Begrippen/ structuren lijst H&G DT1
Hoofdstuk 1
Biologische psychologie Onderzoekt relatie tussen geest, gedrag en de onderliggende biologische processen
Dualisme Idee dat geest en lichaam gescheiden zijn en elkaar beïnvloeden
Evolutionaire verklaring
Functionele verklaring Waarom structuur/ gedrag zo ontwikkeld is
Mind-body/brain problem Filosofische vraag hoe de geest zich verhoud tot het lichaam
Monoïsme Idee dat geest en lichaam 1 substantie zijn
Fysiologische verklaring Relateert een gedraging aan de hersenactiviteit en andere organen
DNA-molecuul A-T en G-C
Sekse-linked genen Genen op de geslachtshormonen
Seks-gelimiteerde genen Genen op de autosomale chromosomen, maar alleen actief bij één geslacht
Candidate gene Bestuderen van één specifiek gen
approach
Genome wide association Vergelijken van erfelijke materiaal van 2 groepen
study
Actief transport Verplaatsing van stoffen door het celmembraan
Afferente axon Informatie → structuur (sensorisch)
Astrocyten Glia-cellen. Stroom voor neuronen, schone omgeving, ondersteunen verbindingen
Axon Uitloper van een neuron (zenuwcel) die actiepotentialen naar andere cellen geleid
Bloed-hersenbarrière Selectieve poort van endotheelcellen die de hersenen beschermen tegen schadelijke
stoffen in het bloed
Celmembraan (soma) Membraan rondom cellichaam van neuron, laat stoffen in en uit en geeft elektrische
signalen door. Dubbele laag van lipiden en eiwitten,
Dendrieten Korte vertakkingen van een neuron die signalen van andere neuronen ontvangen.
Dendritische uitlopers Plek waar synapsen met andere neuronen ontstaan
Efferente axon Informatie → spieren (motorisch)
, Glia Ondersteunende cellen die neuronen voeden, beschermen, opruimen en structureren
Glucose Belangrijke energiebron voor neuronen en andere cellen.
Endoplasmatisch reticulu (ER) Celorganel dat eiwitten maakt en vetten/andere stoffen verwerkt (SER).
Interneuron Neuron dat tussen andere neuronen informatie verwerkt en doorgeeft, vaak lokaal in
het CZS.
Intrinsiek neuron Neuron waarvan alle uitlopers zich binnen één structuur bevinden, zonder een axon
naar andere hersengebieden
Microglia Kleine gliacellen die immunologische functies uitvoeren → opruimen
Neuron Ontvangt, verwerkt en geeft informatie door via elektrische en chemische signalen
Mitochondrium Celorganel dat energie (glucose) produceert
Motorische neuron Stuurt info van CNS naar de spieren (efferent?)
Myelineschede Vettige laag rond de axonen, isoleert en versneld de snelheid van signalen
Nodes of Ranvier Regelmatig onderbrekingen in de myelineschede rond een axon waar actiepotentialen
opnieuw worden versterkt
Nucleus Celkern, bevat DND, reguleert eiwitsynthese
Oligodendrocyten Glia-cellen in het CNS die axonen isoleert met myeline
Presynaptische terminal Eindpunt van axon waar neurotransmitters worden vrijgegeven in de synapsspleet
Radiale glia Vormen tijdens prenatale ontwikkelen een web → neuronen kunnen migreren
Ribosomen Structuur waar eiwitsynthese plaatsvindt
Schwann-cellen Glia-cellen, Perifere zenuwstelsel, isoleren axonen met myeline
Sensorische neuron Info van zintuigen of lichaam naar centrale zenuwstelsel
Thiamine (vit B1) Essentiële vitaminen voor energieproductie
Absolute refractaire Tijd na een actiepotentiaal waarin een neuron geen nieuw actiepotentiaal kan
periode genereren, ongeacht sterkte van de stimulus (vuurvaste-periode)
Actiepotentiaal Kort elektrisch signaal langs axon als de drempelwaarde bereikt is
Alles-of-niets wet Actiepotentiaal wordt na de drempelwaarde altijd helemaal uitgevoerd. Sterkte van
stimulus boven de drempel is onafhankelijk.
