Verplichte literatuur week 1
● De inleiding en hoofdstuk 1 van Herzog 2018, p. 1-43.
● Het hoofdstuk ‘Historische ontwikkeling’ van Burkens 2022, p. 11-36.
● T. Honoré, Ulpian. Pioneer of human rights (2nd edition), Oxford: Oxford
University Press 2002, p. 84-89 (hierna: Honoré 2002).
● Het hoofdstuk ‘Historische ontwikkeling’ van Burkens 2022, p. 11-36.
hoofdstuk 2: historische ontwikkeling
2.1 De opkomst van de soevereine staat
staat → organisatievorm → bevolking binnen een bepaald territorium,
soevereine hoogste macht wordt uitgevoerd, met geweldsmonopolie.
2 vormen van soevereiniteit
1. externe soevereiniteit → het niet onderworpen zijn aan een macht van
buiten op eigen grondgebied. (erkenning)
2. interne soevereiniteit → het zijn van de hoogste macht binnen het eigen
grondgebied.
In de middeleeuwen gebruikte men een theocratische leer, in deze theorie is de
vorst de hoogste instantie, de soeverein, omdat hij in de naam van God regeert. Hij
stond dan ook boven de wet en kon deze ook nooit schenden. → droit divin
De praktijk was niet in overeenstemming met de feitelijke theorie. In de praktijk was
er sprake van feodalisme waarmee de vorst stukken land gaf aan leenmannen in
ruil voor militaire steun (contractuele relatie). deze contractuele relatie is terug te
zien in het magna carta 1215 en blijde Incomste 1356 → deze chartes hebben
primair ten doel hebben gewoonterecht, uitwerking van het natuurrecht, te
codificeren en te bestedingen.
De taak van de vorst wordt dan ook niet zozeer gezien in het scheppen van nieuw
recht, maar in het bewaren van het van oudsher geldende recht.
tegenover die theocratische leer, stond een leer waarin de vorst weinig
bevoegdheden had. zijn bevoegdheden werden begrensd door onveranderlijke, uit
de natuur voortvloeiende rechtsbeginselen → natuurrecht
- vorst: algemeen belang behartigen
- tiran: eigen voorkeuren nastreven
,de verzetsleer ontstond als tegenhanger van de theocratische visie, volgens deze
leer is de macht aan de vorst gegeven ten bate van zijn onderdanen. hoe hij zijn
macht uitvoerde werd als ‘’contract’’ vastgesteld met zijn onderdanen, voldeed de
vorst niet aan zijn verplichtingen? → contractbreuk. De onderdanen mochten dan in
verzet komen, niet zelfstandig, maar in een organisch gestructureerd geheel. Deze
leer is terug te vinden in het plakkaat der verlatinge 1581 → gaat uit van collectieve
historisch verworven privileges.
In europa namen koningen het over van de paus → godsdienstoorlogen. om dit te
voorkomen moesten de vorsten meer macht krijgen. hiervoor waren 3 dingen nodig:
1) Hij diende niet van andere partijen afhankelijk te zijn
2) Hij moest de bevoegdheid krijgen om nieuw recht te creëren
3) Hij moest zich niet met 1 van de partijen identificeren → hierdoor werd het
recht positief.
2.2 maatschappelijk contract
de verzetstheorie bood niet genoeg tegengewicht tegen de absolute theorie. De
natuurrechtelijke contractenleer deed dit wel. deze leer gaat uit van naar het
individu toekomende vrijheidsrechten. de individu is een vrij ontbonden persoon,
gelijkwaardig aan alle andere. deze individuen richten gezamenlijk een contract op,
waar zij vrijheden afgeven in ruil voor hun resterende vrijheden in rustig genot, dus
een centrale macht → de staat.
voldeed de staat niet aan het contract? contractbreuk → individuen mochten in
opstand komen.
