Taak 2. Stemmingsstoornissen
Leerdoel 1: Wat is/zijn de biologische mechanismen die invloed hebben
op depressie?
Depressie ontstaat dus wanneer een persoon die op basis van persoonlijkheid en
genetische achtergrond een zekere kwetsbaarheid vertoont, getroffen wordt door één of
meerdere vormen van stress.
Ten grondslag aan de etiologie van depressie spelen zowel biologische, psychologische
als sociale determinanten een rol. Biologische factoren zijn bv. Afwijkende concentraties
van stoffen in de hersenen en genetische defecten die tot een depressie kunnen leiden.
Psychologische determinanten zijn bv. De manier waarop een persoon naar zichzelf en de
wereld om zich heen kijkt en de wijze waarop je positieve en negatieve waarden toekent
aan bepaalde gebeurtenissen. Sociale determinanten zijn bv. life-events en het hebben
van een partner en kind. Men spreekt in de huidige etiologie ook wel van een bio-
psychosociaal model.
De precieze neurologische werking van depressie is tot op heden nog onbekend. Dit
artikel gaat in op de biologische aspecten van depressie. Vroeger kwam men er achter
dat een verminderde hoeveelheid monoamies leidde tot een depressief syndroom.
Er zijn drie soorten mono-amines:
1. Noradrenaline
2. Serotonine (5HT)
3. Dopamine.
NA en DA vallen in de groep van catecholamines. Er zijn verschillende verklaringen tussen
het verband van monoamines.
-Catecholaminetheorie: Volgens deze theorie verklaard een tekort aan NA een
depressie. Om de exacte concentratie van NA te achterhalen, wordt gebruik gemaakt van
een afvalstof van NA. Deze wordt onder andere aangetroffen in urine en cytoplasma. De
resultaten van onderzoeken naar de concentratie van deze stof uit urine en plasma zijn
echter tegenstrijdig.
tekort aan noradrenaline kan alleen onderzocht worden door urine, plasma en cerebrale
vocht.
alle 3 de hypotheses geven maar gedeeltelijk een verklaring.
-Permissive hypothese: Men was dus niet tevreden met het idee dat 1 mono-amine
verantwoordelijk is. Men raakte er van overtuigd dat verschillende neurotransmitters
onderling interacteren. Volgens de permissive hypothese worden door veranderingen in
de catecholamine tezamen met een 5-HT tekort verantwoordelijk gehouden door
depressie. Dus het bestaande 5-HT tekort met daarbij een afgenomen catecholamine-
activiteit leidt tot depressie. Ook hierbij werd bij onderzoek van desbetreffende
afvalstoffen tegenstrijdige resultaten behaald. De theorie houdt dus niet stand omdat niet
bij alle depressieve patiënten verlaagde concentraties van beide afvalstoffen worden
aangetroffen.
Meerdere neurotransmitters
Mono-amine hypothese: Bij deze hypothese wordt gesuggereerd dat depressie te
wijten is aan een tekort van mono-amines in de hersenen. Het bleek dat een bepaalde
medicijn voor tubeculose, de negatieve stemming van depressie liet verdwijnen. De
werking van het medicijn berust op het feit dat het, het enzym mono-amine oxidatie
(MAO) zou blokkeren. (Dat verantwoordelijk is voor de afbraak van mono-amine). Er
bestaat echter twijfel over de theorie omdat het medicijn niet het MAO-enzym zou
,blokkeren, maar het juist de heropname van 5HT en NA zou blokkeren, met als gevolg
een verhoging van de monoaminerge activiteit.
Gestoorde functie van: 5-HT en/of NA in delen van de hersenen. Weinig serotonine.
NA: energie, lust
5-HT/NA: slaap/angst
-5-HT: stemming
Iproniazine blokkeert het MAO-enzym. Blijven Mono-amine langer in de synaptische
spleet.
theorieën, verklaren niet waarom de werking van antidepressiva zo lang duurt.
Receptortheorie: Bestaande theorieën leveren geen verklaringen voor de uitgestelde
werking van antidepressiva. Na toediening neemt de monoaminerge activiteit vrijwel
meteen toe, terwijl de symptomen van depressie pas na enkele weken verdwijnen. De
receptortheorie stelt dat niet zozeer het niveau van mono-amines in de synaps bepalend
is, maar dat deficiënties en/of gevoeligheid van postsynaptische
monoamineneurotransmitterrepceptoren een cruciale rol spelen bij depressie.
