BA2A1 Oncologie
Week 8: Mammacarcinoom
HC 1 Inleiding mammacarcinoom als exemplarische tumor; klinische presentatie, etiologie en
preventie
1 op 9/10 vrouwen krijgt ooit mammacarcinoom.
Tussen 50-75 jr meeste mammacarcinomen.
20-25% overlijdt na 10 jr.
Gemetastaseerde mammacarcinoom ongeneesbaar maar wel trgdringbaar.
Primair mammacarcinoom: mammacarcinoom beperkt tot mamma en okselklieren. Want
curabel.
Meeste mammacarcinomen Lmamma lateraal.
Progressie borstkanker: normaalatypische hyperplasiecarcinoma in situinvasieve
maligniteitmetastasen.
Gemetastaseerd mammacarcinoom: metastasen die hematogeen zijn verspreid. Voornamelijk
bot, longen, lever. Therapie is palliatief.
Klinische presentatie:
Knobbeltje in borst.
Intrekking huid/tepel.
Peau d’orange(sinaasappelhuid).
Mastitis(roodheid, warm). Vaak niet pijnlijk.
Wond van de huid. Niet vaak, alleen bij te lang doorlopen.
Voelbare okselklieren.
Groei van borst.
Tepeluitvloed.
Schilfering, eczeem van tepel.
Pijn.
Klachten m.b.t. uitzaaiingen op afstand.
Stadium IV is gemetastaseerde mammacarcinoom.
Grootte van tumor is van invloed op prognose.
Risicofactoren mammacarcinoom:
Vrouw 150x meer kans dan man.
>45 jr.
Eerder mammacarcinoom.
Familiaire belasting met dominante overerving.
Atypische benigne proliferatieve afwijkingen mamma.
N-europa/N-amerika.
Bestraling mediastinum.
Dicht klierweefsel.
HC 2 Diagnostiek
Bevolkingsonderzoek: vrouwen tussen 50-75 jr, 1x / 2 jr screeningsmammografie. 1 : 100
doorgewezen, iets minder dan 50% heeft mammacarcinoom.
LO: zowel staand als liggend uitvoeren.
Inspectie; L = R, verkleuring huid, peau d’orange, intrekking huid/tepel, tepel uitvloed.
Palpatie; met vlakke hand, vingertoppen, roterend. Oksels, infra- en supraclaviculair.
Beoordeling evt. fixatie en consistentie lymfeklieren.
Aanvullende diagnostiek: mammografie, echo, cytologische punctie, histologische punctie,
chirurgisch biopt, MRI, echo oksel.
BIRADS: breast imaging reporting and data system.
1
, Echo zeer betrouwbaar voor vaststellen cysten, fibroadenoom(FAD).
FAD is meest voorkomende mammatumor bij jonge vrouwen, solide laesie met dun echorijk
kapsel. Goedaardig.
MRI: i.v. toediening gadolineum. Bekijken angiogenese. Hoge sensitiviteit, echter
16-41% onverwachte bevinding. Alleen bij hoogrisico groepen, preoperatief, effectbepaling
neoadjuvante therapie, diagnostische discrepantie.
Vooral lobulair carcinoom/hooggradig DCIS en wens tot borstsparende ok.
Triple diagnostiek belangrijk! LO – mammografie – cytologische/dikke naaldpunctie.
Palpabele afwijking mamma: 9-11% maligniteit. Sensitiviteit mammografie neemt toe met
leeftijd en aanwezige vergelijkende oude foto’s.
Diagnostiek niet palpabele tumor d.m.v. sterotactisch geleide dikke naaldbiopten en
diagnostische lumpectomie na lokalisatie.
DCIS: 80-85% niet palpabel. Microcalcificaties op mammografie, maar niet elke
microcalcificaties is DCIS. Graad I, II of III. Na excisie 17% invasief component. Per
definitie N0M0. Mammasparende chirurgie; unifocaal, vrij resectievlak haalbaar.
HC 3 Pathologie
Microcalcificaties kan duiden op maligniteit.
Bij niet palpabele afwijkingdraad inbrengen waar afwijking is gezien zodat chirurg goede
stuk weefsel kan uitnemen.
Aan achterkant mamma scherpe afscheiding met borst d.m.v. fascie.
Terminal ductular lobular unit(TDLU) = lobulus en duct.