,2.3 de klassiek liberale rechtsstaat
de geformuleerde uitgangspunten vormen de basis van de klassiek-liberale
rechtsstaat idee waarbij het belangrijkste principe de individuele vrijheid is, die door
het recht beschermt dient te worden. hiervoor zijn de volgende principes ontwikkeld:
Eisen van de rechtsstaat
1. Legaliteit: de macht van de staat is gebonden aan de wet (negatief
aspect),overheidsoptredens moeten dus een wettelijke grondslag
hebben.(positieve aspect)
2. machtsverdeling: 3 basisbevoegdheden van de staat, wetgeving, bestuur
en rechtspraak moeten gespreid worden over verschillende organen die
elkaar in evenwicht houden → trias politica: wetgevende, uitvoerende,
rechtsprekende macht. De overheidsorganen dienen elkaar te controleren.
3. Grondrechten: het primaat van het individu en zijn rechten zijn een
fundamenteel uitgangspunt van de klassiek-liberale rechtsstaat.
Fundamentele vrijheden dienen gewaarborgd te zijn in de vorm van
grondrechten, vervat in een document van hogere orde dan de gewone
formele , zodra deze rechten ook grenzen stellen aan de bevoegdheid van
de wetgever zelf.
4. rechterlijke controle: een neutrale derde beslist aan de hand van wetten
en dergelijke. De burger dient toegang te hebben tot een onafhankelijke
rechter.
machtsverdeling: niet alleen de rechter, maar ook de uitvoerende macht op
tweevoudige wijze aan de wet gebonden is. Het bestuur dient zich niet alleen te
houden aan de door de wet gestelde beperkingen, maar ontleent nu ook zijn
basisbevoegdheden aan de wet → legaliteitsbeginsel.
→ De wet is niet meer alleen een negatieve begrenzing, maar vormt ook de
positieve, funderende grondslag van de macht van het bestuur.
Grondrechten: een ieder heeft zijn eigen definitie van geluk en heeft het recht om
dat geluk na te streven. De paternalistische staat; die meent te weten wat zijn
onderdanen gelukkig maakt , is de grootste bedreiging van de individuele vrijheid. →
terugval naar de theocratische vorst.
De overheid dient zich zo veel mogelijk te onthouden van identificatie met een
bepaald mensbeeld, bepaalde godsdienst of politieke ideologie. → neutrale staat →
non-identificatie beginsel
omdat alle van nature gelijk zijn, dient ieder eenzelfde recht op vrijheid te
hebben. gelijkheid voor de wet betekent ook dat de wetgeving geen privileges
bevatten. deze voorrechten worden door de bataafse staatsregeling 1798 afgeschaft
, rechterlijke controle is enerzijds een uitwerking van het beginsel van
machtenspreiding, anderzijds het belangrijkste mechanisme om toe te zien op de
inachtneming van het legaliteitsbeginsel en de grondrechten. niemand dient rechter
te zijn in eigen zaak, deze gedachte is uitgewerkt, dat hiertoe een met waarborgen
voor onafhankelijkheid omgeven instantie aangewezen wordt → de rechterlijke
macht.
2.4 de democratische rechtsstaat
de belemmeringen van het feodale stelsel vormden de gildestelsel waarmee er een
verplichting was van het verrichten van onbetaalde arbeid ten behoeve van de adel
en de onvreembaarheid van van eigendommen, vooral onroerende goederen.
De klassieke-liberale denkers die toegang tot de politieke macht - de wetgever-
lieten afhangen van de economische wedloop → census/zelfstandigen kiesrecht
→ kiezen wanneer je een bepaald bezit, inkomen hebt.
- In strijd met de vrijheid en gelijkheid van ieder individu, economische
minderheden worden uitgezonderd in dit kiesrecht terwijl ieder individu
een gelijk aandeel kan hebben aan de invulling van de staatsmacht.
1848: vestiging van het parlementaire stelsel, maar hier was nog geen sprake van
een democratie. → kiesrecht aan de hand van census → genoeg belasting betalen.
democratie en rechtsstaat zijn twee aparte ideeën. Vanaf 1917 kwam het algemeen
mannen kiesrecht en in 1919 algemeen vrouwenkiesrecht → vanaf dat moment was
er sprake van de democratische rechtsstaat.
- doel van democratische rechtsstaat: bescherming van individuele
vrijheid van burgers.
democratie: de wil van de meerderheid is beslissend
Rechtsstaat: burgers hebben bepaalde rechten, onafhankelijk van de wil van de
meerderheid, iedereen krijgt deze rechten.
