Liever online oefenen?
gnkuu.nl
Klikbaar
, gnkuu.nl → Decentrale
selectie 2026 → 281
oefenvragen met
antwoorden over de
stof uit de opgegeven
leerstof voor anatomie
gnkuu.nl → DS ‘26 → anatomie → vragen → 31
, Klikbaar
Algemene bewegingsleer
H1 – The body ↓
What is anatomy? Vragen Antwoorden
Skeletal system Vragen Antwoorden
Skin and fascias Vragen Antwoorden
Muscular system Vragen Antwoorden
H6 – Lower Limb ↓
Function Vragen Antwoorden
H7 – Upper Limb ↓
Functions Vragen Antwoorden
Schouder
H7 – Upper Limb ↓
Bones Vragen Antwoorden
Joints Vragen Antwoorden
Muscles Vragen Antwoorden
Peritoneum en peritoneale holte
H4 – Abdomen ↓
Peritoneum Vragen Antwoorden
Peritoneale holte Vragen Antwoorden
gnkuu.nl → DS ‘26 → anatomie → vragen → 32
,Algemene bewegingsleer – H1 – The body • What is anatomy?
1. Een 62–jarige patiënt met dyspneu wordt beoordeeld met CT–beelden. De arts
moet bepalen of een laesie zich in het anterior of posterior thoracale
compartiment bevindt. Welke anatomische kennis is hier essentieel om deze
lokalisatie correct te interpreteren?
a. Inzicht in de oriëntatie van het lichaam volgens de standaard anatomische
positie en de definitie van coronaal vlak
b. Kennis van proximale versus distale ligging in de ledematen
c. Kennis van rostrale versus caudale termen in de hersenen
d. Kennis van het volledige verloop van de nervus vagus
2. Een arts beoordeelt MRI-beelden om te bepalen of een afwijking zich precies
in de mediaanlijn of links/rechts daarvan bevindt. Welke anatomische kennis is
hierbij essentieel om deze doorsnede correct te interpreteren?
a. Inzicht in het sagittale vlak, dat het lichaam verdeelt in een linker- en
rechterdeel
b. Inzicht in het transversale vlak, dat het lichaam verdeelt in bovenste en
onderste delen
c. Inzicht in het coronale vlak, dat het lichaam verdeelt in voor- en achterdelen
d. Inzicht in de axiale positionering van de ledematen
3. Tijdens een onderzoek bij een 45–jarige met slikproblemen beoordeelt de arts
de beweging van het zachte gehemelte. Welke onderliggende anatomische
vaardigheid is hiervoor onmisbaar?
a. Het herkennen van alle histologische kleuringstechnieken
b. Het driedimensionaal kunnen visualiseren van anatomische relaties in plaats
van het enkel memoriseren van terminologie
c. Het kennen van alle varianten van embryonale keelboogspieren
d. Het lokaliseren van alle endocriene klieren
4. Een coassistent twijfelt bij het interpreteren van een MRI of een structuur
‘superior’ of ‘Craniaal’ ligt. Wat is hierbij de juiste redenering?
a. ‘Craniaal’ betekent altijd meer oppervlakkig gelegen
b. ‘Craniaal’ is uitsluitend toepasbaar op de ledematen
c. ‘Superior’ wordt enkel gebruikt bij buisvormige organen
d. 'Craniaal' wordt gebruikt als synoniem voor 'superior' wanneer gerefereerd
wordt aan richting naar het hoofd
gnkuu.nl → DS ‘26 → anatomie → vragen → 33
,77. Waar komen symfysen typisch voor en wat is hun weefseltype?
a. In de schoudergordel; elastisch kraakbeen.
b. Tussen carpalia; fibreus bindweefsel zonder kraakbeen.
c. In de mediaanlijn; verbinding via fibrocartilago (bijv. symphysis pubica, disci
intervertebrales).
d. In perifere gewrichten; hyalien kraakbeen met caviteit.
