H13
Vernieuwde visie WMO: eigen kracht, zelf- en samenredzaamheid, actief burgerschap. De door de
overheid gewenste participatiesamenleving zorgt voor het verdwijnen van traditionele
ontmoetingsplekken enerzijds tot ruimte voor nieuwe initiatieven anderzijds.
Even terug:
19e eeuw: veel van de hedendaagse instituties opgericht. Zuidoost Drenthe – opbouwwerk als reactie
op economische neergang veengebieden > breidt uit > initiatiefnemers: buurthuizen,
maatschappelijke, culturele en hygiënische voorzieningen door vrijwilligers.
Na 2e wereldoorlog: aantal sociaal voorzieningen groeit in tijd van wederopbouw. Overheid stelt
subsidies beschikbaar en toont faciliterende rol > sterke stijging aantal beroepskrachten in
welzijnssector. Dit leidt tot: 1. Professionaliseringsslag 2. Grotere mate van afhankelijkheid.
Loop jaren 60: overheid meer sturende rol>verzorgingsstaat nadert voltooiing door economische
vooruitgang. ’70: vanuit opbouwwerk > buurtwerk. Werkterrein buurtwerkers: buurthuizen,
gemeenschapshuizen vanuit particulier initiatief. Functies buurtwerkers: ontmoeting,
peuterspeelzaalwerk, alfabetiseringscursus, inburgeringscursussen.
Kritiek op Professionals neemt toe; Hans Achterhuis; de markt van welzijn en geluk: sociale
professionals maken burgers afhankelijk.
’80 Economische recessie > bezuinigingen welzijnswerk.
1987 Welzijnswet: gros van de buurthuizen komt in handen van welzijnsorganisaties.
’90 Economie klimt uit dal; duidelijk wordt dat investeringen in wijken alleen zinvol zijn als
economische, sociale en fysieke doelstellingen gecombineerd worden >> Grotestedenbeleid (1994-
2004) > Gerichte wijkaanpak.
2010: budget op, gemeenten bezuinigen op welzijnswerk en maatschappelijk vastgoed > honderden
buurthuizen sluiten vanwege efficiencyredenen en onder mom van: we willen in activiteiten
investeren niet in stenen. Gemeenten gaan over op ‘accomodatieloos welzijnswerk’.
1 januari 2015: Invoering nieuwe Wmo, Jeugdwet en Participatiewet: taken worden
gedecentraliseerd van overheid naar gemeente > lokale overheden hebben beter zicht op dat wat
nodig is voor hun bewoners.
3 maatschappelijke doelen hernieuwde Wmo:
Stimuleren van zelfredzaamheid
Bevorderen van participatie
Vergroten van sociale samenhang
Gevolg: verhoudingen tussen bewoners, professionals en overheid veranderen. Bewoners eerste
verantwoordelijk, zelfregie. Professionals gaan uit van eigen kracht bewoners. Sociaal werkers
moeten ‘gaan zorgen dat’ i.p.v. gaan zorgen voor – landelijke programma Welzijn Nieuwe Stijl.
Nieuwe Wmo > Nieuwe aandacht wijkgericht werken; gewijzigde inhoudelijke doelstelling.
Wijkgericht werken voorheen: fysieke aanpak, nadruk op overbrugging kloof tussen overheid en
burgers.
Wijkgericht werken nu: zelfredzaamheid, sociale cohesie, eigen verantwoordelijkheid. Gemeenten
richten integrale sociale wijkteams op – werken vanuit kleinschalige locatie in wijk i.p.v. stad
Vernieuwde visie WMO: eigen kracht, zelf- en samenredzaamheid, actief burgerschap. De door de
overheid gewenste participatiesamenleving zorgt voor het verdwijnen van traditionele
ontmoetingsplekken enerzijds tot ruimte voor nieuwe initiatieven anderzijds.
Even terug:
19e eeuw: veel van de hedendaagse instituties opgericht. Zuidoost Drenthe – opbouwwerk als reactie
op economische neergang veengebieden > breidt uit > initiatiefnemers: buurthuizen,
maatschappelijke, culturele en hygiënische voorzieningen door vrijwilligers.
Na 2e wereldoorlog: aantal sociaal voorzieningen groeit in tijd van wederopbouw. Overheid stelt
subsidies beschikbaar en toont faciliterende rol > sterke stijging aantal beroepskrachten in
welzijnssector. Dit leidt tot: 1. Professionaliseringsslag 2. Grotere mate van afhankelijkheid.
Loop jaren 60: overheid meer sturende rol>verzorgingsstaat nadert voltooiing door economische
vooruitgang. ’70: vanuit opbouwwerk > buurtwerk. Werkterrein buurtwerkers: buurthuizen,
gemeenschapshuizen vanuit particulier initiatief. Functies buurtwerkers: ontmoeting,
peuterspeelzaalwerk, alfabetiseringscursus, inburgeringscursussen.
Kritiek op Professionals neemt toe; Hans Achterhuis; de markt van welzijn en geluk: sociale
professionals maken burgers afhankelijk.
’80 Economische recessie > bezuinigingen welzijnswerk.
1987 Welzijnswet: gros van de buurthuizen komt in handen van welzijnsorganisaties.
’90 Economie klimt uit dal; duidelijk wordt dat investeringen in wijken alleen zinvol zijn als
economische, sociale en fysieke doelstellingen gecombineerd worden >> Grotestedenbeleid (1994-
2004) > Gerichte wijkaanpak.
2010: budget op, gemeenten bezuinigen op welzijnswerk en maatschappelijk vastgoed > honderden
buurthuizen sluiten vanwege efficiencyredenen en onder mom van: we willen in activiteiten
investeren niet in stenen. Gemeenten gaan over op ‘accomodatieloos welzijnswerk’.
1 januari 2015: Invoering nieuwe Wmo, Jeugdwet en Participatiewet: taken worden
gedecentraliseerd van overheid naar gemeente > lokale overheden hebben beter zicht op dat wat
nodig is voor hun bewoners.
3 maatschappelijke doelen hernieuwde Wmo:
Stimuleren van zelfredzaamheid
Bevorderen van participatie
Vergroten van sociale samenhang
Gevolg: verhoudingen tussen bewoners, professionals en overheid veranderen. Bewoners eerste
verantwoordelijk, zelfregie. Professionals gaan uit van eigen kracht bewoners. Sociaal werkers
moeten ‘gaan zorgen dat’ i.p.v. gaan zorgen voor – landelijke programma Welzijn Nieuwe Stijl.
Nieuwe Wmo > Nieuwe aandacht wijkgericht werken; gewijzigde inhoudelijke doelstelling.
Wijkgericht werken voorheen: fysieke aanpak, nadruk op overbrugging kloof tussen overheid en
burgers.
Wijkgericht werken nu: zelfredzaamheid, sociale cohesie, eigen verantwoordelijkheid. Gemeenten
richten integrale sociale wijkteams op – werken vanuit kleinschalige locatie in wijk i.p.v. stad