Maligniteiten altijd vanuit klierweefsel.
Lobuli bestaan uit kleine buisjes(acini). Tweelagig; aan binnenkant luminale/glandulaire
cellen. Er omheen heldere cellen(myoepitheliale cellen); contractiele eigenschappen.
Mastopathie = lumpy breast disease; fibrocyteuse verandering apocriene metaplasie.
Goedaardig.
Hyperplasie is goedaardige afwijking. Toename van aantal cellen. RR 1,5-2 voor carcinoom.
Kwaadaardige voorstadium = carcinoma in situ; ductaalDCIS en lobulairLCIS.
Kwaadaardig in mamma vooral adenocarcinoom, soms sarcoom/maligne phyllodes tumor.
Verschillende epitheliale laesies geven verschillende risico’s op kanker.
Proliferatieve veranderingen zonder atypie geven licht verhoogd risico maar worden niet
gezien als pre-maligne.
Fibrocysteuze veranderingen:
Ontvouwen van lobuli, verwijding van acini; cystevorming.
Fibrose.
Soms microcalcificaties.
Adenose = toename van aantal buisjes.
FAD: fibro-epitheliale laesie. Overgroei van stroma. Epitheel blijft 2-lagig.
Phyllodes tumor: fibro-epitheliale laesie. Zeldzaam. Kan op alle leeftijden, maar vaak oudere
patiënten. Groeit relatief snel. prognose afhankelijk van subtypen. Metastasen zeldzaam, kan
lokaal recidiveren.
DCIS/LCIS: neoplastische proliferatie epitheel. Blijft binnen contouren duct.
Basaalmembraan intact. Geen bloedvoorzieningbinnenste necrotisch, verkalking. Niet
palpabel! Macroscopisch lastig te zien.
DCIS gradering op basis kernatypie. Goed gedifferentieerd DCIS wordt goed gedifferentieerd
ductaal carcinoom, slecht gedifferentieerd DCIS wordt slecht gedifferentieerd ductaal
carcinoom.
LCIS: geen symptomen, geen calcificaties. Toevalsbevinding bij microscopie. Diffuus,
bilateraal.
2
Week 8: Mammacarcinoom
HC 1 Inleiding mammacarcinoom als exemplarische tumor; klinische presentatie, etiologie en
preventie
1 op 9/10 vrouwen krijgt ooit mammacarcinoom.
Tussen 50-75 jr meeste mammacarcinomen.
20-25% overlijdt na 10 jr.
Gemetastaseerde mammacarcinoom ongeneesbaar maar wel trgdringbaar.
Primair mammacarcinoom: mammacarcinoom beperkt tot mamma en okselklieren. Want
curabel.
Meeste mammacarcinomen Lmamma lateraal.
Progressie borstkanker: normaalatypische hyperplasiecarcinoma in situinvasieve
maligniteitmetastasen.
Gemetastaseerd mammacarcinoom: metastasen die hematogeen zijn verspreid. Voornamelijk
bot, longen, lever. Therapie is palliatief.
Klinische presentatie:
Knobbeltje in borst.
Intrekking huid/tepel.
Peau d’orange(sinaasappelhuid).
Mastitis(roodheid, warm). Vaak niet pijnlijk.
Wond van de huid. Niet vaak, alleen bij te lang doorlopen.
Voelbare okselklieren.
Groei van borst.
Tepeluitvloed.
Schilfering, eczeem van tepel.
Pijn.
Klachten m.b.t. uitzaaiingen op afstand.
Stadium IV is gemetastaseerde mammacarcinoom.
Grootte van tumor is van invloed op prognose.
Risicofactoren mammacarcinoom:
Vrouw 150x meer kans dan man.
>45 jr.
Eerder mammacarcinoom.
Familiaire belasting met dominante overerving.
Atypische benigne proliferatieve afwijkingen mamma.
N-europa/N-amerika.
Bestraling mediastinum.
Dicht klierweefsel.
HC 2 Diagnostiek
Bevolkingsonderzoek: vrouwen tussen 50-75 jr, 1x / 2 jr screeningsmammografie. 1 : 100
doorgewezen, iets minder dan 50% heeft mammacarcinoom.
LO: zowel staand als liggend uitvoeren.