78. Welke beweringen over gewrichtsschijven en menisci zijn correct?
⬜ Verbeteren krachtverdeling en congruentie in synoviale gewrichten.
⬜ Zijn verdikkingen van het synoviaal membraan.
⬜ Bestaan doorgaans uit fibrocartilago.
⬜ Maken van een solide gewricht een synoviaal gewricht.
79. Welke uitspraken over synoviale membranen zijn juist?
⬜ Vormen ook gesloten zakken buiten het gewricht als bursae of
peesscheden.
⬜ Bekleden het gewrichtskraakbeen zelf.
⬜ Hechten aan de rand van het gewrichtskraakbeen en omsluiten de caviteit.
⬜ Bestaan uit meerlagig plaveiselepitheel met keratine.
80.Welke beweging is primair toegestaan in een scharniergewricht?
a. Flexie en extensie rond een transversale as (uniaxiaal).
b. Rotatie rond een longitudinale as.
c. Abductie en adductie in twee vlakken.
d. Circumductie in drie vlakken.
81. Wat is correct over bicondylaire gewrichten (bijv. knie)?
⬜ Twee convexe condyli die articuleren met vlakke of concave oppervlakken.
⬜ Beweging hoofdzakelijk rond één as met beperkte rotatie om een tweede
as.
⬜ Volledig multiaxiale bewegingsvrijheid zoals in een kogelgewricht.
⬜ Altijd aanwezigheid van een intra–articulaire discus.
82.Welke stelling over vlakke gewrichten is onjuist?
a. Ze hebben meestal strakke kapsels voor stabiliteit.
b. Vlakke gewrichten laten geen beweging toe.
c. Ze laten glijbewegingen toe.
d. Ze hebben hyalien kraakbeen op de articulerende oppervlakken.
gnkuu.nl → DS ‘26 → anatomie → vragen → 50
,192. Welke anatomische structuur vormt samen met acromion en coracoïd een
beschermende boog boven het glenohumerale gewricht?
a. Het coracoacromiale ligament.
b. Het acromioclaviculaire ligament.
c. Het superieure glenohumerale ligament.
d. Het transversum humerale ligament.
193. Een patiënt heeft pijn bij interne rotatie door irritatie van een bursa die
onder het coracoïd ligt. Welke bursa is waarschijnlijk aangedaan?
a. De subacromiale bursa.
b. De bursa van subscapularis.
c. De bursa tussen coracoid process en het gewrichtskapsel.
d. De bursa tussen acromion en huid.
194. Welke elementen worden beschreven als onderdeel van de
musculotendineuze cuff die het glenohumerale gewricht stabiliseert?
⬜ De pees van de supraspinatus
⬜ De pees van de m. deltoideus
⬜ De pees van de infraspinatus
⬜ De pees van de teres minor
⬜ De pees van de subscapularis
⬜ De pees van de m. pectoralis major
195. Welke beweging wordt het meest beperkt indien zowel het superieure als
het middelste glenohumerale ligament beschadigd zijn?
a. Flexie van de humerus.
b. Endorotatie in maximale abductie.
c. Elevatie in het scapulaire vlak.
d. Externe rotatie in adductie.
196. Een orthopedisch chirurg ziet dat de humeruskop abnormaal naar voren
glijdt tijdens abductie. Welke capsulaire structuur is waarschijnlijk verzwakt?
a. Het interclaviculaire ligament.
b. Het inferieure glenohumerale ligament.
c. Het acromioclaviculaire ligament.
d. Het costoclaviculaire ligament.
gnkuu.nl → DS ‘26 → anatomie → vragen → 76
,243. Welke factor bepaalt primair waar gerefereerde viscerale pijn wordt
gevoeld?
a. De afstand tussen orgaan en peritoneale holte.
b. Het ruggenmergsegment waarin de viscerale afferente vezels
binnenkomen.
c. De exacte vorm van het peritoneale oppervlak.
d. De intensiteit van de peritoneale ontsteking.