Concentratiegradiënt Verschil in aantal tussen binnen en buiten wbt lading
Depolarisatie Membraanpotentiaal wordt positiever dan bij het rustpotentiaal
Hoofdstuk 1
Biologische psychologie Onderzoekt relatie tussen geest, gedrag en de onderliggende biologische processen
Dualisme Idee dat geest en lichaam gescheiden zijn en elkaar beïnvloeden
Evolutionaire verklaring
Functionele verklaring Waarom structuur/ gedrag zo ontwikkeld is
Mind-body/brain problem Filosofische vraag hoe de geest zich verhoud tot het lichaam
Monoïsme Idee dat geest en lichaam 1 substantie zijn
Fysiologische verklaring Relateert een gedraging aan de hersenactiviteit en andere organen
DNA-molecuul A-T en G-C
Sekse-linked genen Genen op de geslachtshormonen
Seks-gelimiteerde genen Genen op de autosomale chromosomen, maar alleen actief bij één geslacht
Candidate gene Bestuderen van één specifiek gen
approach
Genome wide association Vergelijken van erfelijke materiaal van 2 groepen
study
Actief transport Verplaatsing van stoffen door het celmembraan
Afferente axon Informatie → structuur (sensorisch)
Astrocyten Glia-cellen. Stroom voor neuronen, schone omgeving, ondersteunen verbindingen
Axon Uitloper van een neuron (zenuwcel) die actiepotentialen naar andere cellen geleid
Bloed-hersenbarrière Selectieve poort van endotheelcellen die de hersenen beschermen tegen schadelijke
stoffen in het bloed
Celmembraan (soma) Membraan rondom cellichaam van neuron, laat stoffen in en uit en geeft elektrische
signalen door. Dubbele laag van lipiden en eiwitten,
Dendrieten Korte vertakkingen van een neuron die signalen van andere neuronen ontvangen.
Dendritische uitlopers Plek waar synapsen met andere neuronen ontstaan
Efferente axon Informatie → spieren (motorisch)
, Glia Ondersteunende cellen die neuronen voeden, beschermen, opruimen en structureren
Glucose Belangrijke energiebron voor neuronen en andere cellen.
Endoplasmatisch reticulu (ER) Celorganel dat eiwitten maakt en vetten/andere stoffen verwerkt (SER).
Interneuron Neuron dat tussen andere neuronen informatie verwerkt en doorgeeft, vaak lokaal in
het CZS.
Intrinsiek neuron Neuron waarvan alle uitlopers zich binnen één structuur bevinden, zonder een axon
naar andere hersengebieden
Microglia Kleine gliacellen die immunologische functies uitvoeren → opruimen
Neuron Ontvangt, verwerkt en geeft informatie door via elektrische en chemische signalen
Mitochondrium Celorganel dat energie (glucose) produceert
Motorische neuron Stuurt info van CNS naar de spieren (efferent?)
Myelineschede Vettige laag rond de axonen, isoleert en versneld de snelheid van signalen
Nodes of Ranvier Regelmatig onderbrekingen in de myelineschede rond een axon waar actiepotentialen
opnieuw worden versterkt
Nucleus Celkern, bevat DND, reguleert eiwitsynthese
Oligodendrocyten Glia-cellen in het CNS die axonen isoleert met myeline
Presynaptische terminal Eindpunt van axon waar neurotransmitters worden vrijgegeven in de synapsspleet
Radiale glia Vormen tijdens prenatale ontwikkelen een web → neuronen kunnen migreren
Ribosomen Structuur waar eiwitsynthese plaatsvindt
Schwann-cellen Glia-cellen, Perifere zenuwstelsel, isoleren axonen met myeline
Sensorische neuron Info van zintuigen of lichaam naar centrale zenuwstelsel
Thiamine (vit B1) Essentiële vitaminen voor energieproductie
Absolute refractaire Tijd na een actiepotentiaal waarin een neuron geen nieuw actiepotentiaal kan
periode genereren, ongeacht sterkte van de stimulus (vuurvaste-periode)
Actiepotentiaal Kort elektrisch signaal langs axon als de drempelwaarde bereikt is
Alles-of-niets wet Actiepotentiaal wordt na de drempelwaarde altijd helemaal uitgevoerd. Sterkte van
stimulus boven de drempel is onafhankelijk.
Concentratiegradiënt Verschil in aantal tussen binnen en buiten wbt lading
Depolarisatie Membraanpotentiaal wordt positiever dan bij het rustpotentiaal