Primaire hemostase vorming van een bloedprop
Secundaire hemostase stollingscascade
Fibrinolyse opruimen van het stollingsproduct
Primaire Hemostase
1. adhesie vwf (gp1b) en aan collageen uit de vaatwand gp1a en 2a
2. activatie release granulae zorgen voor vasocontrictie door
tromboxane
activeren van andere trombo’s door tromboxane en ADP (met aspirine
een beetje te blokkeren (door verminderde vorming van tromboxaan)
3. secretie ca2+ voor secundaire hemostase en vwf uit granulae
4. aggregatie gp2b/3a dmv fibrinogeen
vwf zorgt ervoor dat boedbplaatjes beter aan de wand blijven plakken,
oook ter bescherming en ondersteuning van stollingsfactor 8 dus bij een
tekort aan vwf kan er ook een tekort aan sf8 ontstaan
Testen
- trombo’s tellen (<150= trombopenie)
- bloedingstijd (klein wondje maken en wachten tot het niet meer bloed)
- PFA = platelet function analysis (stollingstijd buiten het lichaam)
(niet betrouwbaar als bloedplaatjes <80.000 en ht<30%)
herkenbaar door slijmvlies bloedingen en blauwe plekken
stoornissen
- trombopenie (te weinig trombo’s) verminderde aanmaak, verhoogde
afbraak, verdunning, sequestratie (splenomegalie)
- trombopathie – aangeboren of verworven aspirine remt
cyclooxygenase waardoor de vorming van tromboxaan verminderd; plavix
remt aggregatiereceptoren + lever en nierziekten
- ziekte van von wilebrard
VWF wordt gemaakt door het endotheel en door megakaryocyten
(voorloper cellen van trombo;s)
Type 1 verminderde hoeveelheid
Type 2 verminderde functie
,- 2a= verhoogde afbraak
-2b=toegenomen binding met trombo’s
-2n= abnormale binding met 8 enige manier om dit aan te tonen is de
manier waarop vwf aan 8 bind, dit doe je met ELISA
-2m= verlaagde activiteit
Type 3vrijwel afwezig
Behandeling
Tranexaminezuur= aanvullende therapie het remt de fibrynolyse
DDAVP (minrin) = VWF en factor komen vrij (beperkte gift)
VWF concentraat(onbeperkt iv geven bij operatie)
Secundaire hemostase
Vooral bleodingen in botten en gewrichten
Meten:
PT tijd 12-14 seconden EXTRINSIEK
Remt alleen dat rechte stuk 7-10-5-2 en fibrine
Wordt gemeten bij bijvoorbeeld gebruik van anticoagulantia
INR= PT patient/ PT gemiddeld van het LAB
APTT 25-35 seconden INTRINSIEK
Bij hemofilie varianten en heparine gebruik (meet als enige factor 7 en 13
niet)
Coumarine derivaten
Remmen vit k afhankelijke stollingsfactoren
2-7-9-10
proteine CS (factor 5 en 8)
Vitamine k zorgt voor carboxyering van glutamaat
tekort aan factor 12 geef tgeen stollingsstoornis
Remmers van de bloedstolling
TFPI (tissue factor pathway inhibitor)
, CS systeem remmen 5 en 8
antitrombine remmen factor 2 (trombine) en 10(versneld door
heparine)
trombine en zijn eigen negatieve feedbackbind aan trombomoduline aan
het oppervlak van het endotheel en activeert dan het proteine C
(proteine s is co-factor)
Fibrinolyse
TAFI remt fibrinolyse
Fibronogeen wordt door trombine omgezet in fibrine. Dat wil je ook weer
afbreken wat gebeurt door plasmine. Maar plasmine moet ook nog
worden omgezet vanuit plasminogeen.
Dat gebeurt door Tpa en Upa (wordt geremd door PAI1 en 2)
Dan kan het nog op een manier worden geremd en dat is het remmen
van plasmine zelf door alfa2-PI.
Plasmine maakt in iedergeval dat fibrine wordt omgezet in
afbraakproducten
DIS diffuse intravasale stolling.
Onnodig wordt de stolling aangezet, waardoor alle stolingsproducten
worden verbruikt en er niks meer overblijft waardoor je overal bloedingen
krijgt. Ten eerste ontstaat er dus microtrombi in de circulatie.
<trombo’s
> APTT en PT
fibrineafbraakproducten kun je bepalen door de D-Dimeer bepaling.
Dit geeft een hemolytische anemie.
Protrombinase complex 5 en 10 zet protrombine om in trombine (2 in 2a)
Bernard-soulier ontbreken van de gb1b receptor waar vwf aan bind
Ziekte van glanzmann—ontbreken de receptor voor aggregatie
Bloedaanmaak