Als je iets wil produceren heb je productiefactoren/middelen nodig:
- arbeid
- kapitaal (geld, machines, gebouw..)
- natuur (grond)
- ondernemingsactiviteit (combineer bovenste 3 als ondernemer, dan maak je winst)
Productieproces: voeg 4 factoren samen tot een product.
Van andere ondernemingen ingekochte producten: intermediair verbruik/onderlinge
leveringen. Uiteindelijk komt dit wel in het eindproduct. Je hebt eindproduct dus deels niet
zelf gemaakt -> dat deel hoort niet bij de productie.
Toegevoegde waarde is de waardevermeerdering aan producten die bij andere
ondernemingen zijn ingekocht.
bruto toegevoegde waarde = omzet - intermediair verbruik
netto tw = omzet - int. verbruik - afschrijvingen (afschrijvingen nodig om
vervangingsinvesteringen te doen)
De netto productie (of netto toegevoegde waarde) en het inkomen zijn gelijk.
Je kan het bruto binnenlands product op verschillende manieren berekenen:
1 Objectieve methode: Gebruik de toegevoegde waarde. Trek intermediair gebruik van
ondernemingen omzet af (=bruto TW), vervolgens TW overheid (=ambtenarensalarissen)
eraf. Dan heb je bbp.
2 Subjectieve methode: Via inkomens (dat kan, want netto productie = inkomen) .
Omzet onderneming bepaald door prijzen: inbegrepen in prijs is indirecte belasting
(kostprijsverhogende belasting: btw en accijns-> verhoging verkoopprijs) en subsidies
(verlaging verkoopprijs -> kostprijsverlagende subsidies).
Productie + indirecte belasting - subsidies = productie tegen marktprijzen. (want ze maken
deel uit van de prijs op de markt). Alleen productie (zonder subsidie en belasting) is de
productie tegen factorkosten.
Bereken bbp:
arbeidsloon ondernemingen + tw (ambtenarensalarissen) overheid + overig inkomen = netto
bbp tegen factorkosten
netto bbp tegen factorkosten + afschrijvingen = bruto bbp tegen factorkosten
bruto bbp tegen factorkosten + indirecte belasting - subsidies = bbp tegen marktprijzen
3 bbp via bestedingen: Het gaat om de finale bestedingen (alle aankopen excl intermediair
verbruik). 4 soorten:
- consumptie (C) : bestedingen van huishoudens
- (netto) investeringen van ondernemingen (I): machines, gebouwen, etc.
- overheidsbestedingen (O) : materiële consumptie/investeringen overheid.
- export (E) en import (M). Samen netto-export (E-M).
(netto) productie = bestedingen: W=C+I+O+E-M (W is netto bp)
De voorraden zorgen ervoor dat de productie altijd gelijk blijft aan de bestedingen.
Voorraden zijn deel van de investeringen (I).
Nationale bestedingen: C + I + O vormen samen met netto-export (E - M) het bbp.
, Als nederlandse productiefactoren in het buitenland worden ingezet krijgt NL de factor
beloningen en vice versa. VB: werken in DU, maar wonen in NL, gaat het geld naar NL.
Deze internationale betalingen worden primaire beloningen genoemd.
Het saldo van de primaire beloningen buitenland reken je niet bij het bbp (want de productie
is ergens anders gebeurd) maar wel bij het nationaal inkomen (Y).
W = Y zonder te kijken naar primaire beloningen.
13.2 Kringloop en nationale rekeningen
In een kringloop krijg je zicht op de geldstromen binnen de economie.
- ondernemingen kopen diensten van productiefactoren in ruil voor loon
- huishoudens ontvangen beloning prod. factoren en ambtenarensalarissen overheid.
Inkomen gebruikt voor consumptie sparen en belasting.
- overheid
- buitenland
- financiële sector = de bank. de 4 andere sectoren kunnen hier sparen of lenen.
(huish: S, ondern.: I, O: saldo overheid (tekort/overschot), buitenland: netto-export.
Nationale rekeningen: geef hier bedragen geldkringloop weer. verdeel het in uitgaven (links)
en inkomsten (rechts). Elke sector heeft een eigen rekening.
een macro-economische identiteit is een gelijkheid in de economische kringloop.
C gezinsconsumptie E export
I netto-investeringen van ondernemingen M import
O overheidsbestedingen (netto) W netto binnenlands product
B belastingen Y netto nationaal inkomen
S gezinsbesparingen
- W=C+I+O+E-M