Lecture I: aansprakelijkheidsrecht anno 2025: wat is de status quo?
Terug naar 9 april 2011: schietpartij in Alphen aan de Rijn
Jongeman heeft 3 wapens bij zich en begint te schieten op willekeurige mensen, allerlei
mensen worden getroffen, er vallen 6 doden
In het aansprakelijkheidsrecht kwamen er een aantal mensen in beeld:
o Dader (primaire dader): deze heeft een einde aan zijn leven gemaakt, hier valt dus
niks meer te halen
o Ouders (secundaire dader): ouders wisten veel van wat er was gebeurd en hadden
mogelijk de politie moeten inlichten, maar dit werd niet aannemelijk gemaakt, de
jongen was namelijk 24 en dus meerderjarig
o Politie (secundaire dader): de dader had een wapenvergunning gekregen in 2008, hij
was lid van een vereniging en kreeg dus verlof van de politie voor het bezitten van
een wapen. Wat hierbij niet in aanmerking werd genomen was dat hij al eerder een
wapenvergunning had aangevraagd, maar deze niet werd verleend omdat hij eerder
betrokken is geweest met luchtdrukwapens, en hij in een psychiatrische inrichting
heeft gezeten. De politie had dit niet meegenomen bij het verlenen van de
vergunning. De politie kon en had moeten ingrijpen.
In beginsel geldt: the loss lies where it falls TENZIJ je in het aanrsprakelijkheidsrecht een
grondslag hebt om de schade bij een ander neer te leggen
o Dus eigenlijk: iedereen draagt zijn eigen schade tenzij iemand anders foutief heeft
gehandeld
Kenmerken van het Nederlandse aansprakelijkheidsrecht
Het gehele aansprakelijkheidsrecht zit in het BW
o Er zijn geen bijzondere regels behalve bijvoorbeeld artikel 185 WVW of artikel
7:658 BW voor werkgeversaansprakelijkheid
Steeds meer uitdijing van aansprakelijkheid
o Er komen altijd meer aansprakelijkheidsgronden bij
Gemengde gevoelens
o Positieve gevoelens over de uitdijende werking en instrumentalisme, maar tevens
een bezorgdheid over de claimcultuur en vrees voor Amerikaanse toestanden
Aansprakelijkheid is een gedijt goed
Meer en ruimere aansprakelijkheden
o 169, 170, 171, 173, 174 BW en 185 WVW
Meer regresrechten
Meer schadeposten
Minder ruimte voor een succesvol beroep op verjaring
o Artikel 3:310 lid 5 BW en artikel 6:2 BW
Hoofdrol voor de HR
Rechtspraak heeft de ontwikkelingen in het schadevergoedingsrecht doorgezet
o Vooral bij bijvoorbeeld artikel 185 WVW
Overmacht verweer; artikel 6:101 BW
100%-regel bij kinderen onder de 14 jaar
50% regel bij mensen ouders dan 14 jaar
Oplossingen voor causaliteitsonzekerheid
1
, ONRECHTMATIGE DAAD EN SCHADEVERGOEDING
o DES-arrest: vrouwen slikten DES om te voorkomen dat ze een miskraam zouden
krijgen, echter had deze DES achteraf kwalijke gevolgen. De dochters van de
vrouwen kregen kanker en de kleinkinderen konden ook met de gevolgen
geconfronteerd worden. Voor de hand lag dat de peilen zouden worden gericht op
de producent, maar er lag een probleem bij de causaliteit: niemand wist welke
DES van welke producent was. Er waren tientallen producenten en wanneer de
vrouwen niet zouden weten welke producent het moest zijn, hadden ze geen
vordering. De HR deed daarom hier een alternatieve causaliteit toepassen: de
vrouwen konden iedere producent aanspreken, en het was daarna aan die
producent om te bewijzen dat het niet zijn DES was. Dit was voor de vrouwen
heel positief, maar niet voor de producenten, het kon namelijk goed zo zijn dat zij
aansprakelijk zijn voor schade die zijn niet veroorzaakt hadden, omdat ze niet
konden bewijzen dat de DES van een andere producent was.
De HR is het centrum van de rechtsontwikkeling en heeft daarom de regie, de HR heeft een
rechtsvormende taak. De rechtsontwikkeling wordt daarom gefaciliteerd door de HR, ook door
prejudiciële vragen die feitenrechters aan de HR stellen.
Hangmat-arrest: een vrouw ligt in haar tuin te zonnen in een hangmat, ze wil haar kind bij zich
nemen in de hangmat, maar op dat moment breekt de pilaar waar de hangmat aan bevestigd is.
De pilaar valt in de hangmat op het gezicht van de vrouw, haar hele gezicht is gebroken en ze
loopt een dwarslaesie op, ze zal voor haar hele leven afhankelijk zijn van anderen. Ze richt haar
peilen op haar partner omdat ze samen met haar partner een aansprakelijkheidsverzekering had,
en deze mogelijk de schade zou dekken.