Inspectie; L = R, verkleuring huid, peau d’orange, intrekking huid/tepel, tepel uitvloed.
Palpatie; met vlakke hand, vingertoppen, roterend. Oksels, infra- en supraclaviculair.
Beoordeling evt. fixatie en consistentie lymfeklieren.
Aanvullende diagnostiek: mammografie, echo, cytologische punctie, histologische punctie,
chirurgisch biopt, MRI, echo oksel.
BIRADS: breast imaging reporting and data system.
1
, Echo zeer betrouwbaar voor vaststellen cysten, fibroadenoom(FAD).
FAD is meest voorkomende mammatumor bij jonge vrouwen, solide laesie met dun echorijk
kapsel. Goedaardig.
MRI: i.v. toediening gadolineum. Bekijken angiogenese. Hoge sensitiviteit, echter
16-41% onverwachte bevinding. Alleen bij hoogrisico groepen, preoperatief, effectbepaling
neoadjuvante therapie, diagnostische discrepantie.
Vooral lobulair carcinoom/hooggradig DCIS en wens tot borstsparende ok.
Triple diagnostiek belangrijk! LO – mammografie – cytologische/dikke naaldpunctie.
Palpabele afwijking mamma: 9-11% maligniteit. Sensitiviteit mammografie neemt toe met
leeftijd en aanwezige vergelijkende oude foto’s.
Diagnostiek niet palpabele tumor d.m.v. sterotactisch geleide dikke naaldbiopten en
diagnostische lumpectomie na lokalisatie.
DCIS: 80-85% niet palpabel. Microcalcificaties op mammografie, maar niet elke
microcalcificaties is DCIS. Graad I, II of III. Na excisie 17% invasief component. Per
definitie N0M0. Mammasparende chirurgie; unifocaal, vrij resectievlak haalbaar.
HC 3 Pathologie
Microcalcificaties kan duiden op maligniteit.
Bij niet palpabele afwijkingdraad inbrengen waar afwijking is gezien zodat chirurg goede
stuk weefsel kan uitnemen.
Aan achterkant mamma scherpe afscheiding met borst d.m.v. fascie.
Terminal ductular lobular unit(TDLU) = lobulus en duct.
Maligniteiten altijd vanuit klierweefsel.
Lobuli bestaan uit kleine buisjes(acini). Tweelagig; aan binnenkant luminale/glandulaire
cellen. Er omheen heldere cellen(myoepitheliale cellen); contractiele eigenschappen.
Mastopathie = lumpy breast disease; fibrocyteuse verandering apocriene metaplasie.
Goedaardig.
Hyperplasie is goedaardige afwijking. Toename van aantal cellen. RR 1,5-2 voor carcinoom.
Kwaadaardige voorstadium = carcinoma in situ; ductaalDCIS en lobulairLCIS.
Kwaadaardig in mamma vooral adenocarcinoom, soms sarcoom/maligne phyllodes tumor.
Verschillende epitheliale laesies geven verschillende risico’s op kanker.
Proliferatieve veranderingen zonder atypie geven licht verhoogd risico maar worden niet
gezien als pre-maligne.
Fibrocysteuze veranderingen:
Ontvouwen van lobuli, verwijding van acini; cystevorming.
Fibrose.
Soms microcalcificaties.
Adenose = toename van aantal buisjes.
FAD: fibro-epitheliale laesie. Overgroei van stroma. Epitheel blijft 2-lagig.
Phyllodes tumor: fibro-epitheliale laesie. Zeldzaam. Kan op alle leeftijden, maar vaak oudere
patiënten. Groeit relatief snel. prognose afhankelijk van subtypen. Metastasen zeldzaam, kan
lokaal recidiveren.
DCIS/LCIS: neoplastische proliferatie epitheel. Blijft binnen contouren duct.
Basaalmembraan intact. Geen bloedvoorzieningbinnenste necrotisch, verkalking. Niet
palpabel! Macroscopisch lastig te zien.
DCIS gradering op basis kernatypie. Goed gedifferentieerd DCIS wordt goed gedifferentieerd
ductaal carcinoom, slecht gedifferentieerd DCIS wordt slecht gedifferentieerd ductaal
carcinoom.
LCIS: geen symptomen, geen calcificaties. Toevalsbevinding bij microscopie. Diffuus,
bilateraal.
2