In Lidstaat A wordt de winst van een onderneming belast tegen 25%. Er gelden echter vrijstellingen
voor:
A. Alle ondernemingen in de scheepvaartsector
B. Grote ondernemingen in een bepaalde provincie
C. Royalty's afkomstig van innovatieve R&D activiteiten
D. Dividend uit deelnemingen van meer dan 5%
E. Winst van een vaste inrichting in een ander land (onafhankelijk of dat land belasting heft)
F. Voor ondernemingen die een speciale ruling hebben gehaald
Vraag 1
Aan de hand van welk theoretisch kader kunt u beoordelen of een bepaalde maatregel kan worden
aangemerkt als (al dan niet verenigbare) staatssteun?
Uitwerking
Art. 107 lid 1 VwEU:
1. Voordeel aan een onderneming
2. Komt uit de staatskas (staatsmiddelen)
3. Verstoring van de concurrentie
4. Selectief karakter (alleen voor ‘bepaalde’ ondernemingen)
Wat betreft selectiviteit moet het volgende stappenplan worden doorlopen:
1. Referentiekader (hoofdregel)
2. Afwijking van het kader
3. Rechtvaardiging?
Stap 1 en 2 vormen samen prima facie selectiviteit. Pas als wordt bewezen dat de afwijking niet
gerechtvaardigd is, kun je spreken van volwaardige selectiviteit. De rechtvaardigingsgronden
verschillen, maar worden wel altijd bepaald aan de hand van de aard en de opzet van het
belastingstelsel. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen technische aspecten en beleidsmatige
aspecten.
• Wel: Technische aspecten, zoals:
o Voorkoming dubbele belasting
o Tegengaan misbruik
o Effectieve controle
o Cohesie van het belastingstelsel
• Niet: Beleidsmatige aspecten
o Stimuleren R&D, milieu, etc.
De technische aspecten vallen onder de soevereine sfeer van lidstaten. De beleidsmatige aspecten
kunnen wel een rechtvaardiging vormen, maar daar is een ander formeel traject voor nodig.
Rechtvaardiging van prima facie selectiviteit is niet hetzelfde als goedkeuring door de Europese
Commissie op grond van art. 107 lid 3 VwEU. Bij goedkeuring spelen beleidsmatige overwegingen juist
wel een rol.