De grondslag van haar vordering was een gebrekkige opstal krachtens artikel 6:174. Het
probleem hier was dat de vrouw mede-eigenaar was van de woning en dus stelt de
verzekering: de pot verwijt de ketel en artikel 6:174 geldt hier niet.
HR: uit de wetsgeschiedenis, het stelsel van de wet of in de tekst staat niet dat het moet
gaan om derden. De vraag is dus wat naar maatschappelijke opvattingen en de belangen
van het slachtoffer en diens verzekering de meest redelijke reikwijdte van artikel 6:174 is.
De vrouw kan de man dus aanspreken, maar wel voor maar 50%
Kanttekeningen: als ze alleen haar enkel had gebroken was dit nooit zo ver gekomen, en
ook als er geen verzekering was geweest, was dit nooit zo ver gekomen.
Imagine-arrest: paard Imagine veroorzaakt een ongeval op een manege, het paard schrikt en
loopt een mevrouw omver, met grote lichamelijke schade als gevolg.
De grondslag van haar vordering is artikel 6:179 als bezitter van een dier en subsidiair
artikel 6:181 als bedrijfs- of beroepsmatig gebruik van een dier. Ze spreekt hiermee haar
partner aan.
De rechtbank stelt een prejudiciële vraag aan de HR over het bereik van het Hangmat-
arrest. De HR stelt dat de vraag is wat naar maatschappelijke opvattingen de redelijke
reikwijdte is van de aansprakelijkheid voor dieren. Deze vraag leidt echter tot een ander
antwoord.
HR: in vergelijking met het Hangmat-arrest zit hier een verschil in grondslagen en
verzekeringsaspecten, mede-bezitters van een dier kunnen elkaar niet aanspreken.
Zorgplicht werkgever: de werkgever is verplicht om een veilige werkomgeving te creëren
Bayar/Wijnen: vergaande schuldaansprakelijkheid
Pollemans/Hoondert: bijzonder eigen schuld-regime
2
, ONRECHTMATIGE DAAD EN SCHADEVERGOEDING
Wordt later besproken dus alleen ter illustratie
Eurosportief 2000/Wesselink (voorbeeld aansprakelijkheidsrecht): mevrouw gaat een skeeler-
cursus volgen, ze valt tijdens de cursus hard met haar hoofd op de grond. De overlijdt de
volgende dag wegens een bloeding in haar hoofd. Haar man verwijt de organisatie dat ze niet
voldoende voorzorgsmaatregelen hebben getroffen. Er lagen namelijk andere
beschermingsmiddelen als kniebeschermers allemaal vooraan. Degene die de cursus gaf zei dat
ze ook helmen hadden ‘maar dat de mensen die helmen wouden die daar achter konden gaan
pakken’, deze lagen uit het zicht. Veel mensen zouden dan denken: als helmen echt nodig
waren, zouden ze wel hier vooraan liggen.
Vaak wordt er pas over dingen besloten, als het kwaad al geschied is. Echter is schade
voorkomen beter dan schade vergoeden. Het is belangrijk om daadwerkelijk in te grijpen in plaats
van te herverdelen. Er moeten worden ingezet op de voorkoming van schade.
Het systeem van het aansprakelijkheidsrecht is een vergoedingssysteem. Mensen vorderen
vermogensschade, of bijvoorbeeld smartengeld. Het systeem heeft een aantrekkingskracht, want
veel benadeelden hopen het hier te vinden. Het vergoedingsniveau en vergoedingsvoorwaarden
zijn drempels, er moet namelijk gekeken worden naar bijvoorbeeld gebrek, oorzaak, afwezigheid
van eigen schuld. Er is steeds meer discussie en strijd tussen de benadeelde en de
aansprakelijke.
Kromjongh/Van Dijk: een pand wordt verkocht als bedrijfspand/hotel. De koper koopt het van de
notaris en verkoopt dit weer door aan een stichting, met 100.000 euro winst. Later blijkt dat er al
heel lang in strijd met de bestemming werd opgetreden, de vraag was dus of de notaris wel
voldoende zorgvuldig is geweest. Van notarissen mag een hoge mate van zorgvuldigheid worden
verwacht. De notaris stelt dat dit onderzoek nog nooit is gedaan. De HR stelt echter dat dat zo is,
niet betekent dat het niet onzorgvuldig is.
Mensen moeten geprikkeld worden om zorgvuldig te zijn.
