Alle theorieën op een rijtje:
** Leertheorieen: watson skinner, bandura
** cognitieve ontwikkelingstheorieen: Piaget, neo-piagetianen
** informatieverwerkingsbenadering
** Psychodynamica: Freud, Erikson
** Contextuele benaderingen: Bronfenbrenner, Vygotsky, transactioneel model, ethologie
Zes fundamentele kwesties
1. Nature vs. nurture?
2. Rol sociaal-culturele context?
3. Actieve rol kind?
4. Ontw. verloop: (dis)continue?
5. Kritieke perioden?
6. Interactie domeinen?
Freud
Hoort bij Psychodynamica
De psychosexuele ontwikkelingsstadia
*Orale fase: 0-12 maanden
* Anale fase: 1-3 jaar
* Phallische fase: 3-5 jaar
* Latentie fase: 5 jaar - adolescentie
* Genitale fase: adolescentie en verder
-Basis assumptie:
Veel aspecten van de individuele (volwassen) persoonlijkheid vinden hun oorsprong in de
vroegkinderlijke sexualiteit
Psychodynamische concepten
* Libido/libidineuze energie: biologische instincten psychologische spanning
* Lustprincipe: verlangen naar onmiddellijke driftbevrediging
* Realiteitsprincipe: reductie van libidineuze prikkels middels effectieve, rationele en sociaal
aanvaardbare middelen
- ego, id, superego:
ID:
primitief, onbewust deel van de persoonlijkheid; werkzaam volgens het lustprincipe
EGO:
mentale structuur die de vorming van cognitieve structuren koestert
SUPEREGO:
geweten: onacceptabel gedrag schuld ik-ideaal: positieve standaarden trots, positieve zelfwaardering
Erikson
Hoort bij Psychodynamica.
Heeft voortgebouwd op bevindingen van Freud. Is ervan overtuigd dat ego veel meer invloed heeft op
ontwikkeling dan Freud beweert. Conflicten zijn meer psychosociaal van aard dan psychosexueel.
Bewuste processen zijn belangrijker dan onbewuste processen. De stages van Erikson lopen langer
door en hebben minder nadruk op kritiekte perioden. Samenleving heeft veel meer een cruciale rol
dan Freud beweert.
, ---- Acht psychosociale ontwikkelingsstadia
Vertrouwen wanttrouwen
Autonomie schaamte/twijfel
Initiatief schuld
Handvaardigheid minderwaardigheid
Identiteit verwarring
Intimiteit isolement
Generativiteit egocentrisme
integriteit wanhoop
- kritiek op Erikson:
- nogal vaag over de verklaringen van de ontwikkelingsfasen. Hoe moet je het doorlopen om naar een
volgende fase te gaan?
- Ego ontwikkeling wordt te vaag omschreven
- hij geeft aan dat, als kind het ene stadium niet doorloopt problemen krijgt in volgende stadium, dit
blijkt niet zo te zijn.
- 6 kwesties bij Erikson:
1. Nature en nurture
2. Bredere sociaal culturele context is belangrijk. Bij ouders alleen de primaire context
3. Kind is actief
4. Discontinu proces, stadia
5. Wel krtieke periodes maar niet zoveel nadruk als freud
6. Wel interactie met andere domeinen
- WERELDBEELD: Holistisch (opzoek naar eenheid, harmonie)
Bandura: reinforcement is niet noodzakelijk, kind leert door imitatie
Hoort bij: sociale leertheorie, bidirectioneel
Bandura ging ervan uit dat kinderen leren door te observeren. Hij heeft een test gedaan door kinderen
in te delen in drie groepen. Iedere groep kreeg een andere situatie te zien:
groep 1: volwassene vertoonde agressief gedrag t.o.v. een pop en volwassene werd daarna beloond.
groep 2: volwassene vertoonde agressief gedrag t.o.v. een pop en volwassene werd gestraft
groep 3: alleen de volwassen volwassene die agressief gedrag vertoonde werd getoond
Na de film werd elk kind alleen gelaten met de opblaasbare pop. Daarna vonden observaties plaats.
Kinderen in de eerste en derde conditie imiteerde meer acties van de agressieve volwassene dan in de
tweede conditie.
Belangrijke begrippen bij Bandura:
* reciprocal interaction:continue wisselwerking kind & omgeving
bidirectionele richting
* 4 cognitieve processen:
–aandacht
–geheugen
–(motorische) reproduktie
–motivatie
* modeling: kinderen leren door gedrag van anderen waar te nemen
* 6 kwesties:
1) Volgens Bandura is er sprake van een interactie tussen reinforcement en biologische en andere
belangrijke factoren.
