HC-2 Bloedvaten
-Belangrijk is het constant houden van extra- en intracellulair milieu. Bloed is
extracellulair en bevat volgende factoren: O2, CO2, pH en temperatuur
Functie bloedvaten
Aanvoer en afvoer van O2, CO2, voedingsstoffen en warmte
Omzetten pulsatiele flow naar een continue flow
Opslagplaats bloed(reserve)
Regulatie van weefseldoorbloeding:
Autoregulatie(myogeen, metabool bv K, adenosine) door veranderende
druk die lokaal aanwezig is in bloedvat. Meer druk meer bloedstroom
Endotheelfactoren(EDRF,EDCF)
Sympathisch zenuwstelsel(noradrenaline)
Hormonen(adrenaline)
Factoren bloedstroom:
Drukverschil ∆P, bloedstroom ∞ ɑ ∆P
Weerstand R, bloedstroom ∞ ß 1/R
o Vaatdiameter(straal r)
o Lengte van vat(L)
o Viscositeit van bloed(n)
Factoren doorstroming capillair netwerk
, Aanvoer(afhankelijk van bloedvolume/CO)
Hoeveelheid capillairen
Tonus weerstandsvaten en precapillaire sfincters
Voorkeurskanalen
Interstitiële hydrostatische druk
Aterioveneuze anastomosen
-Capillaire bloedvaten hebben enorm groot oppervlakte, waardoor
stroomsnelheid van het bloed afneemt en er veel contacttijd is
Factoren hoogte bloeddruk(mmHg): druk die op slagaders komt te staan als
bloed rondgepompt wordt
Hoeveelheid bloed in arteriën/bloedvolume
Weerstand
Rekbaarheid van arteriën
Polsdruk = systolische druk(bovendruk) - diastolische druk(onderdruk)
MAP = diastolische bloeddruk + 1/3 polsdruk
MAP = CO(cardiac output) x perifere weerstand
Cardiac output: hoeveelheid die instroomt, is wat het hart
uitpompt, is hartfrequentie x slagvolume
Precapillaire sfincter: spiercellen die bloedvaten kunnen afsluiten, controle op
doorstroming
Windketeleffect aorta: kracht waarmee bloed in circulatie wordt geslingerd
wordt verminderd door elasticiteit(stijfheid) van wand van de aorta, ontstaan
constante bloedstroom(continue flow)
Dynamische compliantie: richtingscoëfficiënt van grafiek die verband tussen
volume en druk beschrijft = dV/dP
Statische compliantie: verhouding tussen het volume bij die druk en de druk
zelf op één moment vanuit nulpunt gezien = V/P
Compliantie: rekbaarheid, meegaandheid(hoog bij aorta).
Des te hoger de compliantie is des te soepele/rekbaarder het vat. Des te
lager, des te stijver het vat.
C venen = 19 x C arteriën, door de dunne wand
Bij hogere waarden van de druk gaat het collageen in de vaatwand de
eigenschappen van het elastine domineren.
, Bij het ouder worden neemt het ‘lege’ volume V0 toe, blijft statische
compliantie gelijk en neemt de dynamische compliantie af
Wet van Laplace T = P x r
Bij bloedvaten met verschillende diameters en dezelfde overdruk, wordt
de wandspanning groter naarmate r groter is.
Bij drukverhoging zet bloedvat elastisch uit, waarbij wandspanning
toeneemt
Bij P moet de transmurale druk worden ingevuld
Capillairwet van Starling
Bepaalt of bloed/water wordt afgegeven of opgenomen door filtratie
Π is de oncotische druk oftewel colloïde-osmotische druk ten gevolge
van plasma eiwitten(albumine, globuline), wateraantrekkend vermogen.
Laag in discontinue capillair(lever), en hoog in continue
capillair(hersenen).
Positieve hydrostatische druk leidt tot uitstroom van water uit het lumen
Positieve oncotische druk leidt tot instroom van water in het lumen
Netto filtratiedruk is positief aan arteriole einde, en negatief aan zijde
van de venen
Net filtration pressure = capillary hydrostatic pressure + colloid osmotic
pressure (positief = filtratie, negatief = absorptie)
Lymfevaten: onderdeel veneuze bloedsomloop dat vocht(verschil tussen
filtratie en absorptie) terugvoert naar de circulatie, hierdoor blijft de aanwezige
interstitiële vloeistof constant(oedeem=interstitiële volumevergroting)
Ductus thoracicus: verzamelvat van benen, abdoma, linker thoraxhelft en
linkerarm, mondt uit in v. jugularis interna
Truncus lymphaticus dexter: verzamelvat hoofd, rechterarm,
rechterthoraxhelft, mondt uit in v. brachiocephalica dexter
Osmose: proces op basis van diffusie waarbij vloeistof(waarin stoffen zijn
opgelost) door semipermeabele wand stroomt, stroomrichting is van hoge naar
een lage concentratie vloeistof
,Factoren terugstromen bloed naar hart in venen:
Ademhaling, tijdens inademing daalt de druk in de halsader en stijgt de
druk in de v. femoralis
Venoconstrict(samentrekken venen)
Spierpomp(kleppen, geen terugstroom), beweging zorgt voor afname
druk in diepe aders voet. Elke spiercontractie knijpt de aderen leeg en
stuurt bloed naar het hart.
