Hoorcollege 1
Wat is sociologie?
Hoe denk je als een socioloog?
- Perspectief is belangrijk.
- C. Wright Mills (1959) Personal troubles vs. social issues.
Bij een probleem kijken we niet alleen naar het individu, maar ook
naar hun plaats binnen de samenleving.’’
- We zoeken niet naar waarom is een persoon, maar we kijken in de
samenleving die het menselijk handelen kunnen verklaren.
Sociologen proberen te begrijpen:
- Hoe het gedrag ontstaat uit contextuele condities.
- Hoe sociale fenomenen ontstaan vanuit het gedrag van individuen.
- Durkheims zelfmoordmodel.
Sociale verschijnselen zijn contingent, maar niet arbitrair.
- Staat niet vast, ook niet willekeurig.
- Is sociaal bepaald.
Menselijk handelen/sociale fenomen worden sociaal bepaald maar,
Hoe is sociale orde mogelijk?
- Rationaliteit? Profijt bij het maken van regels.
- Dwang? Normen moeten naleven.
- Emotie/geloof? Conventies zijn verklarend over waarom mensen
regels naleven.
Overkoepelende thema’s (worden onderzocht)
- Sociale cohesie: solidariteit: afwezigheid conflict.
- Ongelijkheid: verdeling van hulpbronnen.
- Cultuur: Wat is normaal? Verschillen in normen en waarden tussen
groepen.
Founding fathers (Durkheim, Marx, Weber)
- 3 witte Westerse mannen.
- Perspectief vanuit een witte Westerse man beperkend perspectief.
Contingentie houdt ook in:
- Sociologie ontstaan uit koloniale context product van een
koloniserende samenleving (kritisch zijn op de kennis uit deze
context).
- Kennis is contingent afhankelijk van de sociale context.
, We onderzoeken de samenleving, het menselijk handelen en gedrag.
- Invloed op menselijk handelen.
- Ontstaan van sociale fenomenen vanuit het menselijk handelen.
- Sociale cohesie, ongelijkheid en cultuur.
3 typen vragen die sociologen stellen wanneer ze een artikel tegenkomen.
Beschrijvend (wat, wanneer, waar, hoeveel, hoevaak?)
- Klopt het bericht?
- Is dit een nieuw verschijnsel?
- Is het overal in dezelfde mate aanwezig? (ook contextualiserend)
Verklarend (waarom)
- Waarom?
Toepassend (toekomst en interventies)
- Interventies?
Het stellen en beantwoorden van deze vragen zijn de empirische-
analytische en de kritische taak.
Hoorcollege 2
Wat is sociologie?
Hoe denk je als een socioloog?
- Perspectief is belangrijk.
- C. Wright Mills (1959) Personal troubles vs. social issues.
Bij een probleem kijken we niet alleen naar het individu, maar ook
naar hun plaats binnen de samenleving.’’
- We zoeken niet naar waarom is een persoon, maar we kijken in de
samenleving die het menselijk handelen kunnen verklaren.
Sociologen proberen te begrijpen:
- Hoe het gedrag ontstaat uit contextuele condities.
- Hoe sociale fenomenen ontstaan vanuit het gedrag van individuen.
- Durkheims zelfmoordmodel.
Sociale verschijnselen zijn contingent, maar niet arbitrair.
- Staat niet vast, ook niet willekeurig.
- Is sociaal bepaald.
Menselijk handelen/sociale fenomen worden sociaal bepaald maar,
Hoe is sociale orde mogelijk?
- Rationaliteit? Profijt bij het maken van regels.
- Dwang? Normen moeten naleven.
- Emotie/geloof? Conventies zijn verklarend over waarom mensen
regels naleven.
Overkoepelende thema’s (worden onderzocht)
- Sociale cohesie: solidariteit: afwezigheid conflict.
- Ongelijkheid: verdeling van hulpbronnen.
- Cultuur: Wat is normaal? Verschillen in normen en waarden tussen
groepen.
Founding fathers (Durkheim, Marx, Weber)
- 3 witte Westerse mannen.
- Perspectief vanuit een witte Westerse man beperkend perspectief.
Contingentie houdt ook in:
- Sociologie ontstaan uit koloniale context product van een
koloniserende samenleving (kritisch zijn op de kennis uit deze
context).
- Kennis is contingent afhankelijk van de sociale context.
, We onderzoeken de samenleving, het menselijk handelen en gedrag.
- Invloed op menselijk handelen.
- Ontstaan van sociale fenomenen vanuit het menselijk handelen.
- Sociale cohesie, ongelijkheid en cultuur.
3 typen vragen die sociologen stellen wanneer ze een artikel tegenkomen.
Beschrijvend (wat, wanneer, waar, hoeveel, hoevaak?)
- Klopt het bericht?
- Is dit een nieuw verschijnsel?
- Is het overal in dezelfde mate aanwezig? (ook contextualiserend)
Verklarend (waarom)
- Waarom?
Toepassend (toekomst en interventies)
- Interventies?
Het stellen en beantwoorden van deze vragen zijn de empirische-
analytische en de kritische taak.
Hoorcollege 2