Chapter 1 Explanation and Understanding
Uitleg wordt in de sociale wetenschappen vaak als vanzelfsprekend gezien. Terwijl het niet altijd
makkelijk is om anderen uit te leggen wat we aan het doen zijn en er kunnen misvattingen zijn over
wat de sociale wetenschappen nu precies doen. Comte zei over uitleg: “The explanation of facts is
simply the establishment of a connection between single phenomena and some general facts.” Dus:
Een wetenschappelijke uitleg is een deductie van algemene wetten. Hij vond empirisch onderzoek
doen het belangrijkste binnen de wetenschap; dit wordt positivisme en later het logisch positivisme
genoemd. Centraal hierbinnen was het “Deductive-Nomological model” (D-N).
Dit wordt ook wel de “covering law model of explanation” genoemd. Bij deze wet hoorde als eerste
het epistemologische concept van Hempel: De relatie tussen de explanans (‘Initial Conditions’) en de
explanandum (‘Logical Consequence’) is logisch. In dit model werden later steeds meer
toevalligheden en waarschijnlijkheden opgenomen. Bij dit model wilde hij geen mechanisch inzicht
krijgen in de mens, maar de empirische fenomenen begrijpen. Veel wetenschappers geloofden niet
dat men de maatschappij kon begrijpen zonder mechanisch inzicht, omdat geen enkel mens dezelfde
actie precies hetzelfde doet.
Toen ging men ervan uit dat de menselijke handeling alleen te begrijpen was vanuit het begrip
‘verstehen’. Dit wordt ook wel de interpretatieve sociologie genoemd.
Het model van Hempel werkt niet! Ten eerste ging hij ervan uit dat de uitleg van gebeurtenissen de
voornaamste taak was. Gebeurtenissen zijn lokaliseerbaar wat betreft tijd en plaats. Terwijl in de
‘abstracte wetenschappen’ (biologie, scheikunde) tijd en plaats helemaal geen waarde hebben. Ook
zegt hij dat uitleg en voorspelling hetzelfde zijn. VB. Als men zegt als a gebeurt, dan gebeurt b. Kan je
b dus voorspellen.
Volgens R. L. Franklin is dit de definitie van ‘understanding’: “Understand” is a word we understand
as well as any, but we do not understand philosophically what it is to understand. The word catches
some notion important enough to appear in many of our book titles, yet in an age of linguistic
analysis it has virtually escaped investigation in English-speaking philosophy. Maar hoe kunnen we
een fenomeen begrijpen; wat maakt de wereld ‘begrijpelijker’.
Ten eerste gaat het om wetenschappelijk begrijpen. Hierin speelt causaliteit een belangrijke rol. Ook
gaat het niet om uitleg van bepaalde patronen of gebeurtenissen, want deze zijn uit te leggen aan de
hand van al bestaande theorieën, maar het gaat om het begrijpen van de fundamentele processen
van de natuur. Uitleg veronderstelt begrip!
Zoals eerder gezegd zijn causale mechanismen erg belangrijk in het begrijpen van fundamentele
processen. Hume zei over causaliteit dat het enige wat we hierover weten is, dat er een verbinding
bestaat tussen a en b. Empirisch onderzoek is hierbij belangrijk, omdat men bewijs en uitleg nodig
heeft voor causaliteit; het metafysische moest verbannen worden.
Bij het gebruik van het D-N model, wordt veel gebruik gemaakt van correlatie. Correlatie kan wel
voorspellen, maar niet verklaren. Hier is dus een duidelijk verschil te zien, met het covering law
model. Dit geldt ook voor veel logische uitspraken, het kan dan wel logisch zijn, maar dit betekent
niet dat dit argument een uitleg is; Het feit dat elke F een G is, faalt uit te leggen waarom elke F een
G is. Hieruit is niet af te leiden dat er een verbinding is tussen F en G, dit is een andere voorwaarde
,voor de uitleg. Er moet een bepaalde logica in het causale verband zitten. Een ander idee bij dit
causale verband is dat men denkt dat elk ding zijn eigen causale relatie heeft met iets, wat de natuur
heeft vastgesteld.
Het komt er op neer dat er zowel toevalligheid als noodzakelijkheid voorkomt bij een causale relatie.
Chapter 2 Theory, experiment and the metaphysics of Laplace
In het vorige hoofdstuk is al gezegd dat het begrijpen komt, wanneer er een bevestigde theorie is
over een voortbrengend mechanisme. Maar hoe wordt zo’n theorie geconstrueerd en hierover
overeenstemming bereikt?
Atkins zei hier het volgende over: “any final theory, if there is one, is likely to be a purely abstract
account of the fundamental structure of the World, an account that we might possess but not
comprehend.” In de definitie van Harré over theorie is interpretative noodzakelijk: “A theory consists
of a representation of the structure of the enduring system in which those events occur which as
phenomena are its subject matter, and by which they are generated.”
Volgens Harré zijn er hypothesen van verschillende typen: (1) existentieel; ‘atomen bestaan’, (2) een
model beschrijving; ‘moleculen bewegen random’, (3) een causale hypothese; ‘druk wordt
veroorzaakt door de impact van moleculen’ en (4) modale verandering; ‘temperatuur is een andere
manier van het meten vaan de gemiddelde kinetische energie’.
Er zijn wel problemen bij het maken van een theorie. Men kan niet uit de eigen omgeving en
geschiedenis en vanuit een soort godheid de wereld zien en begrijpen. Dus geen enkele waarheid is
zeker en elke waarheid is herzienbaar in het licht van een nieuwe ervaring. Dus het is fout om te
veronderstellen, dat als wij iets waar vinden, de interventie die hierop volgt ook gerechtvaardigd is.