244. Welke structuren zijn typisch retroperitoneaal gelegen?
⬜ Nieren en bijnieren
⬜ Lever
⬜ Pancreas (behalve het staartgedeelte)
⬜ Colon ascendens en descendens
⬜ Jejunum
⬜ Milt
245. Welke eigenschap verklaart waarom viscerale pijn vaak slecht te lokaliseren
is?
a. Viscerale afferenten lopen via somatische zenuwen met hoge discriminatie.
b. Viscerale afferenten hebben een lage ruimtelijke discriminatie en
projecteren breed in het ruggenmerg.
c. Viscerale afferenten worden volledig door de hersenstam onderdrukt.
d. Viscerale organen hebben geen afferente pijnvezels.
246. Waarom veroorzaakt prikkeling van het pariëtale peritoneum veel sterkere
en scherpere pijn dan prikkeling van het viscerale peritoneum?
a. Omdat het pariëtale peritoneum geen pijnvezels bevat.
b. Omdat viscerale afferenten een hogere discriminatie hebben.
c. Omdat het viscerale peritoneum volledig ongevoelig is voor rek of
ontsteking.
d. Omdat het pariëtale peritoneum door somatische afferenten wordt
geïnnerveerd die hoge lokale discriminatie hebben.
247. Wat verklaart dat secundair retroperitoneale organen geen volledige
mobiliteit hebben ondanks hun oorspronkelijke intraperitoneale positie?
a. Ze blijven volledig intraperitoneaal maar worden tegengehouden door
ligamentaire structuren.
b. Ze verliezen hun neurovasculaire toevoer via het mesenterium.
c. Ze fuseren tijdens de ontwikkeling met de achterste buikwand, waardoor
hun mesenterium secundair verdwijnt en fixatie optreedt.
d. Ze ontwikkelen een dikkere peritoneale laag die mobiliteit verhindert.
gnkuu.nl → DS ‘26 → anatomie → vragen → 89
,248. Een patiënt met acuut bloedverlies ontwikkelt vrij bloed in de peritoneale
holte. Welke houding maximaliseert de kans op detectie van bloed via
echografie in de hepatorenale recess?
a. Rugligging, omdat de hepatorenale recess het laagste punt van de
peritoneale holte is in deze positie.
b. Staand, omdat alle peritoneale vloeistof naar de subfrenische ruimte
verplaatst.
c. Links zijligging, omdat vloeistof dan uitsluitend naar het bekken vloeit.
d. Buikligging, omdat de peritoneale holte dan geen recessen meer vormt.
249. Waarom worden intraperitoneale infecties, zoals peritonitis, vaak snel
symptomatisch en ernstig?
a. Omdat de peritoneale holte geen vloeistof bevat en infecties zich daardoor
niet kunnen verspreiden.
b. Omdat grote oppervlakken van pariëtaal peritoneum rijk geïnnerveerd zijn
met somatische pijnvezels die krachtig reageren op ontsteking.
c. Omdat viscerale peritoneum geen enkele rol speelt in pijngeleiding.
d. Omdat de peritoneale holte volledig geïsoleerd is van alle vasculaire
structuren.
gnkuu.nl → DS ‘26 → anatomie → vragen → 90
,Algemene bewegingsleer – H1 – The body • What is anatomy?
1. Een 62–jarige patiënt met dyspneu wordt beoordeeld met CT–beelden. De arts
moet bepalen of een laesie zich in het anterior of posterior thoracale
compartiment bevindt. Welke anatomische kennis is hier essentieel om deze
lokalisatie correct te interpreteren?
a. Inzicht in de oriëntatie van het lichaam volgens de standaard anatomische
positie en de definitie van coronaal vlak ✓
b. Kennis van proximale versus distale ligging in de ledematen
c. Kennis van rostrale versus caudale termen in de hersenen
d. Kennis van het volledige verloop van de nervus vagus
ACHTERGRONDINFORMATIE Coronale vlakken verdelen het lichaam in anterieure
en posterieure delen en worden gebruikt bij beeldvorming.
