Week 1
H1 en 4 Morele ontwikkeling en jeugddelinquentie
Uitgangspunt: de meeste mensen deugen omdat ze ervoor kiezen moreel juist te handelen, maar
hebben innerlijk ook egocentrische, amorele gedachten of fantasieën en zouden daarvoor kunnen
kiezen. Deze keuze wordt beïnvloed door 3 psychische fenomenen:
1. Het vermogen empathisch te zijn.
2. Het omgaan met de emoties die die keuzes oproepen.
3. Moraliteit, menselijk denken, voelen en handelen die betrekking hebben op het onderscheid
tussen goed en kwaad.
● Het impliciet zelf = het gevoel dat jij dit kunt, dat je iemand bent die richting kan geven. Dit
is de ontwikkeling van het zelfgevoel.
● Theory of Mind = het beseffen dat anderen ieder een eigen binnenwereld hebben. Zichzelf en
anderen begrijpen in termen van intentionele psychische gemoedstoestanden, zoals gevoelens,
verlangens, wensen, etc. Dit is een cognitief-theoretische blik. Mentaliseren overlapt hiermee,
maar is breder.
● Subjectief zelf = ontwikkelen van een bewust zelfgevoel, het gevoel dat je iemand bent en dat
anderen dat ook zien. Hiermee ontstaan zelfbewuste gevoelens bij wie je dan bent.
● Een jongere vertoont op basis van gewetensontwikkeling prosociaal gedrag, gedrag dat tot
doel heeft om de sociale omgang soepel te doen verlopen.
Geweten
● Cirkelredenering in onderzoeken: de gebrekkige gewetensfuncties werden uit het ten laste
gelegde afgeleid en dienden vervolgens als verklaring. Er was geen aandacht voor de
eventuele gezonde aspecten van de jongere of voor de situationele bepaaldheid van het
geweten, en de relatie tussen gewetensontwikkeling en persoonlijkheid werd niet beschreven.
De kwaliteit van het onderzoek was zeer mager.
● Nieuwe definitie van het geweten op basis van een literatuurstudie (Schalkwijk, 2011): het
geweten is een psychische functie die controleert of de zelfwaardering nog in evenwicht is.
Gaat dus over de vraag of in een specifieke situatie de zelfwaardering in gevaar is. Wordt pas
actief als we iets doen, denken of fantaseren wat de zelfwaardering merkbaar verandert. Een
actief geweten wordt gekenmerkt door zelfbewuste emoties: schuld, schaamte en trots.
● Soepel geweten = je bent meestal wel tevreden met hoe je in het leven staat, je vindt jezelf
goed genoeg.
Empathie
● Empathie als smeerolie van sociale interacties = door weet te hebben van elkaars behoeften en
verlangens en daar rekening mee te houden.
● Empathie helpt op basis van het verloop van emotionele interacties je eigen emotionele
wereld begrijpelijker te maken.
● Problematisch of delinquent gedrag valt niet vanzelfsprekend samen met hoe de jongere zich
innerlijk moreel voelt, noch met wat hij op vragenlijsten antwoordt. Een jongere kan zijn
morele afwegingen baseren op het vermijden van straf en op het denken aan het slachtoffer,
wat in zijn dagelijks leven tot uiting kan komen in het vertonen van zowel prosociaal als
antisociaal gedrag.
● Delinquente jongeren hebben een laaggemiddeld niveau van moreel oordelen, vooral jeugdige
delinquenten met psychopathische kenmerken of jeugdige delinquenten die verplicht gesloten
werden behandeld.
Andere theorieën over geweten
● Morele ontwikkeling in plaats van geweten.
, ○ Morele cognities = denkende aspect van moraliteit. Wordt gevormd door het hebben
van morele oordelen en door cognitieve empathie.
○ Morele emoties = het voelende aspect van moraliteit. Wordt vertegenwoordigd door
gevoelsmatige empathie en de twee zelfbewuste emoties schuld en schaamte.