Depressie zou gekenmerkt worden door een verhoogd aantal postsynaptische receptoren
(upregulatie) en overgevoeligheid (sensitatie). Toediening van antidepressiva leidt to een
toename van de hoeveelheid monoamines in de synaptische spleet. Daardoor ontstaat er
een afname van het aantal receptoren (downregulatie) en desensitatie. Deze theorie
dient als aanvulling voor de monoamine hypothese en biedt een verklaring voor de
uitgestelde
werking van
antidepressiva.
Belangrijk
is de pre-
synaptische kant
College
De HPA-as
wordt ook
genoemd als
factor voor
depressie. De
HPA-as is
betrokken bij de reactie op stress. Dit systeem werkt als volgt: Lichamelijke of
psychologische stress wordt waargenomen. Hierdoor maakt de hypothalamus CRH
hormoon aan, deze zorgt er op zijn beurt weer voor dat de hypofyse ACTH maakt. Dit
hormoon geeft een signaal aan de bijnierschors om cortisol af te scheiden. Afgifte van
, deze hormonen maakt een vecht, vlucht of vreesreactie mogelijk. Hyperactiviteit van de
HPA-as blijkt aan de basis te liggen van depressie. = hetzelfde als negatieve feedback
reactie.
De afgifte van cortisol wordt normaliter gereguleerd via een negatief-feedbacksysteem
met de hypothalamus en hypofyse: cortisol oefent een remmende invloed uit op de
afgifte van CRH en ACTH door zich te binden aan specifieke cortisol receptoren.
Een meerderheid van de depressieve mensen vertoond een disfunctie van dit negatieve
feedbacksysteem van de HPA-as. Een bepaalde test laat een verhoogde afgifte van
cortisol en ACTH zien bij ongeveer 95% van de mensen met een depressie. Dit zou
vertaald kunnen worden naar een onvermogen van personen om hun
stresshormoonsysteem na een acute stressor tot een normaal niveau te kunnen
reduceren. Antidepressiva versterkt de binding van cortisol aan cortisolreceptoren en
herstelt op die manier de negatieve feedbackfunctie. Trauma op jonge leeftijd kan leiden
tot een blijvende overactiviteit van het HPA-as systeem op volwassen leeftijd. Er blijkt ook
een genetische basis voor de overgevoeligheid.
Samengevat:
Onder langdurige stress wordt in verhoogde mate cortisol aangemaakt. Cortisol bindt zich
Leerdoel 1: Wat is/zijn de biologische mechanismen die invloed hebben
op depressie?
Depressie ontstaat dus wanneer een persoon die op basis van persoonlijkheid en
genetische achtergrond een zekere kwetsbaarheid vertoont, getroffen wordt door één of
meerdere vormen van stress.
Ten grondslag aan de etiologie van depressie spelen zowel biologische, psychologische
als sociale determinanten een rol. Biologische factoren zijn bv. Afwijkende concentraties
van stoffen in de hersenen en genetische defecten die tot een depressie kunnen leiden.
Psychologische determinanten zijn bv. De manier waarop een persoon naar zichzelf en de
wereld om zich heen kijkt en de wijze waarop je positieve en negatieve waarden toekent
aan bepaalde gebeurtenissen. Sociale determinanten zijn bv. life-events en het hebben
van een partner en kind. Men spreekt in de huidige etiologie ook wel van een bio-
psychosociaal model.
De precieze neurologische werking van depressie is tot op heden nog onbekend. Dit
artikel gaat in op de biologische aspecten van depressie. Vroeger kwam men er achter
dat een verminderde hoeveelheid monoamies leidde tot een depressief syndroom.
Er zijn drie soorten mono-amines:
1. Noradrenaline
2. Serotonine (5HT)
3. Dopamine.
NA en DA vallen in de groep van catecholamines. Er zijn verschillende verklaringen tussen
het verband van monoamines.
-Catecholaminetheorie: Volgens deze theorie verklaard een tekort aan NA een
depressie. Om de exacte concentratie van NA te achterhalen, wordt gebruik gemaakt van
een afvalstof van NA. Deze wordt onder andere aangetroffen in urine en cytoplasma. De
resultaten van onderzoeken naar de concentratie van deze stof uit urine en plasma zijn
echter tegenstrijdig.
tekort aan noradrenaline kan alleen onderzocht worden door urine, plasma en cerebrale
vocht.
alle 3 de hypotheses geven maar gedeeltelijk een verklaring.