EZELSBRUGGETJE Corona = kroon → stel je een kroon voor die van oor tot oor
loopt → verdeelt voor/achter.
2. Een arts beoordeelt MRI-beelden om te bepalen of een afwijking zich precies
in de mediaanlijn of links/rechts daarvan bevindt. Welke anatomische kennis is
hierbij essentieel om deze doorsnede correct te interpreteren?
a. Inzicht in het sagittale vlak, dat het lichaam verdeelt in een linker- en
rechterdeel ✓
b. Inzicht in het transversale vlak, dat het lichaam verdeelt in bovenste en
onderste delen
c. Inzicht in het coronale vlak, dat het lichaam verdeelt in voor- en achterdelen
d. Inzicht in de axiale positionering van de ledematen
ACHTERGRONDINFORMATIE Sagittale vlakken verdelen het lichaam in linker- en
rechterhelft.
EZELSBRUGGETJE Sagitta = pijl → denk aan een pijl die het lichaam door de
middenlijn in links/rechts doorsnijdt.
3. Tijdens een onderzoek bij een 45–jarige met slikproblemen beoordeelt de arts
de beweging van het zachte gehemelte. Welke onderliggende anatomische
vaardigheid is hiervoor onmisbaar?
a. Het herkennen van alle histologische kleuringstechnieken
b. Het driedimensionaal kunnen visualiseren van anatomische relaties in plaats
van het enkel memoriseren van terminologie ✓
c. Het kennen van alle varianten van embryonale keelboogspieren
d. Het lokaliseren van alle endocriene klieren
ACHTERGRONDINFORMATIE Correcte anatomische interpretatie vereist
visualisatie van structuren in hun functionele context.
gnkuu.nl → DS ‘26 → anatomie → antwoorden → 3
, 79. Welke uitspraken over synoviale membranen zijn juist?
Vormen ook gesloten zakken buiten het gewricht als bursae of
peesscheden.
⬜ Bekleden het gewrichtskraakbeen zelf.
Hechten aan de rand van het gewrichtskraakbeen en omsluiten de caviteit.
⬜ Bestaan uit meerlagig plaveiselepitheel met keratine.
80.Welke beweging is primair toegestaan in een scharniergewricht?
a. Flexie en extensie rond een transversale as (uniaxiaal). ✓
b. Rotatie rond een longitudinale as.
c. Abductie en adductie in twee vlakken.
d. Circumductie in drie vlakken.
81. Wat is correct over bicondylaire gewrichten (bijv. knie)?
Twee convexe condyli die articuleren met vlakke of concave oppervlakken.
Beweging hoofdzakelijk rond één as met beperkte rotatie om een tweede
as.
⬜ Volledig multiaxiale bewegingsvrijheid zoals in een kogelgewricht.
⬜ Altijd aanwezigheid van een intra–articulaire discus.
82.Welke stelling over vlakke gewrichten is onjuist?
a. Ze hebben meestal strakke kapsels voor stabiliteit.
b. Vlakke gewrichten laten geen beweging toe. ✓
c. Ze laten glijbewegingen toe.
d. Ze hebben hyalien kraakbeen op de articulerende oppervlakken.
UITZONDERING Hoewel beweging gering is, kunnen cumulatieve
glijbewegingen functioneel relevant zijn (bijv. AC–gewricht).
83.Kies de juiste combinaties van voorbeeld en gewrichtstype.
Elleboog (humero–ulnaris): scharnier.
Radiocarpale pols: condylair.
⬜ Atlanto–axiaal: condylair.
Heup (coxae): kogel.
CMC–duim: zadel.
⬜ AC–gewricht: draaigewricht.
