Grammatica
Zinsdelen enkelvoudige zin
Persoonsvorm = die vorm van het werkwoord hoort bij de persoon of de
personen die de gebeurtenis laat of laten gebeuren.
Hoe vind je de persoonsvorm?
1. Verander de tijd in de zin. Het werkwoord dat veranderd is de
persoonsvorm.
2. Maak de zin vragend. Het werkwoord dat vooraan in de zin komt te
staan, is de persoonsvorm.
3. Verander de persoon of het dier of ding die bij de persoonsvorm
staat van enkelvoud naar meervoud of andersom. Het woord dat
door die verandering mee veranderd is de persoonsvorm.
Onderwerp = het zinsdeel waarin de persoon, het dier of ding genoemd
staat, is het onderwerp van de zin. Het onderwerp drukt dus uit wie of wat
de gebeurtenis laat gebeuren.
Hoe vind je het onderwerp in de zin?
Wie of wat + persoonsvorm + andere werkwoorden
Werkwoordelijk gezegde = alle werkwoorden in een zin, inclusief de
persoonsvorm, die samen een handeling uitdrukken
Naamwoordelijk gezegde = bestaat uit een koppelwerkwoord (zoals
zijn, worden, blijven) en een naamwoordelijk deel (een zelfstandig of
bijvoeglijk naamwoord) dat een eigenschap, functie of toestand van het
onderwerp aangeeft.
Lijdend voorwerp = het zinsdeel dat vertelt wie of wat iets ondergaat.
Hoe vind je het lijdend voorwerp in de zin?
Wie of wat + gezegde + onderwerp
Komt nooit voor in een zin met een naamwoordelijk gezegde!
, Meewerkend voorwerp = degene die iets ontvangt of verneemt of van
wie iets wordt afgenomen.
Hoe vind je het meewerkend voorwerp in de zin?
Aan wie + gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp
Voorzetselvoorwerp = Een voorzetselvoorwerp lijkt op een lijdend
voorwerp. Toch zijn er erg belangrijke verschillen. Het belangrijkste
verschil is dat een lijdend voorwerp niet met een voorzetsel begint en het
voorzetselvoorwerp juist wel. Ook kan een voorzetselvoorwerp bij alle
gezegdes voorkomen (werkwoordelijk gezegde en naamwoordelijk
gezegde).
Hoe vind je het voorzetselvoorwerp?
1. Zoek eerst persoonsvorm, onderwerp, gezegde, lijdend voorwerp,
meewerkend voorwerp.
2. Kijk of je een zinsdeel vindt dat begint met een voorzetsel.
Dar voorzetsel aan het begin van een voorzetselvoorwerp heeft
speciale kenmerken. Die kenmerken zijn:
- Het voorzetsel vormt met het zelfstandig werkwoord een vaste
combinatie;
- Het voorzetsel drukt geen plaatsbepaling uit.
Bijwoordelijke bepaling = zinsdeel dat extra informatie geeft over het
werkwoord, zoals waar, wanneer, hoe, of waarom iets gebeurt.
Bijvoorbeeld:
Gisteren hebben we met bijna iedereen uit de straat heerlijk gebarbecued
in onze tuin.
Persoonsvorm = hebben
Onderwerp = we
Gezegde = hebben gebarbecued
Wat houd je over? —> gisteren, met bijna iedereen uit de straat, heerlijk
en in onze tuin.
Bijwoordelijke bepalingen = Gisteren, met bijna iedereen uit de straat,
heerlijk, in onze tuin.
Zinsdelen enkelvoudige zin
Persoonsvorm = die vorm van het werkwoord hoort bij de persoon of de
personen die de gebeurtenis laat of laten gebeuren.
Hoe vind je de persoonsvorm?
1. Verander de tijd in de zin. Het werkwoord dat veranderd is de
persoonsvorm.
2. Maak de zin vragend. Het werkwoord dat vooraan in de zin komt te
staan, is de persoonsvorm.
3. Verander de persoon of het dier of ding die bij de persoonsvorm
staat van enkelvoud naar meervoud of andersom. Het woord dat
door die verandering mee veranderd is de persoonsvorm.
Onderwerp = het zinsdeel waarin de persoon, het dier of ding genoemd
staat, is het onderwerp van de zin. Het onderwerp drukt dus uit wie of wat
de gebeurtenis laat gebeuren.
Hoe vind je het onderwerp in de zin?
Wie of wat + persoonsvorm + andere werkwoorden
Werkwoordelijk gezegde = alle werkwoorden in een zin, inclusief de
persoonsvorm, die samen een handeling uitdrukken
Naamwoordelijk gezegde = bestaat uit een koppelwerkwoord (zoals
zijn, worden, blijven) en een naamwoordelijk deel (een zelfstandig of
bijvoeglijk naamwoord) dat een eigenschap, functie of toestand van het
onderwerp aangeeft.
Lijdend voorwerp = het zinsdeel dat vertelt wie of wat iets ondergaat.
Hoe vind je het lijdend voorwerp in de zin?
Wie of wat + gezegde + onderwerp
Komt nooit voor in een zin met een naamwoordelijk gezegde!
, Meewerkend voorwerp = degene die iets ontvangt of verneemt of van
wie iets wordt afgenomen.
Hoe vind je het meewerkend voorwerp in de zin?
Aan wie + gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp
Voorzetselvoorwerp = Een voorzetselvoorwerp lijkt op een lijdend
voorwerp. Toch zijn er erg belangrijke verschillen. Het belangrijkste
verschil is dat een lijdend voorwerp niet met een voorzetsel begint en het
voorzetselvoorwerp juist wel. Ook kan een voorzetselvoorwerp bij alle
gezegdes voorkomen (werkwoordelijk gezegde en naamwoordelijk
gezegde).
Hoe vind je het voorzetselvoorwerp?
1. Zoek eerst persoonsvorm, onderwerp, gezegde, lijdend voorwerp,
meewerkend voorwerp.
2. Kijk of je een zinsdeel vindt dat begint met een voorzetsel.
Dar voorzetsel aan het begin van een voorzetselvoorwerp heeft
speciale kenmerken. Die kenmerken zijn:
- Het voorzetsel vormt met het zelfstandig werkwoord een vaste
combinatie;
- Het voorzetsel drukt geen plaatsbepaling uit.
Bijwoordelijke bepaling = zinsdeel dat extra informatie geeft over het
werkwoord, zoals waar, wanneer, hoe, of waarom iets gebeurt.
Bijvoorbeeld:
Gisteren hebben we met bijna iedereen uit de straat heerlijk gebarbecued
in onze tuin.
Persoonsvorm = hebben
Onderwerp = we
Gezegde = hebben gebarbecued
Wat houd je over? —> gisteren, met bijna iedereen uit de straat, heerlijk
en in onze tuin.
Bijwoordelijke bepalingen = Gisteren, met bijna iedereen uit de straat,
heerlijk, in onze tuin.