Tussenbalans: in het aansprakelijkheidsrecht gaat het om meer dan alleen een vergoeding
Er is een claim nodig om de functie te vervullen
Van de wetgever wordt niet veel verwacht
HR is geen wetgever, maar vormt recht (met handicaps)
o HR is afhankelijk van een concreet geschil, afhankelijk van anderen voor
agendering en nooit alles is te overzien en voorzien
Er is een grillige rechtsontwikkeling, geen mooie rechte lijn
Er zijn primaire en secundaire daders
Het aansprakelijkheidsrecht is vooral gericht op de primaire dader: het AR is niet gericht
op de secundaire dader (zoals de staat of de politie), alleen primaire daders worden
geprikkeld door het AR
Relativiteitsvereiste vaak een hobbel, maar indien deze hobbel is genomen:
o Beleids- en beoordelingsvrijheid
o Terughoudende toetsing rechter
Het gaat om meer dan alleen een vergoedingssysteem, het gaat ook om de waarheid, erkenning
en prikkelwerking. Het AR heeft de nodige aantrekkingskracht, voor slachtoffers is er meer te
halen dan in andere systemen, maar omdat het AR veel te bieden heeft zijn er ook pittige
voorwaarden. Het systeem is altijd in beweging en de ontwikkeling verloopt grillig.
3
, ONRECHTMATIGE DAAD EN SCHADEVERGOEDING
Bijeenkomst 1: Hoofdlijnen van het aansprakelijkheidsrecht
Jurisprudentie:
HR 08-10-2010, NJ 2011/465 (Hangmat):
Een vrouw raakte zwaargewond toen een pilaar in de tuin, waaraan de hangmat bevestigd was,
afbrak en op haar viel. De pilaar bleek gebrekkig te zijn door scheurtjes, weersinvloeden, en het
open en dichtgaan van een poort. De vrouw liep onder meer een dwarslaesie op. Zij en haar
echtgenoot waren medebezitters van de woning en dus de pilaar. De vrouw stelde haar man
aansprakelijk op grond van artikel 6:174, dat de bezitter van een gebrekkige opstal aansprakelijk
stelt voor de veroorzaakte schade.
De centrale rechtsvraag was of een medebezitter van een gebrekkige opstal ook aansprakelijk
kan zijn jegens een andere medebezitter die door dat gebrek schade lijdt, of dat artikel 6:174
alleen bescherming biedt aan derden. Achmea stelde dat de vrouw geen beroep kon doen op dit
artikel, omdat zij zelf medebezitter was, en dat de geschonden norm dus niet strekte tot
bescherming van haar (artikel 6:163). De HR stelde dat het beschermingsbereik van artikel
6:174 zich ook uitstrekt tot medebezitters. De ratio van de bepaling is immers dat iemand die
schade lijdt door een gebrekkige opstal niet hoeft te bewijzen wie schuld heeft aan het gebrek,
deze bescherming geldt ook wanneer de benadeelde medebezitter is. De HR achtte het
maatschappelijk onredelijk dat een medebezitter die zelf slachtoffer is de volledige schade zou
moeten dragen, terwijl bij schade aan een derde de schade de schade onder de bezitters wordt
verdeeld. Daarom kan een medebezitter de andere medebezitter aanspreken op grond van
artikel 6:174, maar slechts voor zover het de schade betreft die overeenkomt met het aandeel
van die andere bezitter in de opstal. De benadeelde medebezitter draagt dus zelf het deel van de
schade dat overeenkomt met zijn of haar aandeel.In dit geval waren de vrouw en haar
echtgenoot ieder voor 50% eigenaar.
HR 29-01-2016, NJ 2016/173 (Imagine)
Een vrouw raakt gewond tijdens een paardrijles op de manege die zij samen met haar
echtgenoot exploiteert. Het paard Imagine dat eigendom is van het echtpaar loopt haar omver. Zij
vordert schadevergoeding van haar echtgenoot op grond van artikel 6:179 (aansprakelijkheid
voor dieren). De rechtbank legt de HR de volgende prejudiciële vraag voor: Vestigt artikel 6:179
ook risicoaansprakelijkheid jegens een benadeelde die medebezitter is van het dier?
De HR beantwoord de vraag ontkennend, artikel 6:179 vestigt geen risicoaansprakelijkheid
jegens een benadeelde medebezitter van een dier. De HR vergelijkt dit met het Hangmat-arrest,
hier vestigde artikel 6:174 wel aansprakelijkheid tussen medebezitters van een gebrekkige
opstal. Echter zijn er belangrijke verschillen. De ratio van artikel 6:174 is bescherming tegen
bewijsnood bij verborgen gebreken, bij artikel 6:179 is dat dieren een onberekenbaar eigen risico
hebben, dat gevaar is ook voor de medebezitter kenbaar. De HR vind het niet redelijk of
maatschappelijk wenselijk om medebezitters van dieren onderling aansprakelijk te maken.
Taak 1 ‘Ieder draagt zijn eigen schade’
Het privaatrecht bestaat uit:
Vermogensrecht
4