AFKORTING CMC: carpometacarpale (art. carpometacarpalis pollicis).
gnkuu.nl → DS ‘26 → anatomie → antwoorden → 23
gnkuu.nl
Klikbaar
, gnkuu.nl → Decentrale
selectie 2026 → 281
oefenvragen met
antwoorden over de
stof uit de opgegeven
leerstof voor anatomie
gnkuu.nl → DS ‘26 → anatomie → vragen → 31
, Klikbaar
Algemene bewegingsleer
H1 – The body ↓
What is anatomy? Vragen Antwoorden
Skeletal system Vragen Antwoorden
Skin and fascias Vragen Antwoorden
Muscular system Vragen Antwoorden
H6 – Lower Limb ↓
Function Vragen Antwoorden
H7 – Upper Limb ↓
Functions Vragen Antwoorden
Schouder
H7 – Upper Limb ↓
Bones Vragen Antwoorden
Joints Vragen Antwoorden
Muscles Vragen Antwoorden
Peritoneum en peritoneale holte
H4 – Abdomen ↓
Peritoneum Vragen Antwoorden
Peritoneale holte Vragen Antwoorden
gnkuu.nl → DS ‘26 → anatomie → vragen → 32
,Algemene bewegingsleer – H1 – The body • What is anatomy?
1. Een 62–jarige patiënt met dyspneu wordt beoordeeld met CT–beelden. De arts
moet bepalen of een laesie zich in het anterior of posterior thoracale
compartiment bevindt. Welke anatomische kennis is hier essentieel om deze
lokalisatie correct te interpreteren?
a. Inzicht in de oriëntatie van het lichaam volgens de standaard anatomische
positie en de definitie van coronaal vlak
b. Kennis van proximale versus distale ligging in de ledematen
c. Kennis van rostrale versus caudale termen in de hersenen
d. Kennis van het volledige verloop van de nervus vagus
2. Een arts beoordeelt MRI-beelden om te bepalen of een afwijking zich precies
in de mediaanlijn of links/rechts daarvan bevindt. Welke anatomische kennis is
hierbij essentieel om deze doorsnede correct te interpreteren?
a. Inzicht in het sagittale vlak, dat het lichaam verdeelt in een linker- en
rechterdeel
b. Inzicht in het transversale vlak, dat het lichaam verdeelt in bovenste en
onderste delen
c. Inzicht in het coronale vlak, dat het lichaam verdeelt in voor- en achterdelen
d. Inzicht in de axiale positionering van de ledematen
3. Tijdens een onderzoek bij een 45–jarige met slikproblemen beoordeelt de arts
de beweging van het zachte gehemelte. Welke onderliggende anatomische
vaardigheid is hiervoor onmisbaar?
a. Het herkennen van alle histologische kleuringstechnieken
b. Het driedimensionaal kunnen visualiseren van anatomische relaties in plaats
van het enkel memoriseren van terminologie
c. Het kennen van alle varianten van embryonale keelboogspieren
d. Het lokaliseren van alle endocriene klieren
4. Een coassistent twijfelt bij het interpreteren van een MRI of een structuur
‘superior’ of ‘Craniaal’ ligt. Wat is hierbij de juiste redenering?
a. ‘Craniaal’ betekent altijd meer oppervlakkig gelegen
b. ‘Craniaal’ is uitsluitend toepasbaar op de ledematen
c. ‘Superior’ wordt enkel gebruikt bij buisvormige organen
d. 'Craniaal' wordt gebruikt als synoniem voor 'superior' wanneer gerefereerd
wordt aan richting naar het hoofd
gnkuu.nl → DS ‘26 → anatomie → vragen → 33
,77. Waar komen symfysen typisch voor en wat is hun weefseltype?
a. In de schoudergordel; elastisch kraakbeen.
b. Tussen carpalia; fibreus bindweefsel zonder kraakbeen.
c. In de mediaanlijn; verbinding via fibrocartilago (bijv. symphysis pubica, disci
intervertebrales).
d. In perifere gewrichten; hyalien kraakbeen met caviteit.
