Week 1
Hoorcollege 1
N=1
Een N=1 is bij één persoon dingen laten registreren, om tot een conclusie te komen. Ofwel:
herhaaldelijke metingen bij 1 cliënt. Bijvoorbeeld een vragenlijst laten invullen of een
dagboek door cliënt.
Wat kun je ermee?
Het is een manier om samen met je cliënt te onderzoeken wat er aan de hand is. Kijk wanneer
de problemen spelen: wat gaat ermee samen?
Je kunt er het volgende mee onderzoeken:
In standhoudende factoren
Veranderingsgerichte hypothesen
Effect van de behandeling
Dit gebeurt vanuit de wortels van de (cognitieve) gedragstherapie.
Het diagnostisch proces in D&B II
Klachtanalyse
Probleemanalyse
Topografische analyse
Functieanalyse
Betekenisanalyse
Hypothesen
Registratie
Manipulatie
Analyse
Behandelplan
Reflectie
Verklarende analyse
We gaan proberen te verklaren waar het gedrag vandaan komt en hoe het in stand gehouden
wordt. Waarom speelt dit gedrag bij deze cliënt?
Denken als een gedragstherapeut
Mantra van de gedragstherapeut:
“Elk gedrag is een zinvolle reactie op een betekenisvolle situatie”
De gedragstherapeut maakt altijd deze analyse: waarom is het voor deze cliënt zinvol om deze
reactie uit te voeren?
Dit kan je ook invullen in het ABC-schema:
, Antecedent: betekenisvolle situatie
Behavior: gedrag
Consequent: zinvolle reactie
ABC-schema
Gedrag
Je wilt een concrete beschrijving van het probleemgedrag achterhalen. Dit kan op
verschillende niveaus:
Verbaal (overt): uitingen schelden, argumenteren, weerwoord blijven geven
Verbaal (covert): gedachten verbale dingen die je denkt in je hoofd
Psychofysiologisch: wat gebeurt er in mijn lichaam? warm, hart klopt sneller
Motorisch: wat vertoon ik met mijn lichaam? weglopen, dreigende houding
Gedragstekort? welk gedrag vertoont iemand misschien niet?
Antecedent
Wat gaat er allemaal vooraf aan het probleemgedrag (of juist niet)? Bijvoorbeeld:
Externe stimuli: dingen in de omgeving die je gedrag triggeren
Interne stimuli: iets van binnenuit dat triggert
Bredere situaties: wat voor situaties triggeren het wel en niet? denk aan
bijvoorbeeld op school of thuis
Inhibitorische stimuli: wat zorgt ervoor dat het gedrag niet of minder vertoond
wordt?
Consequent
Wat zijn de gevolgen van het gedrag? Bijvoorbeeld:
Intern: gevoel en gedachten
Extern: gedrag bijvoorbeeld elke keer door je moeder geknuffeld worden als je
ruzie hebt gehad: je wordt eigenlijk beloond
Bij zelf en bij anderen: hoe heeft de omgeving er last van?
Op korte en lange termijn: je ziet vaak dat de korte-termijn consequenties belonend
zijn.
Werkcollege 1
Het eerste gesprek
Doelen van het eerste gesprek:
1. Opbouwen van de werkrelatie
2. Informatie uitwisselen:
a. Vertellen wat er gaat gebeuren
b. Informatie krijgen van de cliënt
Werkrelatie opbouwen
3 dingen belangrijk voor een goede werkrelatie:
, 1. Affectieve band
2. Overeenstemming over activiteiten
3. Overeenstemming over doelen
Jongeren vinden vooral de affectieve band belangrijk: als ze gevoelsmatig geen klik ervaren,
houden ze er al snel mee op.
Er zijn wel eens mensen die zeggen dat een therapeutische relatie voldoende is voor hulp. Dit
is niet zo: een therapeut moet nog extra vaardigheden in huis hebben. Besef: de relatie is de
basis en vanuit daar kun je gaan kijken wat je kan doen om je cliënt te helpen.
Hoe bouw je een goede werkrelatie op?
Empathische houding: erkennen dat het zwaar is voor iemand. Pas op met ‘begrijp ik’:
je hebt het niet altijd zelf meegemaakt, dus je begrijpt het niet. Zeg eerder: ‘jeetje wat
heftig lijkt me dat’.
Samenwerkende houding
Transparante communicatie: bijvoorbeeld communiceren dat je sommige dingen niet
geheim mag houden, zoals mishandeling
Expliciet aandacht aan de werkrelatie besteden: vragen hoe je cliënt dit voelt. Dit kan
je doen d.m.v. Feedback Informed Treatment een methode om feedback te
krijgen (SRS).
o Alles wat je doet als hulpverlener wordt effectief als je FIT toepast.
