
• Responsebias: fouten die optreden wanneer de antwoorden van deelnemers
worden beïnvloed door factoren die niet de werkelijke opvattingen
weerspiegelen.
• Selectiebias: een systematische fout die optreedt wanneer de wijze van
steekproeftrekking bepaalde groepen over- of ondervertegenwoordigd.
• Standaardafwijking: hoeveel de cases gemiddeld genomen afwijken v/h
gemiddelde
• Standaardfout: de standaardafwijking van de steekproevenverdeling (SE)
• Steekproeffout: fout die we maken bij het voorspellen vd populatie parameter
obv de steekproef (onvermijdelijk. hoe groter de steekproef, hoe kleiner de
steekproeffout)
• Steekproevenverdeling: de verdeling van alle mogelijke steekproefgemiddelden
uit een populatie, groepsgemiddelden dus indiv. respondent is geen datapunt
meer. Alleen maar gemiddelden van groepen (steekproeven)
• T waarde: Laat zien waar het gevonden verschil in de steekproef valt in de
verdeling onder H0
• Univariate: één variabele die je analyseert (wat is het gemiddelde cijfer van OM3)
• Validiteit: de mate waarin een test meet wat het daadwerkelijk zou moeten
meten.
• Waarden (values): de specifieke scoren van een analyse eenheid (vrouw, 38,
volledig eens)
• Z-score: Geeft aan hoeveel standaardafwijkingen een observatie van het
gemiddelde afwijkt.
4