-Permissive hypothese: Men was dus niet tevreden met het idee dat 1 mono-amine
verantwoordelijk is. Men raakte er van overtuigd dat verschillende neurotransmitters
onderling interacteren. Volgens de permissive hypothese worden door veranderingen in
de catecholamine tezamen met een 5-HT tekort verantwoordelijk gehouden door
depressie. Dus het bestaande 5-HT tekort met daarbij een afgenomen catecholamine-
activiteit leidt tot depressie. Ook hierbij werd bij onderzoek van desbetreffende
afvalstoffen tegenstrijdige resultaten behaald. De theorie houdt dus niet stand omdat niet
bij alle depressieve patiënten verlaagde concentraties van beide afvalstoffen worden
aangetroffen.
Meerdere neurotransmitters
Mono-amine hypothese: Bij deze hypothese wordt gesuggereerd dat depressie te
wijten is aan een tekort van mono-amines in de hersenen. Het bleek dat een bepaalde
medicijn voor tubeculose, de negatieve stemming van depressie liet verdwijnen. De
werking van het medicijn berust op het feit dat het, het enzym mono-amine oxidatie
(MAO) zou blokkeren. (Dat verantwoordelijk is voor de afbraak van mono-amine). Er
bestaat echter twijfel over de theorie omdat het medicijn niet het MAO-enzym zou
,blokkeren, maar het juist de heropname van 5HT en NA zou blokkeren, met als gevolg
een verhoging van de monoaminerge activiteit.
Gestoorde functie van: 5-HT en/of NA in delen van de hersenen. Weinig serotonine.
NA: energie, lust
5-HT/NA: slaap/angst
-5-HT: stemming
Iproniazine blokkeert het MAO-enzym. Blijven Mono-amine langer in de synaptische
spleet.
theorieën, verklaren niet waarom de werking van antidepressiva zo lang duurt.
Receptortheorie: Bestaande theorieën leveren geen verklaringen voor de uitgestelde
werking van antidepressiva. Na toediening neemt de monoaminerge activiteit vrijwel
meteen toe, terwijl de symptomen van depressie pas na enkele weken verdwijnen. De
receptortheorie stelt dat niet zozeer het niveau van mono-amines in de synaps bepalend
is, maar dat deficiënties en/of gevoeligheid van postsynaptische
monoamineneurotransmitterrepceptoren een cruciale rol spelen bij depressie.
Depressie zou gekenmerkt worden door een verhoogd aantal postsynaptische receptoren
(upregulatie) en overgevoeligheid (sensitatie). Toediening van antidepressiva leidt to een
toename van de hoeveelheid monoamines in de synaptische spleet. Daardoor ontstaat er
een afname van het aantal receptoren (downregulatie) en desensitatie. Deze theorie
dient als aanvulling voor de monoamine hypothese en biedt een verklaring voor de
uitgestelde
werking van
antidepressiva.
Belangrijk
is de pre-
synaptische kant
College
De HPA-as
wordt ook
genoemd als
factor voor
depressie. De
HPA-as is
betrokken bij de reactie op stress. Dit systeem werkt als volgt: Lichamelijke of
psychologische stress wordt waargenomen. Hierdoor maakt de hypothalamus CRH
hormoon aan, deze zorgt er op zijn beurt weer voor dat de hypofyse ACTH maakt. Dit
hormoon geeft een signaal aan de bijnierschors om cortisol af te scheiden. Afgifte van
, deze hormonen maakt een vecht, vlucht of vreesreactie mogelijk. Hyperactiviteit van de
HPA-as blijkt aan de basis te liggen van depressie. = hetzelfde als negatieve feedback
reactie.
De afgifte van cortisol wordt normaliter gereguleerd via een negatief-feedbacksysteem
met de hypothalamus en hypofyse: cortisol oefent een remmende invloed uit op de
afgifte van CRH en ACTH door zich te binden aan specifieke cortisol receptoren.
Een meerderheid van de depressieve mensen vertoond een disfunctie van dit negatieve
feedbacksysteem van de HPA-as. Een bepaalde test laat een verhoogde afgifte van
cortisol en ACTH zien bij ongeveer 95% van de mensen met een depressie. Dit zou
vertaald kunnen worden naar een onvermogen van personen om hun
stresshormoonsysteem na een acute stressor tot een normaal niveau te kunnen
reduceren. Antidepressiva versterkt de binding van cortisol aan cortisolreceptoren en
herstelt op die manier de negatieve feedbackfunctie. Trauma op jonge leeftijd kan leiden
tot een blijvende overactiviteit van het HPA-as systeem op volwassen leeftijd. Er blijkt ook
een genetische basis voor de overgevoeligheid.
Samengevat:
Onder langdurige stress wordt in verhoogde mate cortisol aangemaakt. Cortisol bindt zich