Strafrechtelijke aansprakelijkheid in de voorfase: de voorbereiding
Opdracht 1
(Vragen bij P.H.P.H.M.C. van Kempen, ‘Van overcriminalisering naar een
strafwaardigheidsbeginsel. Over onder meer doxing, seksuele misdrijven, euthanasie en
verbodenbezitsdelicten’)
a) Welke verschillende vormen van overinclusiviteit worden door Van Kempen
in het artikel besproken?
1. Niet-strafwaardige gedragingen vallen binnen het bereik van een strafbepaling
2. Niet voldoende duidelijk welke gedragingen onder een strafbepaling vallen,
waardoor de strafbaarstelling personen ook van de uitoefening van niet-
strafwaardige gedragingen weerhoudt, omdat zij menen dat er een risico op
vervolging bestaat → chilling effect op buiten de strafbaarstelling vallende
gedragingen, waardoor de strafbaarstelling een overinclusieve invloed krijgt.
3. Overcriminaliteit manifesteert zich in unfair labelling. Dit betekent dat een
gedraging onder een strafbaarstelling strafbaar is, terwijl die gedraging van
minder strafwaardige aard is dan het type verschijnsel waartegen de
strafbaarstelling zich bedoelt te richten.
b) Van Kempen bespreekt in zijn artikel de veronderstelling dat het strafrecht
beperkt dient te zijn tot strafwaardige gedragingen. Welke argumenten zijn
daarvoor in de tekst terug te vinden? Arceer deze en noteer in eigen woorden
wat de kern is van elk van de argumenten.
1. Inherente beperking tot gedragingen die moreel verkeerd en schadelijk zijn
(ethisch-logisch argument) → De aard van het strafrecht brengt met zich mee
dat het zich moet beperken tot handelingen die intrinsiek (materieel)
strafwaardig zijn. Omdat het strafrecht een veroordelend en bestraffend
karakter heeft, mogen veroordeling en bestraffing alleen worden toegepast op
gedragingen die moreel verkeerd en schadelijk zijn.
2. Bescherming van vrijheid → Strafbaarstellingen beperken de
gedragingsvrijheid van personen. Vanwege de intensiteit van deze beperking is
een zwaardere rechtvaardiging vereist voor criminalisering, en die
rechtvaardigheid wordt gevonden in de strafwaardigheid van de gedraging.
3. Expressieve betekenis strafrecht → Door een gedraging strafbaar te stellen,
benadrukt de wetgever impliciet de bijzondere onrechtmatigheid ervan jegens
de maatschappij. Als het strafrecht gedragingen als strafwaardig (moreel
verkeerd en schadelijk) portretteert terwijl ze dat niet zijn, positioneert het
zich onwaarachtig. Overcriminalisering van niet-strafwaardig gedrag kan de
legitimiteit van het strafrecht aantasten en tevens bijdragen aan een
vermindering van de afschrikkende werking ervan.
,c) Waarom meent Van Kempen dat geen sprake is van (een absoluut)
strafwaardigheidsvereiste maar van een strafwaardigheidsbeginsel?
Beperking van het materiële strafrecht tot strafwaardige gedragingen is van
fundamenteel belang, maar tegelijkertijd kan het niet als absoluut vereiste gelden
nu overinclusiviteit van delictsomschrijvingen niet geheel te vermijden is en er
bovendien zwaarwegende redenen kunnen zijn om voor enigszins overinclusieve
bepalingen te kiezen.
d) De zogenoemde gevaarzettingsdelicten en voorfasestrafbaarstellingen
vormen volgens Van Kempen categorieën waarbij het materiële strafrecht te
ruime criminalisering niet zonder meer compenseert. Geef in eigen woorden
aan wat volgens u problematisch is aan gevaarzettingsdelicten en
voorfasestrafbaarstellingen.
Gevaarzettingsdelicten → De bepalingen zijn zo ruim dat ze situaties omvatten
waarbij geheel geen begin van verwezenlijking van het gevaar is. Met name bij
abstracte gevaarzettingsdelicten hoeft het gevaar zich in het geheel niet te
hebben voorgedaan. Dit betekent dat de wet gedragingen omsluit die door de
wijze waarop de dader handelt niet bijzonder risicovol zijn, maar toch strafbaar
zijn op basis van het abstracte verbod.
Voorfasestrafbaarstellingen → De voorbereidende gedragingen zelf hoeven op
zichzelf bezien niet strafwaardig te zijn en veroorzaken geen concrete
gevaarzetting. De strafwaardigheid van voorbereidende handelingen wordt vaak
gerechtvaardigd door de criminele intentie. Echter, als de rechter het
intentievereiste te gemakkelijk of te oppervlakkig invult, of te veel afgaat op
indirect bewijs, kan iemand aansprakelijk worden gesteld terwijl er feitelijk nooit
een volwaardige intentie bestond om het misdrijf te plegen.
e) Welke redenen / overwegingen voor strafbaarstelling van niet-strafwaardige
gedragingen bespreekt Van Kempen? Welke reden / overweging overtuigt u
het meest en waarom?
