BML JAAR 1 BLOK 2
Theorie
,Inhoud
Week 1.......................................................................................................................................2
H40.1.................................................................................................................................2
H35.1 t/m 35.4 + figuur 30.1.............................................................................................6
Aantekeningen.....................................................................................................................19
Week 2.....................................................................................................................................21
H7.2 t/m 7.7 + H27.1.......................................................................................................21
Eukaryoten cellen............................................................................................................21
Prokaryoten cellen...........................................................................................................31
Week 3.....................................................................................................................................35
H36.1 + H37.1-37.3.........................................................................................................35
H40.4 + H42.1 t/m 42.4...................................................................................................42
Week 4.....................................................................................................................................54
H36.2 t/m 36.5.................................................................................................................54
H43.1...............................................................................................................................61
Week 5.....................................................................................................................................64
H39..................................................................................................................................64
H41..................................................................................................................................80
H42.5...............................................................................................................................88
Handige tabellen......................................................................................................................91
Endomembraansysteem van eukaryoten cellen...................................................................91
Structuur van cytoskelet......................................................................................................92
, Week 1
H40.1
- Verschillende, niet-verwante dieren (zoals tonijn, zeehond en pinguïn) hebben
dezelfde vorm ontwikkeld: convergente evolutie.
Epitheel weefsel
- Gelaagd plaveiselepitheel
o Bestaat uit meerdere lagen cellen.
o Vernieuwt zich snel.
o Beschermt tegen slijtage.
o Komt voor in huid, mondholte, anus en vagina.
- Kubisch epitheel (cuboidal)
o Dobbelsteenvormige cellen.
o Gespecialiseerd in secretie (afgifte van stoffen).
o Te vinden in niertubuli en klieren (zoals schildklier en speekselklieren).
- Eenvoudig cilindrisch epitheel (simple columnar)
o Hoge, rechthoekige cellen.
o Belangrijk bij secretie en opname.
o Bekleedt de darmen.
- Eenvoudig plaveiselepitheel (simple squamous)
o Eén laag platte cellen.
o Vergemakkelijkt diffusie (uitwisseling van gassen en stoffen).
o Te vinden in bloedvaten en longblaasjes.
- Pseudogelaagd cilindrisch epitheel
o Lijkt gelaagd, maar heeft één cellaag met cellen van verschillende hoogte.
o Vaak trilhaardragend.
o Bekleedt de luchtwegen en verplaatst slijm.
- Epitheelcellen hebben twee verschillende zijden:
o Apicale zijde: gericht naar buiten of naar het lumen; kan microvilli of trilharen
bevatten.
o Basale zijde: verbonden met weefsels eronder (basale membraan).
Bindweefsel
- Bindweefsel bestaat uit cellen verspreid in een extracellulaire matrix (vloeibaar,
geleiachtig of stevig).
- De matrix bevat vezels en een grondsubstantie (tussenstof).
- Fibroblasten maken vezels; macrofagen ruimen afval en ziekteverwekkers op.
- Er zijn drie soorten vezels:
, o Collagene vezels: sterk en flexibel.
o Reticulaire vezels: verbinden weefsels met elkaar.
o Elastische vezels: maken weefsels rekbaar en veerkrachtig.
Soorten
- Losmazig bindweefsel (Loose connective tissue)
o Meest voorkomend.
o Verbindt epitheel aan onderliggende weefsels.
o Houdt organen op hun plaats.
o Komt voor in de huid en overal in het lichaam.
- Vezelig bindweefsel (Fibrous connective tissue)
o Bevat veel collagene vezels.
o Vind je in pezen (verbinden spieren met botten) en banden/ligamenten
(verbinden botten met botten).
- Vetweefsel (Adipose tissue)
o Gespecialiseerd losmazig bindweefsel.
o Bestaat uit vetcellen (adipocyten) met grote vetdruppels.
o Functies:
Opslag van energie.
Isolatie tegen kou.
Bescherming van organen.
- Kraakbeen (Cartilage)
o Matrix bevat collageenvezels in een rubberige stof (chondroïtinesulfaat).
o Cellen heten chondrocyten.
o Geeft sterke maar flexibele steun.
o Komt o.a. voor tussen wervels en aan de uiteinden van botten.
- Bot (Bone)
o Verstevigd bindweefsel.
o Botcellen (osteocyten) leggen collageen en mineralen (o.a. calcium, fosfaat)
neer.
o Bot is georganiseerd in cilindervormige structuren (osteonen).
o Functie: structuur, bescherming, beweging mogelijk maken.
- Bloed (Blood)
o Heeft een vloeibare matrix: plasma.
o Bevat:
Rode bloedcellen (erytrocyten): transporteren zuurstof.
Witte bloedcellen (leukocyten): afweer.