78. Welke beweringen over gewrichtsschijven en menisci zijn correct?
⬜ Verbeteren krachtverdeling en congruentie in synoviale gewrichten.
⬜ Zijn verdikkingen van het synoviaal membraan.
⬜ Bestaan doorgaans uit fibrocartilago.
⬜ Maken van een solide gewricht een synoviaal gewricht.
79. Welke uitspraken over synoviale membranen zijn juist?
⬜ Vormen ook gesloten zakken buiten het gewricht als bursae of
peesscheden.
⬜ Bekleden het gewrichtskraakbeen zelf.
⬜ Hechten aan de rand van het gewrichtskraakbeen en omsluiten de caviteit.
⬜ Bestaan uit meerlagig plaveiselepitheel met keratine.
80.Welke beweging is primair toegestaan in een scharniergewricht?
a. Flexie en extensie rond een transversale as (uniaxiaal).
b. Rotatie rond een longitudinale as.
c. Abductie en adductie in twee vlakken.
d. Circumductie in drie vlakken.
81. Wat is correct over bicondylaire gewrichten (bijv. knie)?
⬜ Twee convexe condyli die articuleren met vlakke of concave oppervlakken.
⬜ Beweging hoofdzakelijk rond één as met beperkte rotatie om een tweede
as.
⬜ Volledig multiaxiale bewegingsvrijheid zoals in een kogelgewricht.
⬜ Altijd aanwezigheid van een intra–articulaire discus.
82.Welke stelling over vlakke gewrichten is onjuist?
a. Ze hebben meestal strakke kapsels voor stabiliteit.
b. Vlakke gewrichten laten geen beweging toe.
c. Ze laten glijbewegingen toe.
d. Ze hebben hyalien kraakbeen op de articulerende oppervlakken.
gnkuu.nl → DS ‘26 → anatomie → vragen → 50
,192. Welke anatomische structuur vormt samen met acromion en coracoïd een
beschermende boog boven het glenohumerale gewricht?
a. Het coracoacromiale ligament.
b. Het acromioclaviculaire ligament.
c. Het superieure glenohumerale ligament.
d. Het transversum humerale ligament.
193. Een patiënt heeft pijn bij interne rotatie door irritatie van een bursa die
onder het coracoïd ligt. Welke bursa is waarschijnlijk aangedaan?
a. De subacromiale bursa.
b. De bursa van subscapularis.
c. De bursa tussen coracoid process en het gewrichtskapsel.
d. De bursa tussen acromion en huid.
194. Welke elementen worden beschreven als onderdeel van de
musculotendineuze cuff die het glenohumerale gewricht stabiliseert?
⬜ De pees van de supraspinatus
⬜ De pees van de m. deltoideus
⬜ De pees van de infraspinatus
⬜ De pees van de teres minor
⬜ De pees van de subscapularis
⬜ De pees van de m. pectoralis major
195. Welke beweging wordt het meest beperkt indien zowel het superieure als
het middelste glenohumerale ligament beschadigd zijn?
a. Flexie van de humerus.
b. Endorotatie in maximale abductie.
c. Elevatie in het scapulaire vlak.
d. Externe rotatie in adductie.
196. Een orthopedisch chirurg ziet dat de humeruskop abnormaal naar voren
glijdt tijdens abductie. Welke capsulaire structuur is waarschijnlijk verzwakt?
a. Het interclaviculaire ligament.
b. Het inferieure glenohumerale ligament.
c. Het acromioclaviculaire ligament.
d. Het costoclaviculaire ligament.
gnkuu.nl → DS ‘26 → anatomie → vragen → 76
,243. Welke factor bepaalt primair waar gerefereerde viscerale pijn wordt
gevoeld?
a. De afstand tussen orgaan en peritoneale holte.
b. Het ruggenmergsegment waarin de viscerale afferente vezels
binnenkomen.
c. De exacte vorm van het peritoneale oppervlak.
d. De intensiteit van de peritoneale ontsteking.