Hoe gebruik je de SRS?
Ter afronding van elk gesprek: invullen en bespreken. Vragen die je kan stellen zijn:
o “Wat maakt dat je deze score invulde?”
o “Wanneer zou de score omhoog gaan, wat kan ik anders doen?”
Let op: het is spannend maar reëel geen enkele therapeut is perfect voor elke cliënt.
Het is een kwestie van afstemming: weten wat je cliënt fijn vindt/nodig heeft.
DUS: sta oprecht open voor kritiek
EN: doe niet niks met de feedback! Pas het toe, verbeter je handelen.
ORS: hoe gaat het met u?
Los van het onderzoeken hoe het gaat met de werkrelatie, kijk je ook hoe het met de cliënt
gaat. Als het slechter gaat, bespreek je dit ook even. Ook kan je het oplossingsgericht
insteken: het gaat beter, hoe kan dat?
Waarom neem je dit af?
Checken of de behandeling wel leidt tot een verbetering in het welbevinden
Aan de cliënt laten zien dat het welbevinden centraal staat
Klachtanalyse uitvragen
Jij wilt de klachten begrijpen
o Leg wel aan de cliënt uit waarom je de vragen stelt: om echt te begrijpen wat
er nou speelt bij die cliënt
Dit doe je door te concretiseren: wat en waarom?
, Paragraaf 1 in het N=1 verslag
1. Inhoud van het probleemgedrag. Omschrijf het geselecteerde probleemgedrag en de
bijbehorende klachten in termen van observeerbaar, concreet gedrag.
2. Duur en frequentie. Hoe lang speelt dit al, en hoe vaak komt het voor? Is het
probleem gedrag stabiel of wisselend?
3. Aanleiding. Lijkt er een aanleiding te zijn voor het probleemgedrag? Is er
bijvoorbeeld iets bijzonders gebeurd of waren er grote veranderingen in de periode dat
het begon?
4. Gevolgen. Wat zijn de gevolgen van het probleemgedrag voor de cliënt? In welke
mate verstoort dit het functioneren? En wat voor invloed heeft het probleemgedrag op
anderen?
5. Antecedenten: Wat gaat vooraf aan het probleemgedrag? Zijn er factoren die het
probleemgedrag uitlokken of juist verhinderen? In welke situaties komt het
probleemgedrag voor, of juist niet? (Deze informatie heb je nodig om voor jezelf een
ABC schema uit te denken.) anders dan een aanleiding: antecedenten zijn triggers
in dit moment. Aanleidingen waren vroeger hetgeen wat voor de problemen nu
gezorgd heeft.
6. Genomen maatregelen en effecten. Heeft jouw cliënt eerder geprobeerd iets te
veranderen en wat was het resultaat daarvan?
7. Attributies. Dit zijn de hypothesen die je cliënt zelf heeft. Oftewel: Wat is volgens
jouw cliënt de oorzaak van het probleemgedrag?
8. Positieve uitzonderingen. Zijn er momenten dat de antecedent er wel is, zonder het
probleemgedrag? Hoe krijgt je cliënt dat voor elkaar op dat moment? Wat heeft je cli-
ent dus (misschien onbewust) al aan oplossingen in huis? ook belangrijk voor de
antecedenten: je wilt ook weten wanneer het niet optreedt. Hierdoor ga je begrijpen
waarom het wel optreedt.
9. Hulpvragen, wensen en verwachtingen. Wat wil jouw cliënt bereiken met een
eventuele behandeling (stel eventueel de wondervraag)? Beschrijf hier het doel en de
hulpvragen van jouw cliënt zo concreet mogelijk
Concretiseren
Zolang mensen verschillende interpretaties kunnen hebben bij wat er opgeschreven is, is het
niet concreet is.
Concretiseren is doorvragen. Bij gedrag doe je dat zo:
“U zegt… Kunt u daar wat meer over vertellen?”
“Hoe vaak komt het dan voor op een dag?”
“Kunt u daar een voorbeeld van geven?”
“Als Youri zich agressief gedraagt, wat doe hij dan?”
“Kunt u beschrijven wat u op zo’n moment denkt?”
“Merkt u het ook aan uw lichaam?”
“Wat zegt of doet u dan, op zo’n moment?”
“Hoe bang voelt u zich dan, op een schaal van 1-10?”
Bij antecedenten doe je dit zo:
“Op wat voor momenten heeft u dit?”