In de 18e eeuw was er sprake van restauratie (herstel van het oude bestuurssysteem, herstellen naar de
situatie van voor de revolutie). De restauratie was een reactie op de democratische revoluties in de 18 e
eeuw. Er bleek door de revoluties dat vasthouden aan oude rechten een goeie basis was geweest voor
een geleidelijk groeiende inspraak van burgers en parlement. Ze waren na de chaos van de revolutie
opzoek naar stabiliteit om weer te kunnen ontwikkelen en gingen daarom restaureren. Aanhangers van
het conservatisme (stroming die vast houdt aan tradities en de focus legt op restauratie) steunde de
restauratie. Zij maakte uit het verloop van de revolutie op dat een traditioneel bestuur door een keizer of
koning de beste garantie was voor stabiliteit en veiligheid. De Liberalisten (stroming die staat voor vrijheid,
gelijkheid en samenhorigheid en voor burgers in het bestuur) waren juist tegen restauratie. Zij geloofden in
de idealen van de Franse revolutie en waren voor verandering van het oude bestuurssysteem, zij wilden
meer burgers in het bestuur.
Het koninkrijk der Nederlanden is ook een voorbeeld van de restauratie. De republiek was een
samenwerkingsverband van zelfstandige gewesten, en werd vervolgens door Napoleon een koninkrijk
gemaakt met zijn broer Lodewijk als koning. Vier jaar later werd dit al opgeheven en werd Nederland
onderdeel van het Franse keizerrijk. De Nederlanders waren het niet helemaal eens met de Fransen en
hun revolutionaire ideeën maar wilde niet terug naar de bestuurlijke versnippering van de Republiek. Ze
wilden dat er weer een Oranje aan het hoofd zou komen. In 1815 trad Willen Frederik aan als koning
Willem 1, en werd weer een koninkrijk. Er was in Nederland sprake van restauratie maar wel met
toevoeging van een grondwet. Het koninkrijk bouwde voort op de eenheidsstaat die ze werden. Het bleef
een centraal bestuurde staat waar overal dezelfde wetten en regels golden. Men koos voor een
constitutionele monarchie. Een koning werd staatshoofd maar hij was gebonden aan een grondwet
(constitutie). Deze grondwet garandeerde onder andere vrijheid van drukpers. Hierin stond ook dat de
koning koninklijke besluiten kon nemen. Koningen en ministers werden nu gecontroleerd door een
parlement dat indirect door het volk werd gekozen. Echter had de koning zeer veel macht en kon hij
ministers aanstellen en een (kritisch) parlement ontbinden. Nederland kende in de 19 e eeuw het
censusrecht. Stemgerechtigden kozen de leden van de provinciale staten en deze kozen dan de leden van
de tweede kamer. De koning benoemde zelf de leden van de eerste kamer.
De democratie in Nederland ontwikkelde zich na 1848. De toenmalige koning Willem 2 was bang dat er
een revolutie uit zou breken. De liberalen in Nederland onder leiding van Thorbecke hadden al vaker
aangedrongen op de invoering van een liberale grondwet. Uit angst om afgezet te worden voerde Willem 2
deze in. De koning maakte in de nieuwe grondwet nog wel deel uit van de regering maar er gold
ministeriele verantwoordelijkheid (alleen ministers waren verantwoordelijk voor het regeringsbeleid).
Vanaf nu bepaalde niet de koning maar de tweede kamer of een minister ontslagen moest worden. De
nieuwe grondwet bevatte ook vrijheid van onderwijs en vrijheid van vereniging en vergadering. Het
kiesrecht bleef wel beperkt.
Na de democratische revoluties in de 18e eeuw gingen mensen meer nadenken over maatschappelijke
ongelijkheid en dat het slecht was. Dit leidde tot de opkomst van emancipatiebewegingen. Emancipatie is
het streven naar gelijkberechtiging en strijden tegen menselijke/maatschappelijke ongelijkheid.
Één van de emancipatiebewegingen is het abolitionisme. Abolitionisten hadden als doel om de
slavenhandel en slavernij af te schaffen. Ze streden voor gelijke rechten en betere omstandigheden voor
slaven. De eerste doelen werden vlak na 1800 al bereikt toen alle Europese landen de slavenhandel
afschafte. Daarna gingen ze zich concentreren op het afschaffen van de slavernij. In 1833 maakte het
Britse Parlement een eind aan de slavernij in de koloniën, en in 1848 volgden de Fransen dit voorbeeld
op. In de verenigde staten kwam er een burgeroorlog, nadat deze door de noordelijke staten werd
gewonnen, werd de slavernij in 1865 ook in de zuidelijke staten afgeschaft. In Nederland bleef de slavernij
ook lang bestaan, in Suriname en de Antillen werden de slaven pas in 1863 vrij verklaard, zij moesten wel
nog 10 jaar voor een heel klein loon werken. In andere delen van Nederlands-Indië gebeurde dit nog veel
later.