1) Onvolkomenheid van taal en voorkomen van ondercriminalisering
2) Duurzaamheid en flexibiliteit → Handig voor digitale ontwikkelingen
3) Ruimte voor de rechter
4) Effectiviteit, preventieve werking en duidelijkheid
5) Doelmatigheid en efficiëntie in de rechtspleging
6) Vermijden van secundaire victimisatie
7) Bewijsproblemen
8) Politieke overwegingen → Signaal afgeven van ‘goed optreden’
,Opdracht 2
(Vragen bij S.S. Buisman, De criteria voor strafbaarstelling)
a) Waarom zijn (duidelijke en transparante) criteria voor strafbaarstelling juist
in het huidige wetgevingsklimaat van belang?
In het huidige wetgevingsklimaat staat de afgelopen jaren het veiligheidsdenken
of de risicosamenleving centraal. De zoektocht naar veiligheid en het uitsluiten
van risico’s gaat vaak gepaard met de inzet van meer strafrecht. Hierdoor lijkt het
beginsel dat strafrecht een ultimum remedium (laatste redmiddel) moet zijn,
naar de achtergrond te zijn verschoven.
De gevolgen van deze ontwikkeling zijn dat:
• Steeds meer gedragingen strafbaar worden gesteld, en de mogelijkheden
voor strafrechtelijke opsporing steeds verder uitbreiden door de uitdijing
van het materiële strafrecht.
• Een gedegen afweging van belangen vaak ontbreekt bij de beslissing tot
strafbaarstelling. Beslissingen worden regelmatig gedreven door ‘politiek
opportunisme en geïnspireerd door populisme’.
Criteria voor strafbaarstelling zijn in dit klimaat essentieel omdat zij:
1. Een argumentatiekader bieden
2. Kwaliteit en inzicht verbeteren
3. Legitimatie ondersteunen
b) Buisman stipt aan dat bij strafbaarstelling van gedrag ook in een voorstadium
strafrechtelijk kan worden ingegrepen, zonder dat daadwerkelijk schade is
veroorzaakt. Zoek de betreffende relevante strafbepalingen op in uw
wetboek en bestudeer deze.
Strafbare poging (art. 45 Sr) en strafbare voorbereiding (art. 46 Sr)
, c) Buisman werpt in haar artikel de vraag op of, gelet op de huidige
maatschappelijke ontwikkelingen in het bijzonder ten aanzien van het
strafrecht, het beginsel van ultima ratio ook in de toekomst een leidend
criterium zal blijven. Arceer in de tekst de betekenis van dit beginsel;
waarom werpt Buisman die vraag op?
Dit beginsel schrijft voor dat het strafrecht subsidiaire bescherming moet bieden (het
subsidiaire karakter van het strafrecht) ten aanzien van een beperkt aantal
rechtsgoederen (gefragmenteerde karakter van het strafrecht). De inzet van het
strafrecht kan immers verregaande gevolgen hebben voor de burger, en moet daarom
enkel worden ingezet indien andere - minder ingrijpende – middelen, zoals het
bestuursrecht of het civiele recht, geen adequate bescherming kunnen bieden tegen het
onrechtmatige en schadelijke gedrag.
Buisman werkt de vraag op of het beginsel van ultima ratio in de toekomst een leidend
criterium zal blijven, vanwege de huidige maatschappelijke ontwikkelingen en specifieke
druk op het strafrecht.
Ultimum remedium → Optimum remedium
Opdracht 3
(Vragen bij P.H.P.H.M.C. van Kempen, ‘Van overcriminalisering naar een
strafwaardigheidsbeginsel. Over onder meer doxing, seksuele misdrijven, euthanasie en
verbodenbezitsdelicten’ en S.S. Buisman, De criteria voor strafbaarstelling)
Zowel Van Kempen als Buisman gaan in hun artikel in op de verhouding tussen
strafbaarstelling van gedragingen en het legaliteitsbeginsel. Hoe verhouden deze
zich tot elkaar?
Zowel Van Kempen als Buisman beschouwen het legaliteitsbeginsel als een
fundamentele voorwaarde die de formulering, reikwijdte en toepassing van
strafbaarstellingen in een rechtsstaat stuurt. Hoewel hun focus en positionering binnen
het wetgevingsproces verschillen, onderstrepen beiden de eis van duidelijkheid en
voorzienbaarheid (voor de burger) bij de strafbaarstelling van gedragingen.
Hun invalshoeken op de relatie tussen strafbaarstelling en legaliteit verschillen in focus:
- Buisman plaatst legaliteit als een van de criteria voor de formulering van de
strafbaarstelling. De nadruk ligt op het lex certa-beginsel.
- Van Kempen benadert legaliteit vanuit de strijd tegen overcriminalisering (te
ruime strafbaarstellingen, die ook niet-strafwaardige gedragingen omvatten).
Oftewel, Buisman richt zich op legaliteit als positieve eis voor de wetgever om de
strafbaarstelling helder te definiëren, terwijl Van Kempen zich richt op legaliteit als een
begrenzing om te ruime normen te voorkomen en een voorzienbare en consistente
toepassing te waarborgen in de praktijk.