244. Welke structuren zijn typisch retroperitoneaal gelegen?
⬜ Nieren en bijnieren
⬜ Lever
⬜ Pancreas (behalve het staartgedeelte)
⬜ Colon ascendens en descendens
⬜ Jejunum
⬜ Milt
245. Welke eigenschap verklaart waarom viscerale pijn vaak slecht te lokaliseren
is?
a. Viscerale afferenten lopen via somatische zenuwen met hoge discriminatie.
b. Viscerale afferenten hebben een lage ruimtelijke discriminatie en
projecteren breed in het ruggenmerg.
c. Viscerale afferenten worden volledig door de hersenstam onderdrukt.
d. Viscerale organen hebben geen afferente pijnvezels.
246. Waarom veroorzaakt prikkeling van het pariëtale peritoneum veel sterkere
en scherpere pijn dan prikkeling van het viscerale peritoneum?
a. Omdat het pariëtale peritoneum geen pijnvezels bevat.
b. Omdat viscerale afferenten een hogere discriminatie hebben.
c. Omdat het viscerale peritoneum volledig ongevoelig is voor rek of
ontsteking.
d. Omdat het pariëtale peritoneum door somatische afferenten wordt
geïnnerveerd die hoge lokale discriminatie hebben.
247. Wat verklaart dat secundair retroperitoneale organen geen volledige
mobiliteit hebben ondanks hun oorspronkelijke intraperitoneale positie?
a. Ze blijven volledig intraperitoneaal maar worden tegengehouden door
ligamentaire structuren.
b. Ze verliezen hun neurovasculaire toevoer via het mesenterium.
c. Ze fuseren tijdens de ontwikkeling met de achterste buikwand, waardoor
hun mesenterium secundair verdwijnt en fixatie optreedt.
d. Ze ontwikkelen een dikkere peritoneale laag die mobiliteit verhindert.
gnkuu.nl → DS ‘26 → anatomie → vragen → 89
,248. Een patiënt met acuut bloedverlies ontwikkelt vrij bloed in de peritoneale
holte. Welke houding maximaliseert de kans op detectie van bloed via
echografie in de hepatorenale recess?
a. Rugligging, omdat de hepatorenale recess het laagste punt van de
peritoneale holte is in deze positie.
b. Staand, omdat alle peritoneale vloeistof naar de subfrenische ruimte
verplaatst.
c. Links zijligging, omdat vloeistof dan uitsluitend naar het bekken vloeit.
d. Buikligging, omdat de peritoneale holte dan geen recessen meer vormt.
249. Waarom worden intraperitoneale infecties, zoals peritonitis, vaak snel
symptomatisch en ernstig?
a. Omdat de peritoneale holte geen vloeistof bevat en infecties zich daardoor
niet kunnen verspreiden.
b. Omdat grote oppervlakken van pariëtaal peritoneum rijk geïnnerveerd zijn
met somatische pijnvezels die krachtig reageren op ontsteking.
c. Omdat viscerale peritoneum geen enkele rol speelt in pijngeleiding.
d. Omdat de peritoneale holte volledig geïsoleerd is van alle vasculaire
structuren.
gnkuu.nl → DS ‘26 → anatomie → vragen → 90
,Algemene bewegingsleer – H1 – The body • What is anatomy?
1. Een 62–jarige patiënt met dyspneu wordt beoordeeld met CT–beelden. De arts
moet bepalen of een laesie zich in het anterior of posterior thoracale
compartiment bevindt. Welke anatomische kennis is hier essentieel om deze
lokalisatie correct te interpreteren?
a. Inzicht in de oriëntatie van het lichaam volgens de standaard anatomische
positie en de definitie van coronaal vlak ✓
b. Kennis van proximale versus distale ligging in de ledematen
c. Kennis van rostrale versus caudale termen in de hersenen
d. Kennis van het volledige verloop van de nervus vagus
ACHTERGRONDINFORMATIE Coronale vlakken verdelen het lichaam in anterieure
en posterieure delen en worden gebruikt bij beeldvorming.