● Moreel zelf: wie dat heeft ontwikkeld, stelt morele opvattingen, zoals waarden, normen,
idealen of doelen centraal om zichzelf te kunnen begrijpen en voelt de verantwoordelijkheid
om in overeenstemming daarmee te handelen. Sluit goed aan bij de functie van het geweten
voor de zelfwaardering. De morele identiteit wordt gevormd door wie iemand is of wil zijn
(waarden, overtuigingen en idealen) en door hoe iemand handelt, zoals zichtbaar in
karakteristieke manieren van denken, voelen en reguleren van gedrag.
○ Zijnsaspect van de morele zelf = cognitief en sociaal van aard. Het doe-aspect = een
zelfregulerend mechanisme dat motiveert tot morele activiteit.
● Er wordt nadruk gelegd op de gedachte dat perceptie en inschatting van sociale situaties wel
eens bepalend kunnen zijn voor probleemgedrag (en niet de al vroege vastgelegde
ontwikkeling van het geweten). 3 manieren voor jongeren om situaties waar te nemen:
1. Verontwaardiging. Reactieve agressie, geneigd om gedrag van anderen te
interpreteren als vijandig. Hele sterke normen omtrent eerlijkheid, gelijkheid en
rechtvaardigheid.
2. Blinde woede. Lage frustratietolerantie, controleverlies.
3. Machtsorientatie. Alleen gericht op eigen winst. Weinig gevoel gezamenlijk spelen,
maar de sterkste dienen te winnen.
Onderzoek naar geweten
● Eenouder- of gescheiden gezinnen hebben een grotere kans op delinquent gedrag. Deze
concrete omstandigheden kunnen leiden tot de ervaring zelf weinig sturing te kunnen geven
aan het leven, dus tot een weinig stevig impliciet zelf.
● Het empathisch vermogen van delinquente jongeren is op 2 facetten minder ontwikkeld: ze
identificeren zich minder met de ander en ze voelen minder lichamelijke onrust als de ander
zich in een vervelende positie of gevoelstoestand bevindt. Ze zijn weinig geneigd schaamte en
schuld te voelen. Vaak externaliserend gedrag.
Model van Kohlberg
● Kritiek: hij neemt geen sociale en emotionele processen mee.
● Preconventionele fase: het kind is nog niet gericht op afspraken over wat hoort en redeneert
alsof er geen algemeen geldende normen bestaan.
○ Stadium 1: het kind wordt vooral geleid door het afwegen van straf en of de ouders
aanwezig zijn.
○ Stadium 2: het kind weegt vooral of iets in zijn eigen belang is.
● Conventionele fase: wordt bereikt in stadium 4. Conventies vormen vanaf nu de richtsnoer
voor het morele handelen.
○ Stadium 3: het kind is gericht op het goed houden van de relatie met de ander en wil
geen morele regels overtreden die de relatie zouden kunnen beschadigen.
○ Stadium 4: de jongere oriënteert zich op de sociale systemen en hun wet- en
regelgeving.
● Postconventionele fase.
○ Stadium 5: de volwassene gaat handelen op basis van hoe hij vindt dat de
maatschappij zou moeten functioneren.
○ Stadium 6: de volwassene wil leven naar universele ethische principes.
● De piek van jeugddelinquentie ligt op een leeftijd waarbij 21% van de jongeren nog in
stadium 2 zit, waar het eigenbelang voorop staat.
Psychodynamische visie - Robbert Abraham
● Hij neemt wel de empathie, het mentaliserend vermogen en de relatie tot de ander mee.
● Preconventionele ontwikkelingsniveau.
, ○ De jongere handelt met als enig doel directe behoeftebevrediging. Hij denkt vooraf
niet na over zijn gedrag, want zijn normbesef is prereflectief. Op dit niveau ontbreekt
het mentaliseren en is er geen sprake van empathie. Kenmerkend is de afwezigheid
van het perspectief dat er een ander is of dat het eigen gevoel aan de ander wordt
toegeschreven.