, 2) Zeer belangrijke rol van sociaal-culturele context.
3) Kind heeft een actieve status in zijn ontwikkeling, vanwege de aandachtsprocessen en
verwerkingsprocessen.
4) Verloop van ontwikkeling is gradueel/ continu/ kwantitatief.
5) Geen nadruk op kritieke perioden volgens Bandura.
6) Er is sprake van een interactie van de domeinen van ontwikkeling
Piaget
Hoort bij cognitieve ontwikkelingstheorieën.
Volgens Piaget vormde actie/handeling de basis voor cognitieve ontwikkeling. Het kind bouwt voort op de
kennis dat het al bezit: constuctivisme. Piaget heeft eerst onderzoek gedaan op zijn eigen kinderen later in
klinische setting. De onderzoeksmethode van Piaget was idiografisch en klinisch. Idiografisch houdt in dat
Piaget er vanuit ging dat hij slechts een kleine onderzoeksgroep nodig had waarbij hij gedetailleerd en grondig te
werk ging om zo tot voldoende respresentatieve gegevens te komen om zijn theoretische opvattingen te toetsen.
Klinisch houdt in dat Piaget door een nauwkeurige analyse van antwoorden van kinderen in een proefsituatie
tracht inzicht te krijgen in de onderliggende cognitieve structuren en denkprocessen. Afwezigheid van
standaardisatie.
* Belangrijke begrippen:
- adaptatie: aangeboren. het gedrag aanpassen op de normen en waarden (condities) die er in de heersende
cultuur gelden.
- organisatie: aangeboren neiging van intellectuele structuren en processen om meer systematisch en coherent
te worden
- schema: schema’s zijn mentale weergaven van situaties. Deze situaties worden geïnterpreteerd aan de hand
van reeds beheerste kennis over de wereld. Schema’s ontstaan door een wisselwerking van twee processen:
assimilatie en accommodatie. Asimilatie is het inpassen van nieuwe kennis in kennis dat het kind al bezit.
Accommodatie wil zeggen dat het kind nieuwe kennis gaat vergelijken met oude kennis en als er verschillen zijn
er een nieuwe categorie binnen bestaand onderdeel gemaakt wordt.
- Equilibratie: een aangeboren zelfregulerend proces dat via assimilatie en accommodatie voortdurend
plaatsvindt.
* WERELDBEELD: holistisch- organismisch
Piaget gaat er vanuit dat er orde is in het universum. In alle organismen is er een inherent streven naar evenwicht.
* fases Piaget:
1. sensomotorisch: 0-1,5 a 2 jaar
kind is egocentrisch, is nog niet in staat objectpermanentie(pas na 14 maanden weet kind dat als voorwerp niet
meer in zicht is, het wel nog aanwezig is). A-not-b-error. Imitatie kost veel tijd en herhaling, kinderen handelen
in eerste instantie reflexmatig maar in de loop van 2e levensjaar meer intentioneel.
2.pre-operationele stadium (2-7 jaar)
cognitieve actie op symbolisch niveau mogelijk. Typische denkfouten: animisme (Het toekennen van
eigenschappen aan levenloze objecten), vervreemdend realisme (Abstracte dingen moeten tastbaar zijn.),
artificialisme (fysische verschijnselen worden beschouwd als product voor specifiek menselijke doeleinden.),
magisch denken (een kind denkt dat het door een bepaalde handeling uit te voeren of door aan iets te denken een
gebeurtenis kan beïnvloeden waar het normaal gesproken geen enkel vat op heeft.)
3.concreet-operationele stadium (7-11 jaar)
Kinderen zijn in staat tot logischer nadenken maar is nog niet volledig ontwikkeld. Als de conservatie-notie
wordt beheerst, functioneren ze op niveau van dit stadium. (inhoud van lang en breed glas..) Het kind is dan in
staat tot reversibel denken. Inversie of negatieoperatie ligt hieraan ten grondslag; de ene activiteit heft de andere
op (er liggen drie nootjes, als er een weg wordt gehaald liggen er nog maar 2.)
4. formeel-operationele stadium (vanaf 11 jaar)
Wetenschappelijk denken door de concreet waarneembare naar het hypothetische. Denken in dit stadium is
hypothetisch, deductief en logisch.
* kritiek op Piaget
- kritiek op constructivisme: Piaget geeft aan dat componenten als object, tijd,getal, oorzaak en imitatie zich
gedurende leeftijd en acties ontwikkelen. Mensen die kritiek hadden op deze theorie geven juist aan dat deze
componenten, basiscomponenten zijn en reeds aanwezig zijn bij geboorte.
