Begin van de wetenschappelijke psychologie
● Wilhelm Wundt stichtte in 1879 een psychologisch laboratorium in
Leipzig.
● Eerste onderzoek van waarnemen. (vb. prikkel grens, prikkel
onderscheiding, geheugen).
● William James stichtte in de VS het eerste psychologische instituut aan
de universiteit van Princeton.
● Onderzoek naar o.a. religieuze ervaringen.
- Psychologie en pedagogiek zijn empirische wetenschappen.
Voorbeeld empirische wetenschap (agressietheorie)
● De psycholoog observeert en beschrijft agressief gedrag.
● Zij bedenkt een theorie die de waarnemingen zou kunnen verklaren. (vb.
agressie komt door frustratie).
● Door een experiment kijkt ze of dat klopt: Vb, ‘Worden mensen agressief
als je ze frustreert?’
- Psychologische wetten zijn waarschijnlijkheden, geen zekerheden.
- Mensen zijn geen automaten: een individu kan (bijna) altijd afwijken van wat je
verwacht.
De psychologische stromingen (perspectieven) → blz 32. boek:
Behavioristisch perspectief (1900)
● Watson ~ De psychologie moet wetenschappelijker worden.
● Alleen gedrag dat waarneembaar/meetbaar is en waarmee je
experimenten kunt doen is relevant.
● Doel van de psychologie is het toepassen van psychologische kennis om
gedrag te beïnvloeden.
● Gedrag van mensen wordt vooral bepaald door leerprocessen
(conditionering).
● Conditionering in opvoeding (vb: kind zeurt en krijgt uiteindelijk zijn zin).
● Denk aan hond en test met de brug.
Psychodynamisch (analytisch) perspectief (1910)
● Grondlegger: Sigmund Freud, 1856-1939.
● Gedrag wordt sterk bepaald door het onbewuste.
● In dat onbewuste zitten aangeboren driften en verdrongen ervaringen.
● De eerste 5 levensjaar zijn bepalend voor de ontwikkeling van je
persoonlijkheid.
● De persoonlijkheid is opgebouwd uit:
1. Onbewuste (ld): aangeboren driften.
2. Bewuste (Ego): gezond verstand.
, 3. Geweten (Superego): driften worden in toom gehouden.
Gestalts perspectief (1930)
● Grondlegger: Max Wertheimer (1880-1943).
● Een gestalt = een geheel.
● We nemen geen aparte onderdelen, maar gehelen waar (we zien zelfs
gehelen als die er helemaal niet zijn).
● Ook ons gedrag wordt beïnvloed door de neiging gestalten te zien en
zelf te scheppen, we willen ons leven als een geheel voelen.
● Denk aan gezichten van Jip en Janneke of filmpje van Mickey Mouse.
Systeemperspectief (1955)
● De kracht van de situatie: sociale en culturele invloeden hebben vaak
meer invloed op ons gedrag dan onze persoonlijkheid.
● Richt zich op: sociale invloeden op gedrag en mentale processen, hoe
individuen functioneren in een groep en culturele verschillen.
Humanistische perspectief (1970)
● Abraham Maslow ~ de theorie van de fundamentele (basis) behoeften:
voorwaarden voor ontplooiing.
● Carl Rogers ~ cliëntgerichte therapie door vooral actief te luisteren.
● Behavioristen deden veel onderzoeken met dieren en het typische
menselijke verdween uit beeld: bewustzijn, vrije wil, liefde, vriendschap,
empathie, ontplooiing…
● De focus werd het unieke menselijke en hoe mensen zich kunnen
ontplooien en ontwikkelen tot gezonde individuen.
Cognitieve perspectief (1990)
● Aaron Beck (1921) en Albert Ellis (1913-2007).
● Gedrag wordt sterk bepaald door hoe we met informatie omgaan → dus
door cognitie.
● De mens is een informatieverwerkend wezen.
● Dus de studie van ‘wat er in je hoofd gebeurd’ en wat je dus niet direct
kunt waarnemen of meten.
Neurofysiologisch (biologisch) perspectief (2010)
● Gedrag wordt veroorzaakt door onze genen, hersenen en hormonen.
● In de hersenen zit de echte bron van gedrag.
● Phineas Gage → ijzeren staaf door zijn hoofd, totaal andere persoon.
● Neurowetenschap → op scans kunnen we zien welke delen van de
hersenen wanneer actief zijn.
, Les 2 Emoties en empathie
- De hoofdemoties zijn: blijdschap, bedroefd, boosheid en bang.
Nico Frijda
- Nico Frijda zegt: ‘Er zijn 4 componenten van emotie’.
● Fysiologische arousal → lichamelijke actie wat anderen niet zien (vb:
zweten).
● Cognitieve interpretatie → je gedachten over een situatie.
● Subjectieve gevoelens → je persoonlijke beleving.
● Gedragsmatige expressie → lichamelijke actie wat anderen wel zien (vb:
slaan).
Maar welk van deze componenten vormt nu eigenlijk het startpunt van de
emotie? Hier zijn 3 theorieën over:
1. James-Lange theorie: stimulus → fysiologische arousal → emotie.
2. Cannon-Bard theorie: ‘er zijn redenen voor je emoties’, stimulus → cognitieve
interpretatie → emotie + fysiologische arousal.
3. Twee factor theorie: afhankelijke factor + stimulus → fysiologische arousal +
cognitieve interpretatie → emotie.
Voorbeelden:
1. James-Lange: je ziet een hond grommen → je hart gaat sneller + je trilt →
daardoor voel je angst.
2. Cannon-Bard: je ziet een hond grommen → je voelt angst + je hart gaat
sneller.
3. Twee factor: een groep mannen en vrouwen loopt over een wiebelige brug →
hun hart gaat sneller, maar tegelijkertijd staat er een knappe vrouw op het
einde die zegt: ‘bel me als je nog eens een test wilt doen’. Resultaat: de meeste
mannen bellen terug, omdat ze het kloppen van hun hart associëren met de
knappe vrouw en niet met de wiebelige brug.
- Het woord: ‘emotie’ is afgeleid van movere (bewegen).
- Emoties zijn gemoedsbewegingen, maar brengen ons ook in beweging, ze
hebben een functie.
- Nico Frijda (1988): ‘Emoties zijn signalen die aangeven dat iets belangrijk voor
ons is’.
Primaire emoties (Frijda 1988)
- Primaire emoties: worden automatisch door prikkels uit de buitenwereld
opgeroepen (vb: blijdschap, verdriet, angst, boosheid, afkeer en verrassing).
● Ontstaan onbewust.
● De amygdala en door hypothalamus geproduceerde endocriene en
neurochemische reacties.