○ Iets rijper is het preconventionele niveau met gerichtheid op straf en gehoorzaamheid,
met als kenmerk dat het oordeel intuïtief, extreem, absoluut en onbespreekbaar is.
Situaties of personen worden op extreme wijze beoordeeld. Gaat vaak samen met
idealisatie of devaluatie.
○ Op het preconventionele niveau met gerichtheid op eigen gewin houdt de jongere
bewust geen rekening met de gerechtvaardigde belangen van anderen, vooral niet als
die de bevrediging van eigen behoeften in de weg staan. Op dit niveau kan de jongere
empathische vermogens hebben, maar een empathische reactie is ondergeschikt aan
de eigen behoeftebevrediging.
● Conventioneel ontwikkelingsniveau.
○ Conventionele normen met wederzijds respect als basis. De mening van anderen,
autoriteiten, het publiek of de samenleving geeft de doorslag bij het evalueren van het
eigen gedrag. Het wordt dus niet bepaald door de gevolgen daarvan, maar door de
beoordeling van anderen.
○ Op het conventionele niveau van bovenmatige, verinnerlijkte normen gebruikt de
jongere algemene, bovenmatig strenge of rigide regels voor de beoordeling van zijn
gedrag, die eigenlijk niet bij hem of de situatie passen. Dergelijke regels belemmeren
vaak de bevrediging van eigen behoeften.
○ Er is sprake van bovenmatig verinnerlijkte idealen op conventioneel niveau als de
jongere bij de beoordeling van zijn gedrag algemene normen gebruikt die bovenmatig
zijn en als hij die zelf als juist ziet. Hij moet niet alleen zo handelen, hij wil het ook.
● Postconventioneel ontwikkelingsniveau.
○ Op het postconventionele niveau van de authentieke normen/individueel wil de
jongere iets positiefs bijdragen. Als evaluatiecriterium van zijn zelfwaardering
hanteert hij eigen opvattingen met betrekking tot doelen en middelen en houdt hij
daarbij rekening met zowel zijn eigen als andermans belangen. Er is ook sprake van
schaamte en zelfverwijt.
○ Op het postconventionele niveau van de authentieke normen/rationeel wil de jongere
ook iets positiefs bijdragen. Hij maakt keuzes op basis van de relaties met anderen.
Het ongedaan maken of compenseren van de gevolgen van slecht gedrag dient op dit
niveau vooral het belang van de ander.
○ Op het postconventionele niveau van de authentieke normen/sociaal wil de jongere
eveneens iets positiefs bijdragen, waarbij hij een principieel geweten als basis en zijn
eigen levensplan als criteria gebruikt. Het verschil met het existentiële beeld is dat dit
betrekking heeft op de persoon en het sociale beeld op het gedrag.
○ Op het postconventionele niveau van de authentieke normen/existentieel gebruikt de
jongere bij het vormen van waardeoordelen een algemene levensfilosofie als
criterium. Kenmerkend zijn de daden van de jongere en de mate waarin hij
metterdaad naar zijn levensovertuiging handelt.
● Haidt pleit ervoor te durven accepteren dat we vaak eerst emotioneel en intuïtief reageren en
pas achteraf de redeneringen bij onze gedragingen of gedachten maken. Eisen dat we
rechtschapen naar waarden en normen handelen, kunnen we beter vervangen door moraliteit
in de zin van anderen niet schaden en eerlijk zijn. Hij waarschuwt voor het risico dat morele
waarden zogenaamd worden gebruikt om mensen te verbinden, maar dat dit uiteindelijk tot
sociale dominantie leidt. Hij heeft een Morele Fundamenten Theorie opgesteld, waarin de
definitie van morele systemen als volgt luidt: morele systemen zijn in elkaar grijpende sets
van waarden, deugden, normen, praktijken, identiteiten, instellingen, technologieën en
ontwikkelde psychologische mechanismen die samenwerken om het eigen belang te
H1 en 4 Morele ontwikkeling en jeugddelinquentie
Uitgangspunt: de meeste mensen deugen omdat ze ervoor kiezen moreel juist te handelen, maar
hebben innerlijk ook egocentrische, amorele gedachten of fantasieën en zouden daarvoor kunnen
kiezen. Deze keuze wordt beïnvloed door 3 psychische fenomenen:
1. Het vermogen empathisch te zijn.
2. Het omgaan met de emoties die die keuzes oproepen.
3. Moraliteit, menselijk denken, voelen en handelen die betrekking hebben op het onderscheid
tussen goed en kwaad.
● Het impliciet zelf = het gevoel dat jij dit kunt, dat je iemand bent die richting kan geven. Dit
is de ontwikkeling van het zelfgevoel.
● Theory of Mind = het beseffen dat anderen ieder een eigen binnenwereld hebben. Zichzelf en
anderen begrijpen in termen van intentionele psychische gemoedstoestanden, zoals gevoelens,
verlangens, wensen, etc. Dit is een cognitief-theoretische blik. Mentaliseren overlapt hiermee,
maar is breder.
● Subjectief zelf = ontwikkelen van een bewust zelfgevoel, het gevoel dat je iemand bent en dat
anderen dat ook zien. Hiermee ontstaan zelfbewuste gevoelens bij wie je dan bent.
● Een jongere vertoont op basis van gewetensontwikkeling prosociaal gedrag, gedrag dat tot
doel heeft om de sociale omgang soepel te doen verlopen.
Geweten
● Cirkelredenering in onderzoeken: de gebrekkige gewetensfuncties werden uit het ten laste
gelegde afgeleid en dienden vervolgens als verklaring. Er was geen aandacht voor de
eventuele gezonde aspecten van de jongere of voor de situationele bepaaldheid van het
geweten, en de relatie tussen gewetensontwikkeling en persoonlijkheid werd niet beschreven.
De kwaliteit van het onderzoek was zeer mager.
● Nieuwe definitie van het geweten op basis van een literatuurstudie (Schalkwijk, 2011): het
geweten is een psychische functie die controleert of de zelfwaardering nog in evenwicht is.
Gaat dus over de vraag of in een specifieke situatie de zelfwaardering in gevaar is. Wordt pas
actief als we iets doen, denken of fantaseren wat de zelfwaardering merkbaar verandert. Een
actief geweten wordt gekenmerkt door zelfbewuste emoties: schuld, schaamte en trots.
● Soepel geweten = je bent meestal wel tevreden met hoe je in het leven staat, je vindt jezelf
goed genoeg.
Empathie
● Empathie als smeerolie van sociale interacties = door weet te hebben van elkaars behoeften en
verlangens en daar rekening mee te houden.
● Empathie helpt op basis van het verloop van emotionele interacties je eigen emotionele
wereld begrijpelijker te maken.
● Problematisch of delinquent gedrag valt niet vanzelfsprekend samen met hoe de jongere zich
innerlijk moreel voelt, noch met wat hij op vragenlijsten antwoordt. Een jongere kan zijn
morele afwegingen baseren op het vermijden van straf en op het denken aan het slachtoffer,
wat in zijn dagelijks leven tot uiting kan komen in het vertonen van zowel prosociaal als
antisociaal gedrag.
● Delinquente jongeren hebben een laaggemiddeld niveau van moreel oordelen, vooral jeugdige
delinquenten met psychopathische kenmerken of jeugdige delinquenten die verplicht gesloten
werden behandeld.
Andere theorieën over geweten
● Morele ontwikkeling in plaats van geweten.
, ○ Morele cognities = denkende aspect van moraliteit. Wordt gevormd door het hebben
van morele oordelen en door cognitieve empathie.
○ Morele emoties = het voelende aspect van moraliteit. Wordt vertegenwoordigd door
gevoelsmatige empathie en de twee zelfbewuste emoties schuld en schaamte.