Er zijn twee beweringen over wetenschappelijke methodes: 1 De inductieve assumptie, waar veel
hypothesen op gebaseerd zijn, hoeft niet altijd de beste assumptie te zijn. 2 Sinds we hypothesen
nooit volledig kunnen weerleggen, moeten hypothesen weerlegbaar zijn.
Er zijn drie factoren waardoor een theorie ook weerlegbaar kan zijn: De significantie van het bewijs,
een altijd presente ‘fudge fator’ en de uitleg van de theorie zelf. Volgens Hempel is de functie van de
theorie om uitleg te verstrekken.
Het sleutelkenmerk van experimenten is dat de onderzoeker actief intervenieert in de loop van de
natuur. Het is de bedoeling dat men alle elementen isoleert , behalve het element die men wil
bestuderen. De onderzoeker zoekt op dat moment bij zijn experiment ‘closure’. Hier is sprake van als
er aan de pertinente beginvoorwaarden zijn gedaan, als er een mechanisme geïsoleerd kan worden
die verantwoordelijk is voor de uitkomst en er moet een constante factor zijn in de omstandigheden.
Deze situatie is totaal anders dan de echte natuur, welke een open systeem is.
In de wetenschap voor veel gedacht dat voorspelling en uitleg hetzelfde zijn. Toch is dit niet zo. Er
wordt veel gezegd dat een goede theorie, goede voorspellingen maakt. Maar het doel van een
theorie is juist, om steeds nieuwe ontdekkingen te doen.
Laplace had het idee dat een theorie met n-variabelen en n-vergelijkingen de hele wetenschap
rekenkundig maakten. Volgens hem kun je de wereld namelijk zien als één groot gesloten systeem.
Deze assumptie hoort ook bij het ‘regularity determinism’: “The world is so constituted that there are
descriptions such that for every event the simple formula, ‘whenever this, then that’ applies”. Toch is
ere en paradox binnen dit idee: Als een voorspelling niet uitkomt, kan men zoveel mogelijk factoren
, toevoegen, totdat dit wel gebeurt. Of men kan alle factoren verwijderen, omdat er geen enkele
specifiek bij de gebeurtenis hoort.
Veel gebeurtenissen zijn naderhand uit te leggen, maar waren van te voren nooit te voorspellen. Dit
komt door ‘tijd’, tijd maakt het verschil.
Al onze uitleg zal incompleet zijn. De inspanning om de oorzaken te vinden zal na een tijdje
wegvagen, omdat we aan de eis voor uitleg van de gebeurtenis hebben voldaan.
Chapter 3 Explanation and understanding in the social sciences
Volgens de schrijvers van dit boek zijn er geen belangrijke verschillen tussen de geestesweten-
schappen en de natuurwetenschappen. Wel zijn er grote verschillen. Eén daarvan is dat het
bestuderen van mensen niet hetzelfde is als het bestuderen van dingen. De objecten die bij de
geesteswetenschappen worden bestudeerd bestaan niet onafhankelijk van ons, in tegenstelling tot
de objecten die bij de natuurwetenschappen worden bestudeerd.
Mensen zijn sociale wezens en ze ondernemen hun eigen acties. Alles wat er gebeurd heeft een
verband met elkaar en dat heet causaliteit. Doordat niemand hetzelfde pad wandelt is ook niemand
precies hetzelfde. Individuen zijn dan ook geen gesloten, maar open systemen.
Toch zijn er dingen zoals menselijke anatomie en fysiologie al biologisch vastgelegd. Net zoals er in
populaties verschillende ‘kleuren’ mensen voorkomen, wat zijn weer van hun ouders hebben geërfd.
Het woord ras kan men niet erven, maar is een sociale constructie. Men kan in heel veel opzichten
gelijk aan elkaar zijn, maar als men een andere kleur heeft hoort diegene bij een ander ras.
Kritiek op deze sociale constructie is al volgt. Er nauwelijks verschil in genetische diversiteit
tussen/binnen groepen. Er is geen correlatie tussen geno- en fenotype. Dus genen kunnen wel
uitleggen waarom wat gebeurt met een individu, maar ras als biologische categorie kan dit zeker
niet.
Searle kwam met de term collectieve intentionaliteit, wat zoiets betekent als het meedoen van
mensen in coöperatief gedrag en hierbij hun eigen taal gebruiken, maar ook intentionele toestanden
delen zoals het geloof, wensen en intenties.
De capaciteiten en mogelijkheden die mensen krijgen zijn biologisch doorgegeven, maar wat je er
mee doet is door de omgeving bepaalt. Er zijn drie stellingen die bij dit onderwerp horen: niet is
voorgeprogrammeerd, elk persoon is idiosyncratisch oftewel anders en zowel nature als nurture zijn
betrokken bij de ontwikkeling van mensen.
De naturalisten zeggen dat mensen worden gedreven door determinisme en we dus geen keuze
hebben; de anti-naturalisten zeggen dat er zoiets bestaat als de vrije wil en zeggen dat we alles ook
anders hadden kunnen doen. Een eerste punt is dat we niet kunnen voorspellen wat mensen doen,
omdat ze open systemen zijn. Alles kan van invloed zijn op de keuzes die mensen uiteindelijk maken.
Toch is het zo dat de sociale wetenschappen extreem goed is in het voorspellen en uitleggen wat
individuen waarom doen. Een hulpmiddelen hierbij zijn redenen; redenen zijn oorzaken.
Searle had twee theorieën welke handelingen proberen uit te leggen: mentale oorzaken (rational
choice theory) en fysieke oorzaken (behaviorisme). Kritiek op het eerste model is wel, wat er onder
rationeel verstaan wordt.
Een derde model gaat over het voorgaande reden; deze moet geanalyseerd worden om de oorzaak