NATUUR EN TECHNIEK
HOOFDSTUK 1 BIOLOGISCHE EENHEDEN/PLANTEN
CELLEN PLANTEN
Celkern -> in de celkern zitten de chromosomen
Celmembraan -> is de buitenste rand van de cel. Het celmembraan regelt het transport van en naar de
cel
Celwand -> de celwand zorgt voor extra stevigheid.
Vacuole -> een blaasje dat is gevuld met water en opgeloste stoffen
Bladgroen korrels -> belangrijke rol bij fotosynthese. Ze kunnen ook tot kleurstofkorrel ontwikkelen denk
maar aan een tomaat.
FOTOSYNTHESE
H20 (water) + co2 (koolstofdioxide) + zon = glucose (c6h12o6) + o2 (zuurstof)
Fotosynthese komt voor in de bladgroenkorrels van de plant.
,MENSELIJKE CEL
Celkern -> in de celkern zitten de chromosomen
Cytoplasma -> vloeistof in cel met opgeloste stoffen
Celmembraan -> vliesje om cel die alles bij elkaar houdt
Celwand/kernmembraan -> vliesje die om de celkern zit
,HOOFDSTUK 2 DIEREN
2.1 INDELING VAN HET DIERENRIJK
De 4 rijken
Bacteriën
Planten
Schimmels
Dieren
Celwand? x x x
Celkern? x x x
Bladgroenkorrels? x
Eencellig? x x x x
Veel cellig? x x x
,
, Gewervelde dieren:
Kraakbeen- en beenvissen:
- Vb. haaien en roggen zijn kraakbeenvissen. Ze hebben een skelet van zacht, flexibel kraakbeen en
er is een serie kieuwspleten achter op hun kop.
- Vb. (de meeste andere vissen) stekelbaars hebben een skelet van hard beenmateriaal. Zij
behoren tot de beenvissen
Kenmerken van vissen zijn:
- Ze leggen eieren.
- Hun huid is overdekt met harde tandachtige schubben die aanvoelen als schuurpapier
(kraakbeenvissen), of met gladde, elkaar overlappende schubben, waarmee ze zich soepel door
het water kunnen bewegen (beenvissen).
- Ze zijn koudbloedig. Dit betekent dat de lichaamstempratuur wisselt met die van hun omgeving.
- Ze halen adem door middel van kieuwen.
Amfibieën: Vb. kikkers, padden en salamanders.
Kenmerken van amfibieën zijn:
- Ze leggen eieren.
- Ze hebben een dunne, wat slijmerige huid. Ze hebben een vochtige omgeving nodig om niet uit te
drogen. De dunne huid staat ook huidademhaling toe.
- Ze zijn koudbloedig.
- Volwassen dieren hebben longen. Jongen de eerste levensdagen kieuwen.
Reptielen: Vb. hagedissen, schildpadden, slangen en ook de (pootloze) hazelworm.
Kenmerken van reptielen zijn:
- Ze leggen eieren. Hun eieren hebben een taaie hoornachtige schaal die ervoor zorgt dat ze niet
uitdrogen.
- Hun huid is bezet met hoornschubben, die een taaie beschermende laag vormen.
- Ze zijn koudbloedig. Ze nestelen vaak op een warme plek in de felle zon om energie op te doen.
- Ze hebben longen.
- Ze kennen geen onderscheid tussen tanden en kiezen. Ze zijn gelijk.
Vogels: Vb. de kip, pinguïn.
Kenmerken van vogels zijn:
- Ze leggen eieren. Hun eieren hebben een kalkschaal die beschermt tegen uitdroging maar die
lucht gewoon doorlaat.
- Ze hebben een verenkleed en vleugels.
- Hun lichaamstempratuur is constant en ze zijn daarmee warmbloedig.
- Ze hebben longen.
- Ze hebben een lichte snavel in plaats van een ‘bek vol tanden’.