● Moreel zelf: wie dat heeft ontwikkeld, stelt morele opvattingen, zoals waarden, normen,
idealen of doelen centraal om zichzelf te kunnen begrijpen en voelt de verantwoordelijkheid
om in overeenstemming daarmee te handelen. Sluit goed aan bij de functie van het geweten
voor de zelfwaardering. De morele identiteit wordt gevormd door wie iemand is of wil zijn
(waarden, overtuigingen en idealen) en door hoe iemand handelt, zoals zichtbaar in
karakteristieke manieren van denken, voelen en reguleren van gedrag.
○ Zijnsaspect van de morele zelf = cognitief en sociaal van aard. Het doe-aspect = een
zelfregulerend mechanisme dat motiveert tot morele activiteit.
● Er wordt nadruk gelegd op de gedachte dat perceptie en inschatting van sociale situaties wel
eens bepalend kunnen zijn voor probleemgedrag (en niet de al vroege vastgelegde
ontwikkeling van het geweten). 3 manieren voor jongeren om situaties waar te nemen:
1. Verontwaardiging. Reactieve agressie, geneigd om gedrag van anderen te
interpreteren als vijandig. Hele sterke normen omtrent eerlijkheid, gelijkheid en
rechtvaardigheid.
2. Blinde woede. Lage frustratietolerantie, controleverlies.
3. Machtsorientatie. Alleen gericht op eigen winst. Weinig gevoel gezamenlijk spelen,
maar de sterkste dienen te winnen.
Onderzoek naar geweten
● Eenouder- of gescheiden gezinnen hebben een grotere kans op delinquent gedrag. Deze
concrete omstandigheden kunnen leiden tot de ervaring zelf weinig sturing te kunnen geven
aan het leven, dus tot een weinig stevig impliciet zelf.
● Het empathisch vermogen van delinquente jongeren is op 2 facetten minder ontwikkeld: ze
identificeren zich minder met de ander en ze voelen minder lichamelijke onrust als de ander
zich in een vervelende positie of gevoelstoestand bevindt. Ze zijn weinig geneigd schaamte en
schuld te voelen. Vaak externaliserend gedrag.
Model van Kohlberg
● Kritiek: hij neemt geen sociale en emotionele processen mee.
● Preconventionele fase: het kind is nog niet gericht op afspraken over wat hoort en redeneert
alsof er geen algemeen geldende normen bestaan.
○ Stadium 1: het kind wordt vooral geleid door het afwegen van straf en of de ouders
aanwezig zijn.
○ Stadium 2: het kind weegt vooral of iets in zijn eigen belang is.
● Conventionele fase: wordt bereikt in stadium 4. Conventies vormen vanaf nu de richtsnoer
voor het morele handelen.
○ Stadium 3: het kind is gericht op het goed houden van de relatie met de ander en wil
geen morele regels overtreden die de relatie zouden kunnen beschadigen.
○ Stadium 4: de jongere oriënteert zich op de sociale systemen en hun wet- en
regelgeving.
● Postconventionele fase.
○ Stadium 5: de volwassene gaat handelen op basis van hoe hij vindt dat de
maatschappij zou moeten functioneren.
○ Stadium 6: de volwassene wil leven naar universele ethische principes.
● De piek van jeugddelinquentie ligt op een leeftijd waarbij 21% van de jongeren nog in
stadium 2 zit, waar het eigenbelang voorop staat.
Psychodynamische visie - Robbert Abraham
● Hij neemt wel de empathie, het mentaliserend vermogen en de relatie tot de ander mee.
● Preconventionele ontwikkelingsniveau.
, ○ De jongere handelt met als enig doel directe behoeftebevrediging. Hij denkt vooraf
niet na over zijn gedrag, want zijn normbesef is prereflectief. Op dit niveau ontbreekt
het mentaliseren en is er geen sprake van empathie. Kenmerkend is de afwezigheid
van het perspectief dat er een ander is of dat het eigen gevoel aan de ander wordt
toegeschreven.