EZELSBRUGGETJE Corona = kroon → stel je een kroon voor die van oor tot oor
loopt → verdeelt voor/achter.
2. Een arts beoordeelt MRI-beelden om te bepalen of een afwijking zich precies
in de mediaanlijn of links/rechts daarvan bevindt. Welke anatomische kennis is
hierbij essentieel om deze doorsnede correct te interpreteren?
a. Inzicht in het sagittale vlak, dat het lichaam verdeelt in een linker- en
rechterdeel ✓
b. Inzicht in het transversale vlak, dat het lichaam verdeelt in bovenste en
onderste delen
c. Inzicht in het coronale vlak, dat het lichaam verdeelt in voor- en achterdelen
d. Inzicht in de axiale positionering van de ledematen
ACHTERGRONDINFORMATIE Sagittale vlakken verdelen het lichaam in linker- en
rechterhelft.
EZELSBRUGGETJE Sagitta = pijl → denk aan een pijl die het lichaam door de
middenlijn in links/rechts doorsnijdt.
3. Tijdens een onderzoek bij een 45–jarige met slikproblemen beoordeelt de arts
de beweging van het zachte gehemelte. Welke onderliggende anatomische
vaardigheid is hiervoor onmisbaar?
a. Het herkennen van alle histologische kleuringstechnieken
b. Het driedimensionaal kunnen visualiseren van anatomische relaties in plaats
van het enkel memoriseren van terminologie ✓
c. Het kennen van alle varianten van embryonale keelboogspieren
d. Het lokaliseren van alle endocriene klieren
ACHTERGRONDINFORMATIE Correcte anatomische interpretatie vereist
visualisatie van structuren in hun functionele context.
gnkuu.nl → DS ‘26 → anatomie → antwoorden → 3
, 79. Welke uitspraken over synoviale membranen zijn juist?
Vormen ook gesloten zakken buiten het gewricht als bursae of
peesscheden.
⬜ Bekleden het gewrichtskraakbeen zelf.
Hechten aan de rand van het gewrichtskraakbeen en omsluiten de caviteit.
⬜ Bestaan uit meerlagig plaveiselepitheel met keratine.
80.Welke beweging is primair toegestaan in een scharniergewricht?
a. Flexie en extensie rond een transversale as (uniaxiaal). ✓
b. Rotatie rond een longitudinale as.
c. Abductie en adductie in twee vlakken.
d. Circumductie in drie vlakken.
81. Wat is correct over bicondylaire gewrichten (bijv. knie)?
Twee convexe condyli die articuleren met vlakke of concave oppervlakken.
Beweging hoofdzakelijk rond één as met beperkte rotatie om een tweede
as.
⬜ Volledig multiaxiale bewegingsvrijheid zoals in een kogelgewricht.
⬜ Altijd aanwezigheid van een intra–articulaire discus.
82.Welke stelling over vlakke gewrichten is onjuist?
a. Ze hebben meestal strakke kapsels voor stabiliteit.
b. Vlakke gewrichten laten geen beweging toe. ✓
c. Ze laten glijbewegingen toe.
d. Ze hebben hyalien kraakbeen op de articulerende oppervlakken.
UITZONDERING Hoewel beweging gering is, kunnen cumulatieve
glijbewegingen functioneel relevant zijn (bijv. AC–gewricht).
83.Kies de juiste combinaties van voorbeeld en gewrichtstype.
Elleboog (humero–ulnaris): scharnier.
Radiocarpale pols: condylair.
⬜ Atlanto–axiaal: condylair.
Heup (coxae): kogel.
CMC–duim: zadel.
⬜ AC–gewricht: draaigewricht.
AFKORTING CMC: carpometacarpale (art. carpometacarpalis pollicis).
gnkuu.nl → DS ‘26 → anatomie → antwoorden → 23