** Leertheorieen: watson skinner, bandura
** cognitieve ontwikkelingstheorieen: Piaget, neo-piagetianen
** informatieverwerkingsbenadering
** Psychodynamica: Freud, Erikson
** Contextuele benaderingen: Bronfenbrenner, Vygotsky, transactioneel model, ethologie
Zes fundamentele kwesties
1. Nature vs. nurture?
2. Rol sociaal-culturele context?
3. Actieve rol kind?
4. Ontw. verloop: (dis)continue?
5. Kritieke perioden?
6. Interactie domeinen?
Freud
Hoort bij Psychodynamica
De psychosexuele ontwikkelingsstadia
*Orale fase: 0-12 maanden
* Anale fase: 1-3 jaar
* Phallische fase: 3-5 jaar
* Latentie fase: 5 jaar - adolescentie
* Genitale fase: adolescentie en verder
-Basis assumptie:
Veel aspecten van de individuele (volwassen) persoonlijkheid vinden hun oorsprong in de
vroegkinderlijke sexualiteit
Psychodynamische concepten
* Libido/libidineuze energie: biologische instincten psychologische spanning
* Lustprincipe: verlangen naar onmiddellijke driftbevrediging
* Realiteitsprincipe: reductie van libidineuze prikkels middels effectieve, rationele en sociaal
aanvaardbare middelen
- ego, id, superego:
ID:
primitief, onbewust deel van de persoonlijkheid; werkzaam volgens het lustprincipe
EGO:
mentale structuur die de vorming van cognitieve structuren koestert
SUPEREGO:
geweten: onacceptabel gedrag schuld ik-ideaal: positieve standaarden trots, positieve zelfwaardering
Erikson
Hoort bij Psychodynamica.
Heeft voortgebouwd op bevindingen van Freud. Is ervan overtuigd dat ego veel meer invloed heeft op
ontwikkeling dan Freud beweert. Conflicten zijn meer psychosociaal van aard dan psychosexueel.
Bewuste processen zijn belangrijker dan onbewuste processen. De stages van Erikson lopen langer
door en hebben minder nadruk op kritiekte perioden. Samenleving heeft veel meer een cruciale rol
dan Freud beweert.
, ---- Acht psychosociale ontwikkelingsstadia
Vertrouwen wanttrouwen
Autonomie schaamte/twijfel
Initiatief schuld
Handvaardigheid minderwaardigheid
Identiteit verwarring
Intimiteit isolement
Generativiteit egocentrisme
integriteit wanhoop
- kritiek op Erikson:
- nogal vaag over de verklaringen van de ontwikkelingsfasen. Hoe moet je het doorlopen om naar een
volgende fase te gaan?
- Ego ontwikkeling wordt te vaag omschreven
- hij geeft aan dat, als kind het ene stadium niet doorloopt problemen krijgt in volgende stadium, dit
blijkt niet zo te zijn.
- 6 kwesties bij Erikson:
1. Nature en nurture
2. Bredere sociaal culturele context is belangrijk. Bij ouders alleen de primaire context
3. Kind is actief
4. Discontinu proces, stadia
5. Wel krtieke periodes maar niet zoveel nadruk als freud
6. Wel interactie met andere domeinen
- WERELDBEELD: Holistisch (opzoek naar eenheid, harmonie)
Bandura: reinforcement is niet noodzakelijk, kind leert door imitatie
Hoort bij: sociale leertheorie, bidirectioneel
Bandura ging ervan uit dat kinderen leren door te observeren. Hij heeft een test gedaan door kinderen
in te delen in drie groepen. Iedere groep kreeg een andere situatie te zien:
groep 1: volwassene vertoonde agressief gedrag t.o.v. een pop en volwassene werd daarna beloond.
groep 2: volwassene vertoonde agressief gedrag t.o.v. een pop en volwassene werd gestraft
groep 3: alleen de volwassen volwassene die agressief gedrag vertoonde werd getoond
Na de film werd elk kind alleen gelaten met de opblaasbare pop. Daarna vonden observaties plaats.
Kinderen in de eerste en derde conditie imiteerde meer acties van de agressieve volwassene dan in de
tweede conditie.
Belangrijke begrippen bij Bandura:
* reciprocal interaction:continue wisselwerking kind & omgeving
bidirectionele richting
* 4 cognitieve processen:
–aandacht
–geheugen
–(motorische) reproduktie
–motivatie
* modeling: kinderen leren door gedrag van anderen waar te nemen
* 6 kwesties:
1) Volgens Bandura is er sprake van een interactie tussen reinforcement en biologische en andere
belangrijke factoren.