Theorie
,Inhoud
Week 1.......................................................................................................................................2
H40.1.................................................................................................................................2
H35.1 t/m 35.4 + figuur 30.1.............................................................................................6
Aantekeningen.....................................................................................................................19
Week 2.....................................................................................................................................21
H7.2 t/m 7.7 + H27.1.......................................................................................................21
Eukaryoten cellen............................................................................................................21
Prokaryoten cellen...........................................................................................................31
Week 3.....................................................................................................................................35
H36.1 + H37.1-37.3.........................................................................................................35
H40.4 + H42.1 t/m 42.4...................................................................................................42
Week 4.....................................................................................................................................54
H36.2 t/m 36.5.................................................................................................................54
H43.1...............................................................................................................................61
Week 5.....................................................................................................................................64
H39..................................................................................................................................64
H41..................................................................................................................................80
H42.5...............................................................................................................................88
Handige tabellen......................................................................................................................91
Endomembraansysteem van eukaryoten cellen...................................................................91
Structuur van cytoskelet......................................................................................................92
, Week 1
H40.1
- Verschillende, niet-verwante dieren (zoals tonijn, zeehond en pinguïn) hebben
dezelfde vorm ontwikkeld: convergente evolutie.
Epitheel weefsel
- Gelaagd plaveiselepitheel
o Bestaat uit meerdere lagen cellen.
o Vernieuwt zich snel.
o Beschermt tegen slijtage.
o Komt voor in huid, mondholte, anus en vagina.
- Kubisch epitheel (cuboidal)
o Dobbelsteenvormige cellen.
o Gespecialiseerd in secretie (afgifte van stoffen).
o Te vinden in niertubuli en klieren (zoals schildklier en speekselklieren).
- Eenvoudig cilindrisch epitheel (simple columnar)
o Hoge, rechthoekige cellen.
o Belangrijk bij secretie en opname.
o Bekleedt de darmen.
- Eenvoudig plaveiselepitheel (simple squamous)
o Eén laag platte cellen.
o Vergemakkelijkt diffusie (uitwisseling van gassen en stoffen).
o Te vinden in bloedvaten en longblaasjes.
- Pseudogelaagd cilindrisch epitheel
o Lijkt gelaagd, maar heeft één cellaag met cellen van verschillende hoogte.
o Vaak trilhaardragend.
o Bekleedt de luchtwegen en verplaatst slijm.
- Epitheelcellen hebben twee verschillende zijden:
o Apicale zijde: gericht naar buiten of naar het lumen; kan microvilli of trilharen
bevatten.
o Basale zijde: verbonden met weefsels eronder (basale membraan).
Bindweefsel
- Bindweefsel bestaat uit cellen verspreid in een extracellulaire matrix (vloeibaar,
geleiachtig of stevig).
- De matrix bevat vezels en een grondsubstantie (tussenstof).
- Fibroblasten maken vezels; macrofagen ruimen afval en ziekteverwekkers op.
- Er zijn drie soorten vezels:
, o Collagene vezels: sterk en flexibel.
o Reticulaire vezels: verbinden weefsels met elkaar.
o Elastische vezels: maken weefsels rekbaar en veerkrachtig.
Soorten
- Losmazig bindweefsel (Loose connective tissue)
o Meest voorkomend.
o Verbindt epitheel aan onderliggende weefsels.
o Houdt organen op hun plaats.
o Komt voor in de huid en overal in het lichaam.
- Vezelig bindweefsel (Fibrous connective tissue)
o Bevat veel collagene vezels.
o Vind je in pezen (verbinden spieren met botten) en banden/ligamenten
(verbinden botten met botten).
- Vetweefsel (Adipose tissue)
o Gespecialiseerd losmazig bindweefsel.
o Bestaat uit vetcellen (adipocyten) met grote vetdruppels.
o Functies:
Opslag van energie.
Isolatie tegen kou.
Bescherming van organen.
- Kraakbeen (Cartilage)
o Matrix bevat collageenvezels in een rubberige stof (chondroïtinesulfaat).
o Cellen heten chondrocyten.
o Geeft sterke maar flexibele steun.
o Komt o.a. voor tussen wervels en aan de uiteinden van botten.
- Bot (Bone)
o Verstevigd bindweefsel.
o Botcellen (osteocyten) leggen collageen en mineralen (o.a. calcium, fosfaat)
neer.
o Bot is georganiseerd in cilindervormige structuren (osteonen).
o Functie: structuur, bescherming, beweging mogelijk maken.
- Bloed (Blood)
o Heeft een vloeibare matrix: plasma.
o Bevat:
Rode bloedcellen (erytrocyten): transporteren zuurstof.
Witte bloedcellen (leukocyten): afweer.