College 1 – Introductie
08:00 bellen naar 088-7556540 voor obducties.
Boek Robbins 11th ed kopen.
1
,College 2 – Celpathologie
Rijtje oorzaken die schade veroorzaken in lichaam:
Stress: langdurige prikkelingen, niet te heftig; zulke prikkels leiden tot adaptatie aan prikkeling. Bij te
grote prikkeling of acuut moment leidt dit tot celschade (reversibel / irreversibel).
Reversibele celschade: celzwelling, vetverandering (door chronische prikkeling van de lever) en
membraanblebs. Hier is sprake van een tijdelijk probleem: oorzaak weghalen lost probleem op.
Tubuli nier bij reversibele celschade; membraanblebs
zichtbaar. Gezond = A, beschadigd = B.
Irreversibele celschade: necrose = altijd pathologisch
(gevolg ziekte of ziekte als gevolg)
Apoptose = soms fysiologisch, soms pathologisch.
Necrose beschadigt celmembraan, apoptose
beschadigt eiwitten maar niet membranen.
Necrose: verval van celmembranen. Integriteit membranen
aangepast, gevolg = mitochondria en ER en celmembraan naar
buitenwereld gaat kapot. Wekken sterke reactie op van omgeving.
Bij necrose altijd een ontstekingsrespons door lekkage van
eiwitten door membraanverval.
Necrose morfologie. Cytoplasma: eosinofilie (meer roze).
Kernverandering: donkere, geslonken kern (pyknosis),
fragmentatie (karyorhexis) of verdwijnen van kern (karyolysis).
2
,Vormen van necrose:
- Coagulatie necrose door infarcten. Sterk begrensd door doorbloeding die stopt: karyolisis.
Behouden architectuur.
- Liqueficerende necrose: gel achtige substantie en verkazende necrose: centraal necrose,
daaromheen reactie erop.
- Vetnecrose: ontsteking in vet; vetnecrose en tumor lastig uit elkaar te halen.
- Fibrinoide necrose; middelste tak wordt necrotisch. Zichtbaar bij systeemziekten. (mag je
vergeten, enkel weten dat het bestaat)
Troponines lekken naar buiten = meetbaar. Troponines zijn normaal
nauwelijks in bloed aanwezig, lekken uit hartspiercellen. Zelfde geldt voor
ASAT/ALAT: deze lekken uit o.a. lever.
Obductie. Kleuren cellen aan waar LDH nog in zit; donkerpaars bij
aanwezigheid, lichter gekleurd niet.
Apoptose = gereguleerde celdood. Celmembraan blijft intact,
geen ontstekingsrespons.
Stimulus, reactie = krimpen, breekt organellen in stukken en
scheidt deze af in blebs (apoptotic bodies), die worden
opgeruimd door fagocytose. Zodoende wordt intracellulaire
milieu nooit in aanraking gebracht met extracellulair, waardoor
geen ontsteking kan ontstaan.
Cytoplasma wordt hypereosinofiel. Chromatine condensatie
zorgt voor donkere kern.
Necrose komt vaak voor in groepen cellen, apoptose bij
individuele cellen.
Apoptose pathways, op basis van caspases.
Intrinsiek. BCL2 stimulans loopt langs
mitochondriën, waardoor cytochroom c de
cel inlekt, wat door apoptosoom voor
caspase 9 zorgt; leidt tot executiefase.
Extrinsiek. Fas, komt voor in sommige
tumorpathways. Leidt tot caspase 8; leidt tot
executiefase.
3
, Autofagie, cel eet eigen inhoud op. Met name door tekort aan
nutriënten buitenwereld.
Atg → fagophore → autofagosoom etc.
Bij necrose, membraan lysosoom lekt afbrekende enzymen in cytosol.
Biochemische mechanismen van schade.
Kan niet op basis van biochemische mechanismen voorspellen of reactie necrose of apoptose is.
Ischemia = zuurstoftekort. Oxidatieve fosforylatie daalt, cel heeft minder ATP. Ribosoom
detachement, minder eiwitsynthese, minder vorming membraan.
Vorming ROS. Lekkage cytochroom C.
Dit kan tot necrose en apoptose leiden.
ROS. SOD, leidt tot o.a. membraanschade. Stimuli die leiden tot necrose/apoptose, of ook
carcinogenese.
Minder ATP = minder fosfolipide productie, schade aan membraan kan niet hersteld worden, en
lysosomen gaan lekken, schade door enzymen in cytosol.
4