, 2) Zeer belangrijke rol van sociaal-culturele context.
3) Kind heeft een actieve status in zijn ontwikkeling, vanwege de aandachtsprocessen en
verwerkingsprocessen.
4) Verloop van ontwikkeling is gradueel/ continu/ kwantitatief.
5) Geen nadruk op kritieke perioden volgens Bandura.
6) Er is sprake van een interactie van de domeinen van ontwikkeling
Piaget
Hoort bij cognitieve ontwikkelingstheorieën.
Volgens Piaget vormde actie/handeling de basis voor cognitieve ontwikkeling. Het kind bouwt voort op de
kennis dat het al bezit: constuctivisme. Piaget heeft eerst onderzoek gedaan op zijn eigen kinderen later in
klinische setting. De onderzoeksmethode van Piaget was idiografisch en klinisch. Idiografisch houdt in dat
Piaget er vanuit ging dat hij slechts een kleine onderzoeksgroep nodig had waarbij hij gedetailleerd en grondig te
werk ging om zo tot voldoende respresentatieve gegevens te komen om zijn theoretische opvattingen te toetsen.
Klinisch houdt in dat Piaget door een nauwkeurige analyse van antwoorden van kinderen in een proefsituatie
tracht inzicht te krijgen in de onderliggende cognitieve structuren en denkprocessen. Afwezigheid van
standaardisatie.
* Belangrijke begrippen:
- adaptatie: aangeboren. het gedrag aanpassen op de normen en waarden (condities) die er in de heersende
cultuur gelden.
- organisatie: aangeboren neiging van intellectuele structuren en processen om meer systematisch en coherent
te worden
- schema: schema’s zijn mentale weergaven van situaties. Deze situaties worden geïnterpreteerd aan de hand
van reeds beheerste kennis over de wereld. Schema’s ontstaan door een wisselwerking van twee processen:
assimilatie en accommodatie. Asimilatie is het inpassen van nieuwe kennis in kennis dat het kind al bezit.
Accommodatie wil zeggen dat het kind nieuwe kennis gaat vergelijken met oude kennis en als er verschillen zijn
er een nieuwe categorie binnen bestaand onderdeel gemaakt wordt.
- Equilibratie: een aangeboren zelfregulerend proces dat via assimilatie en accommodatie voortdurend
plaatsvindt.
* WERELDBEELD: holistisch- organismisch
Piaget gaat er vanuit dat er orde is in het universum. In alle organismen is er een inherent streven naar evenwicht.
* fases Piaget:
1. sensomotorisch: 0-1,5 a 2 jaar
kind is egocentrisch, is nog niet in staat objectpermanentie(pas na 14 maanden weet kind dat als voorwerp niet
meer in zicht is, het wel nog aanwezig is). A-not-b-error. Imitatie kost veel tijd en herhaling, kinderen handelen
in eerste instantie reflexmatig maar in de loop van 2e levensjaar meer intentioneel.
2.pre-operationele stadium (2-7 jaar)
cognitieve actie op symbolisch niveau mogelijk. Typische denkfouten: animisme (Het toekennen van
eigenschappen aan levenloze objecten), vervreemdend realisme (Abstracte dingen moeten tastbaar zijn.),
artificialisme (fysische verschijnselen worden beschouwd als product voor specifiek menselijke doeleinden.),
magisch denken (een kind denkt dat het door een bepaalde handeling uit te voeren of door aan iets te denken een
gebeurtenis kan beïnvloeden waar het normaal gesproken geen enkel vat op heeft.)
3.concreet-operationele stadium (7-11 jaar)
Kinderen zijn in staat tot logischer nadenken maar is nog niet volledig ontwikkeld. Als de conservatie-notie
wordt beheerst, functioneren ze op niveau van dit stadium. (inhoud van lang en breed glas..) Het kind is dan in
staat tot reversibel denken. Inversie of negatieoperatie ligt hieraan ten grondslag; de ene activiteit heft de andere
op (er liggen drie nootjes, als er een weg wordt gehaald liggen er nog maar 2.)
4. formeel-operationele stadium (vanaf 11 jaar)
Wetenschappelijk denken door de concreet waarneembare naar het hypothetische. Denken in dit stadium is
hypothetisch, deductief en logisch.
* kritiek op Piaget
- kritiek op constructivisme: Piaget geeft aan dat componenten als object, tijd,getal, oorzaak en imitatie zich
gedurende leeftijd en acties ontwikkelen. Mensen die kritiek hadden op deze theorie geven juist aan dat deze
componenten, basiscomponenten zijn en reeds aanwezig zijn bij geboorte.