○ Iets rijper is het preconventionele niveau met gerichtheid op straf en gehoorzaamheid,
met als kenmerk dat het oordeel intuïtief, extreem, absoluut en onbespreekbaar is.
Situaties of personen worden op extreme wijze beoordeeld. Gaat vaak samen met
idealisatie of devaluatie.
○ Op het preconventionele niveau met gerichtheid op eigen gewin houdt de jongere
bewust geen rekening met de gerechtvaardigde belangen van anderen, vooral niet als
die de bevrediging van eigen behoeften in de weg staan. Op dit niveau kan de jongere
empathische vermogens hebben, maar een empathische reactie is ondergeschikt aan
de eigen behoeftebevrediging.
● Conventioneel ontwikkelingsniveau.
○ Conventionele normen met wederzijds respect als basis. De mening van anderen,
autoriteiten, het publiek of de samenleving geeft de doorslag bij het evalueren van het
eigen gedrag. Het wordt dus niet bepaald door de gevolgen daarvan, maar door de
beoordeling van anderen.
○ Op het conventionele niveau van bovenmatige, verinnerlijkte normen gebruikt de
jongere algemene, bovenmatig strenge of rigide regels voor de beoordeling van zijn
gedrag, die eigenlijk niet bij hem of de situatie passen. Dergelijke regels belemmeren
vaak de bevrediging van eigen behoeften.
○ Er is sprake van bovenmatig verinnerlijkte idealen op conventioneel niveau als de
jongere bij de beoordeling van zijn gedrag algemene normen gebruikt die bovenmatig
zijn en als hij die zelf als juist ziet. Hij moet niet alleen zo handelen, hij wil het ook.
● Postconventioneel ontwikkelingsniveau.
○ Op het postconventionele niveau van de authentieke normen/individueel wil de
jongere iets positiefs bijdragen. Als evaluatiecriterium van zijn zelfwaardering
hanteert hij eigen opvattingen met betrekking tot doelen en middelen en houdt hij
daarbij rekening met zowel zijn eigen als andermans belangen. Er is ook sprake van
schaamte en zelfverwijt.
○ Op het postconventionele niveau van de authentieke normen/rationeel wil de jongere
ook iets positiefs bijdragen. Hij maakt keuzes op basis van de relaties met anderen.
Het ongedaan maken of compenseren van de gevolgen van slecht gedrag dient op dit
niveau vooral het belang van de ander.
○ Op het postconventionele niveau van de authentieke normen/sociaal wil de jongere
eveneens iets positiefs bijdragen, waarbij hij een principieel geweten als basis en zijn
eigen levensplan als criteria gebruikt. Het verschil met het existentiële beeld is dat dit
betrekking heeft op de persoon en het sociale beeld op het gedrag.
○ Op het postconventionele niveau van de authentieke normen/existentieel gebruikt de
jongere bij het vormen van waardeoordelen een algemene levensfilosofie als
criterium. Kenmerkend zijn de daden van de jongere en de mate waarin hij
metterdaad naar zijn levensovertuiging handelt.
● Haidt pleit ervoor te durven accepteren dat we vaak eerst emotioneel en intuïtief reageren en
pas achteraf de redeneringen bij onze gedragingen of gedachten maken. Eisen dat we
rechtschapen naar waarden en normen handelen, kunnen we beter vervangen door moraliteit
in de zin van anderen niet schaden en eerlijk zijn. Hij waarschuwt voor het risico dat morele
waarden zogenaamd worden gebruikt om mensen te verbinden, maar dat dit uiteindelijk tot
sociale dominantie leidt. Hij heeft een Morele Fundamenten Theorie opgesteld, waarin de
definitie van morele systemen als volgt luidt: morele systemen zijn in elkaar grijpende sets
van waarden, deugden, normen, praktijken, identiteiten, instellingen, technologieën en
ontwikkelde psychologische mechanismen die samenwerken om het eigen belang te