H3: De verdeling van taken en bevoegdheden tussen de EU en EU-lidstaten
3.1 Het beginsel van de bevoegdheidstoedeling
De EU-rechtsorde en NLse rechtsorde zijn beide constitutionele rechtsordes: dat betekent dat de
rechtsvorming daarin wordt beheerst door het constitutionele recht.
De volgende vraag wordt bepaald door het constitutionele recht:
‘’Welke organen zijn onder welke voorwaarden bevoegd tot het stellen van in een rechtsorde
geldende rechtsnormen?’’
Deze vraag wordt in NL niet slechts beheerst door NLse normen en EU-normen.
Bij de beantwoording van de volgende vraag gelden onderstaande twee EU-rechtelijke
constitutionele uitganspunten:
‘’Wie (EU-instellingen of NLse ambten en organen) oefent onder welke voorwaarden
bevoegdheden uit?’’
Het beginsel van bevoegdheidstoedeling (ofwel attributiebeginsel)
Het subsidiariteitsbeginsel
De EU-lidstaten hebben een deel van hun soevereiniteit – dus niet hun volledige soevereiniteit -
overgedragen aan de EU.
Het beginsel van bevoegdheidstoedeling (ofwel attributiebeginsel)
Art. 5 lid 1 en 2 VEU = Het beginsel van bevoegdheidstoedeling (ofwel attributiebeginsel).
De EU handelt binnen de grenzen van de haar door het VEU verleende bevoegdheden en
toegewezen doelstellingen.
M.a.w.: De EU-lidstaten hebben de EU niet de bevoegdheid gegevens om zelf haar taken en
bevoegdheden te bepalen en uit te bereiden. Dit betekent: dat aan de EU specifieke taken en
bevoegdheden zijn toegekend.
Het beginsel van bevoegdheidstoedeling houdt het volgende twee in:
1. EU-instellingen hebben alleen bevoegdheden die uitdrukkelijk in de verdragen staan.
2. EU-instellingen mogen de aan hen uitdrukkelijk toegekende bevoegdheden slechts binnen
de grenzen van de bevoegdheidstoekenning uitoefenen (geen implied powers).
In de EU is er geen sprake van een hoogste wetgever met een algemene competentie
(vergelijkbaar als de NLse wetgever, art. 81 Gw).
Verdragen bepaalde welke instelling(en), volgens welke procedure en in welke vorm (verordening of
richtlijn) regelend mochten/moesten optreden.
In het VWEU wordt tegenwoordig vrijwel in alle gevallen voorgeschreven dat bij de uitoefening van
een regelgevende bevoegdheid de ‘’gewone wetgevingsprocedure’’ van art. 294 VWEU moet
worden gevolgd, waarbij het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk optreden (zie par. 2.3 en
2.2.4).
Daarnaast bestaat er een ‘’bijzondere wetgevingsprocedure’’.
Voorbeeld:
Art. 114 VWEU gewone wetgevingsprocedure, gekwalificeerde meerderheid; dit artikel
wordt door het HvJ EU meestal ruim toegepast, maar niet onbeperkt.
Art. 115 VWEU bijzondere wetgevingsprocedure, eenparigheid van stemmen vereist.
In het VEU wordt naast ‘’bevoegdheden’’ gesproken over ‘’doelstellingen’’ (bijv. werkgelegenheid,
sociale bescherming, duurzaamheid, etc.).
De doelstellingen zijn meestal vaag omschreven.
Geven de doelstellingen ook bevoegdheden? Dit betreft een grijs gebied.
Pag. 1 van 7
, Pag. 2 van 7
3.1 Het beginsel van de bevoegdheidstoedeling
De EU-rechtsorde en NLse rechtsorde zijn beide constitutionele rechtsordes: dat betekent dat de
rechtsvorming daarin wordt beheerst door het constitutionele recht.
De volgende vraag wordt bepaald door het constitutionele recht:
‘’Welke organen zijn onder welke voorwaarden bevoegd tot het stellen van in een rechtsorde
geldende rechtsnormen?’’
Deze vraag wordt in NL niet slechts beheerst door NLse normen en EU-normen.
Bij de beantwoording van de volgende vraag gelden onderstaande twee EU-rechtelijke
constitutionele uitganspunten:
‘’Wie (EU-instellingen of NLse ambten en organen) oefent onder welke voorwaarden
bevoegdheden uit?’’
Het beginsel van bevoegdheidstoedeling (ofwel attributiebeginsel)
Het subsidiariteitsbeginsel
De EU-lidstaten hebben een deel van hun soevereiniteit – dus niet hun volledige soevereiniteit -
overgedragen aan de EU.
Het beginsel van bevoegdheidstoedeling (ofwel attributiebeginsel)
Art. 5 lid 1 en 2 VEU = Het beginsel van bevoegdheidstoedeling (ofwel attributiebeginsel).
De EU handelt binnen de grenzen van de haar door het VEU verleende bevoegdheden en
toegewezen doelstellingen.
M.a.w.: De EU-lidstaten hebben de EU niet de bevoegdheid gegevens om zelf haar taken en
bevoegdheden te bepalen en uit te bereiden. Dit betekent: dat aan de EU specifieke taken en
bevoegdheden zijn toegekend.
Het beginsel van bevoegdheidstoedeling houdt het volgende twee in:
1. EU-instellingen hebben alleen bevoegdheden die uitdrukkelijk in de verdragen staan.
2. EU-instellingen mogen de aan hen uitdrukkelijk toegekende bevoegdheden slechts binnen
de grenzen van de bevoegdheidstoekenning uitoefenen (geen implied powers).
In de EU is er geen sprake van een hoogste wetgever met een algemene competentie
(vergelijkbaar als de NLse wetgever, art. 81 Gw).
Verdragen bepaalde welke instelling(en), volgens welke procedure en in welke vorm (verordening of
richtlijn) regelend mochten/moesten optreden.
In het VWEU wordt tegenwoordig vrijwel in alle gevallen voorgeschreven dat bij de uitoefening van
een regelgevende bevoegdheid de ‘’gewone wetgevingsprocedure’’ van art. 294 VWEU moet
worden gevolgd, waarbij het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk optreden (zie par. 2.3 en
2.2.4).
Daarnaast bestaat er een ‘’bijzondere wetgevingsprocedure’’.
Voorbeeld:
Art. 114 VWEU gewone wetgevingsprocedure, gekwalificeerde meerderheid; dit artikel
wordt door het HvJ EU meestal ruim toegepast, maar niet onbeperkt.
Art. 115 VWEU bijzondere wetgevingsprocedure, eenparigheid van stemmen vereist.
In het VEU wordt naast ‘’bevoegdheden’’ gesproken over ‘’doelstellingen’’ (bijv. werkgelegenheid,
sociale bescherming, duurzaamheid, etc.).
De doelstellingen zijn meestal vaag omschreven.
Geven de doelstellingen ook bevoegdheden? Dit betreft een grijs gebied.
Pag. 1 van 7
, Pag. 2 van 7