Onderzoek naar bloedvaten:
Inspectie
Palpatie en auscultatie
ECHO(-doppler)
Contrast zoals angiografie, MRI
Bloedafname
Therapie: toediening vocht/medicatie of ballondilatatie(dotter)
Auscultatie hart
-In een normale situatie hoor je twee
harttonen.
-Eerste harttoon wordt veroorzaakt door
het sluiten van mitralisklep en
tricuspidalisklep, best te beluisteren aan
hartpunt
-Tweede harttoon wordt veroorzaakt
door het sluiten van de aortaklep en
pulmonalisklep.
-Systolische fase: tussen eerste en tweede
harttoon(sluiting mitralis-sluiting
aortaklep)
-Diastole fase: na de tweede harttoon
Bloeddrukmeting
Bovenarmrechts, ontspannen
patiënt, niet praten, geen lawaai in
omgeving. Stand bovenarm ter
hoogte van het hart.
1e meting palpatoir systolisch
Diafragma stethoscoop boven arterie
, Systole is korotkoff 1 oftewel het begin van vaattonen, diastole is
korotkoff 5 oftewel het verdwijnen ervan
Ziekten van slagaders:
Stenose(afsluiting, vernauwing, R neemt af) door atherosclerose,
trombose of een ontsteking
Verwijding/scheuren door atherosclerose, aanlegstoornis of een hoge
bloeddruk
HC-3 Morfologie
Prikkelgeleidingssysteem:
Sino atriale(sinus) knoop: in rechter atrium
Atrio ventriculaire knoop: op grens van atrium en ventrikel
Bundel van His
Purkinjevezels bij linker en rechter ventrikel
Lagen bloedvat
Tunica intima:
o Endotheelcellen met lamina basalis
o Subendotheliale laag(bindweefsel)
o Lamina elastica interna(kronkelig donker lijntje)
Tunica media:
o Gladde spiercellen(circulair)
o Elastische en collagene vezels in extracellulaire matrix
o Soms lamina elastica externa
Tunica adventitia(bindweefsel):
o Gladde spiercellen(longitudinaal)
o Losmazig bindweefsel,
o Vasa vasorum(bloedvaten van de
bloedvaten)
Functie endotheelcellen(intima)
Regulatie vaattonus(via
media)(vasoconstrictie/vasodilatatie)
Stolling/antistolling
Rol in lokale ontstekingsreactie
Productie groeifactoren
Bloeddrukregulatie
, Functie media(gladde spiercellen): regulatie vaattonus o.i.v.
Endotheel(endotheline, NO)
Sympathisch zenuwstelsel(noradrenaline)
Renine-angiotensine-aldosteronsysteem(RAAS)
Hormonen(adrenaline)
Elastische arterie: veel elastine, media bestaat uit veel lagen elastische
membranen(aantal neemt af met leeftijd), zorgen voor transport van bloed
vanaf het hart, doorsnede van 5-15mm
Musculeuze arterie: veel gladde spiercellen(in media), altijd lamina elastica
interna, contractiele eigenschappen voor variabele verdeling van bloed over de
regio’s(distributie), doorsnede van 1-10mm
Arteriole: weerstandsvaten(drukval), nog maar 1-5 lagen spiercellen, nog
steeds lamina elastica interna(venole echter niet)
Venulen: opvangen bloed, zo weinig mogelijk weerstand, geen kleppen
Capillair: nog maag 1 laag endotheelcellen met lamina basalis, past precies 1
rode bloedcel door diameter
Peri-cyt: cel die ergens omheen zit(capillair), voor samentrekking en
communicatie met endotheel
Arterioveneuze anastomosen(AVA): directe verbinding tussen arteriële en
veneuze systeem, kan geheel sluiten
Intercalair schijf: verbinden hartspiercellen, bevat adhaerens- en
desmosoomverbindingen en een nexus verbinding
-Nerveuze en hormonale regulatie beïnvloeden contractie van arteriolaire
gladde spiercellen, evenals histamine
-Venen hebben een groter bloedvolume/lumen, 60% van het totaal
-Venen bevatten instulpingen in intima die kleppen vormen