A.1.1. Basisbegrippen
A.1.1.1 … beschrijft de begrippen uit de jaarrekening: balans en resultatenrekening
(winst-en-verliesrekening). (K)
De balans toont de bezittingen en financiering van een onderneming op een bepaald moment. De
resultatenrekening (winst-en-verliesrekening) laat zien of er winst of verlies is gemaakt over een
periode.
A.1.1.2 … benoemt de indeling van een balans in vaste activa en vlottende activa aan de debetzijde
en eigen en vreemd vermogen (passiva) aan de creditzijde. (K)
De debetzijde van de balans bevat vaste activa (langdurig in bezit) en vlottende activa (korte termijn).
De creditzijde bevat eigen vermogen (eigendom van de onderneming) en vreemd vermogen
(schulden).
A.1.1.3 … beschrijft de begrippen totale bezittingen en totaal vermogen. (K)
Totale bezittingen zijn de som van alle activa.
Totaal vermogen bestaat uit eigen en vreemd vermogen samen.
A.1.1.4 … beschrijft het verschil tussen vaste en vlottende activa. (K)
Vaste activa zijn lange termijn bezittingen (gebouwen, machines). Vlottende activa zijn snel om te
zetten in geld (voorraden, debiteuren).
A.1.1.5 … stelt van gegeven balansposten vast of deze tot de vaste of de vlottende activa behoren.
(B) bijv. Vaste activa: gebouwen, machines. Vlottende activa: kasgeld, debiteuren, voorraad.
A.1.1.6 … beschrijft het verschil tussen materiële, immateriële en financiële vaste activa. (K)
-Materiële vaste activa: tastbare bezittingen (gebouwen, voertuigen).
-Immateriële vaste activa: niet-fysieke bezittingen (octrooien, goodwill).
-Financiële vaste activa: deelnemingen en leningen aan andere bedrijven.
A.1.1.7 … stelt van gegeven balansposten vast of deze tot de materiële, immateriële of financiële
activa behoren. (B) Materieel: gebouwen. Immaterieel: merknaam. Financieel: aandelen in andere
bedrijven.
A.1.1.8 … beschrijft het begrip transitorische (overlopende) posten. (K)
Transitorische posten zijn overlopende posten: vooruitbetaalde of nog te ontvangen bedragen die
over meerdere periodes lopen.
A.1.1.9 … stelt aan de hand van een casus vast of een transitorische post tot de activa of de passiva
behoort. (B)
- Activa: vooruitbetaalde kosten (bijv. huur vooruit).
- Passiva: nog te betalen kosten (bijv. te betalen rente).
A.1.1.10 … beschrijft het begrip garantievermogen. (K)
Garantievermogen is het buffervermogen om financiële tegenvallers op te vangen.
A.1.1.11 … benoemt welke posten tot het garantievermogen behoren. (K)
Garantievermogen omvat eigen vermogen en langlopende achtergestelde leningen.
, A.1.1.12 … stelt aan de hand van een balans de omvang van het garantievermogen vast. (B)
Garantievermogen = eigen vermogen + achtergestelde leningen.
A.1.1.13 … beschrijft het begrip eigen vermogen. (K)
Eigen vermogen is het deel van de financiering dat toebehoort aan de eigenaar of aandeelhouders.
A.1.1.14 … beschrijft de functies van het eigen vermogen. (K)
-Financiering: investering in activa.
-Risico-opvang: buffer bij verliezen.
-Kredietwaardigheid: versterkt financiële positie.
A.1.2. De verschillen tussen het eigen vermogen en het vreemd vermogen
A.1.2.1 … beschrijft het verschil tussen eigen (permanent) vermogen en vreemd (tijdelijk)
vermogen. (K)
-Eigen vermogen is permanent en blijft in de onderneming (kapitaal, reserves, winst).
-Vreemd vermogen is tijdelijk en moet worden terugbetaald (leningen, crediteuren).
A.1.2.2 … stelt van gegeven balansposten vast of deze tot het eigen (permanent) vermogen of tot
het vreemd (tijdelijk) vermogen behoren. (B)
-Eigen vermogen: geplaatst aandelenkapitaal, reserves, winst.
-Vreemd vermogen: bankleningen, crediteuren, obligaties.