Het algemene leerstuk van het strafbaar stellen van voorbereiding zorgt ervoor dat gevaarlijke
gedragingen terecht/gerechtvaardigd kunnen worden aangepakt.
Argumenten vóór de stelling
1. Vroegtijdig ingrijpen ter voorkoming van ernstige schade
a. Volgens Van Kempen en Mols maakt strafbaarstelling van voorbereiding het mogelijk om
al vóór voltooiing van een ernstig misdrijf in te grijpen. Dit is gerechtvaardigd wanneer de
te beschermen rechtsgoederen zwaar wegen, zoals leven en veiligheid. Strafrechtelijk
ingrijpen in de voorfase kan daadwerkelijke schade voorkomen en is daarmee preventief
legitiem.
2. Effectieve bescherming tegen zware en georganiseerde criminaliteit
a. Mols benadrukt dat georganiseerde criminaliteit en terrorisme zich juist kenmerken door
planmatig handelen. Het voorbereidingsdelict maakt het mogelijk om criminele netwerken
aan te pakken voordat zij hun plannen uitvoeren. Dit rechtvaardigt een ruimere
strafrechtelijke aansprakelijkheid in de voorfase.
3. Strafwaardigheidsbeginsel laat ruimte voor beperkte overinclusiviteit
a. Van Kempen stelt dat strafwaardigheid geen absoluut vereiste is maar een beginsel.
Enige overinclusiviteit is onvermijdelijk en soms zelfs wenselijk om effectief te kunnen
optreden tegen gevaarlijke gedragingen. Het voorbereidingsdelict past binnen deze
benadering zolang het wordt begrensd door proportionaliteit en rechterlijke toetsing.
4. Juridische inkadering via uiterlijke verschijningsvormen
a. In Samir A. laat de Hoge Raad zien dat niet elke voorbereiding strafbaar is, maar alleen
gedragingen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm zijn gericht op voltooiing van een
misdrijf. Dit voorkomt dat louter intenties strafbaar worden gesteld en legitimeert ingrijpen
bij concreet gevaar.
Argumenten tegen de stelling
1. Risico op overcriminalisering en overinclusiviteit
a. Van Kempen waarschuwt dat voorbereidingsdelicten gedragingen kunnen omvatten die
op zichzelf niet strafwaardig zijn. Hierdoor bestaat het risico dat het strafrecht te ver naar
voren schuift en gedragingen criminaliseert die nog geen concrete schade of gevaar
opleveren.
,2. Spanningen met het ultimum remedium-beginsel
a. Buisman benadrukt dat het strafrecht het uiterste middel behoort te zijn. Strafbaarstelling
van voorbereiding maakt vroeg ingrijpen mogelijk, maar dat kan botsen met het idee dat
eerst minder ingrijpende middelen moeten worden ingezet, zoals bestuursrecht of
toezicht.
3. Bewijsproblemen en interpretatieruimte
a. Voorbereidingshandelingen zijn vaak dubbelzinnig. Het vaststellen van opzet en
gevaarlijkheid is lastig en laat veel ruimte voor interpretatie door opsporing en rechter. Dit
vergroot het risico op willekeur en ongelijke toepassing.
4. Chilling effect op niet-strafwaardig gedrag
a. Van Kempen wijst erop dat te ruime strafbaarstellingen burgers kunnen afschrikken van
legaal gedrag, uit angst dat dit als voorbereiding kan worden aangemerkt. Dit ondermijnt
rechtszekerheid en de vrijheid van burgers.
, Stelling week 2
In de memorie van toelichting stelt de wetgever het volgende (p. 4):
“Doel van het wetsvoorstel is een adequate en herkenbare strafrechtelijke reactie mogelijk te
maken op seksueel grensoverschrijdend gedrag dat in de hedendaagse en digitaliserende
samenleving als strafwaardig wordt ervaren. Als gevolg hiervan wordt de (online) veiligheid van
eenieder in Nederland vergroot. Met een actueel wettelijk kader dat aansluit bij de
maatschappelijke realiteit worden slachtoffers beter beschermd. Zij kunnen in meer situaties
aangifte doen. Politie en OM zullen meer mogelijkheden hebben om op te treden tegen strafbaar
gedrag. Bij constatering van een strafbaar feit kunnen opsporing en vervolging plaatsvinden. En
bij bewezenverklaring kan een passende straf of maatregel worden opgelegd. Daarnaast geeft
het wetsvoorstel een duidelijk signaal af aan (potentiële) daders dat seksueel
grensoverschrijdend gedrag niet acceptabel is en streng wordt bestraft. Daarmee gaat van dit
wetsvoorstel ook een onmiskenbare normerende en preventieve werking uit.”
Argumenten vóór
1. De wet sluit beter aan bij het moderne instemmingsdenken
a. De verschuiving van dwang en geweld naar het centraal stellen van het ontbreken van de
wil past bij het maatschappelijke uitgangspunt dat seks alleen aanvaardbaar is bij
instemming. Daardoor wordt seksueel grensoverschrijdend gedrag herkenbaarder
strafbaar gesteld en sluit de wet beter aan bij hoe slachtoffers het ervaren.
2. Schuldverkrachting verlaagt de drempel waar het oude recht vaak vastliep
a. Onder het oude recht lag de nadruk sterk op dwang en het doorbreken van weerstand.
Met de schuldvariant kan eerder worden opgetreden tegen situaties waarin de wil
ontbreekt, maar opzet of dwang moeilijk te bewijzen is. Dat ondersteunt de belofte uit de
memorie dat slachtoffers in meer situaties aangifte kunnen doen en dat politie en OM
meer handelingsmogelijkheden krijgen.
3. Culpa met “ernstige reden te vermoeden” biedt een objectieve begrenzing
a. De gekozen formulering is bedoeld als zwaardere, begrensde schuldmaatstaf. De
verwijzing naar “ieder weldenkend mens” maakt duidelijk dat het moet gaan om
duidelijke, niet te missen signalen. Dit kan bijdragen aan rechtszekerheid en voorkomt
dat elke miscommunicatie strafrechtelijk wordt.
4. Verkrachting op afstand maakt het strafrecht toekomstbestendiger
a. De wet adresseert digitale en afstandsvormen van seksueel geweld, zoals dwang of
manipulatie waardoor iemand seksuele handelingen bij zichzelf verricht. Dit sluit aan bij
de doelstelling dat het kader past bij een digitaliserende samenleving en versterkt de
online veiligheid.