2.5 de sociale rechtsstaat
niet ieder individu heeft gelijke kansen, een dergelijke staat beschermt individuen die
gelijkwaardig en vrij zijn tot elkaar. verschillen kunnen opgeheft worden door
algemeen kiesrecht. maar dit is nog onvoldoende.
De overheid is steeds meer gaan ingrijpen in de sociaaleconomische sfeer. dit om
een situatie te creëren van gelijke kansen en iedereen de mogelijkheid had om van
zijn politieke en vrijheidsrechten gebruik te kunnen maken. Nederland werd steeds
meer een sociale rechtsstaat.
- taak klassiek liberale rechtsstaat: vrijheden en rechten van burgers in acht
te nemen en te beschermen tegen inbreuken van derden. (de vrijheid van,
juridisch geformuleerd in de klassieke grondrechten, te waarborgen)
- taak sociale rechtsstaat: actief omstandigheden te creëren die het de burger
daadwerkelijk mogelijk maakt zijn leven gestalte te geven. (vrijheid
garanderen)
● De inleiding en hoofdstuk 1 van Herzog 2018, p. 1-43.
● Het hoofdstuk ‘Historische ontwikkeling’ van Burkens 2022, p. 11-36.
● T. Honoré, Ulpian. Pioneer of human rights (2nd edition), Oxford: Oxford
University Press 2002, p. 84-89 (hierna: Honoré 2002).
● Het hoofdstuk ‘Historische ontwikkeling’ van Burkens 2022, p. 11-36.
hoofdstuk 2: historische ontwikkeling
2.1 De opkomst van de soevereine staat
staat → organisatievorm → bevolking binnen een bepaald territorium,
soevereine hoogste macht wordt uitgevoerd, met geweldsmonopolie.
2 vormen van soevereiniteit
1. externe soevereiniteit → het niet onderworpen zijn aan een macht van
buiten op eigen grondgebied. (erkenning)
2. interne soevereiniteit → het zijn van de hoogste macht binnen het eigen
grondgebied.
In de middeleeuwen gebruikte men een theocratische leer, in deze theorie is de
vorst de hoogste instantie, de soeverein, omdat hij in de naam van God regeert. Hij
stond dan ook boven de wet en kon deze ook nooit schenden. → droit divin
De praktijk was niet in overeenstemming met de feitelijke theorie. In de praktijk was
er sprake van feodalisme waarmee de vorst stukken land gaf aan leenmannen in
ruil voor militaire steun (contractuele relatie). deze contractuele relatie is terug te
zien in het magna carta 1215 en blijde Incomste 1356 → deze chartes hebben
primair ten doel hebben gewoonterecht, uitwerking van het natuurrecht, te
codificeren en te bestedingen.
De taak van de vorst wordt dan ook niet zozeer gezien in het scheppen van nieuw
recht, maar in het bewaren van het van oudsher geldende recht.
tegenover die theocratische leer, stond een leer waarin de vorst weinig
bevoegdheden had. zijn bevoegdheden werden begrensd door onveranderlijke, uit
de natuur voortvloeiende rechtsbeginselen → natuurrecht
- vorst: algemeen belang behartigen
- tiran: eigen voorkeuren nastreven
,de verzetsleer ontstond als tegenhanger van de theocratische visie, volgens deze
leer is de macht aan de vorst gegeven ten bate van zijn onderdanen. hoe hij zijn
macht uitvoerde werd als ‘’contract’’ vastgesteld met zijn onderdanen, voldeed de
vorst niet aan zijn verplichtingen? → contractbreuk. De onderdanen mochten dan in
verzet komen, niet zelfstandig, maar in een organisch gestructureerd geheel. Deze
leer is terug te vinden in het plakkaat der verlatinge 1581 → gaat uit van collectieve
historisch verworven privileges.
In europa namen koningen het over van de paus → godsdienstoorlogen. om dit te
voorkomen moesten de vorsten meer macht krijgen. hiervoor waren 3 dingen nodig:
1) Hij diende niet van andere partijen afhankelijk te zijn
2) Hij moest de bevoegdheid krijgen om nieuw recht te creëren
3) Hij moest zich niet met 1 van de partijen identificeren → hierdoor werd het
recht positief.
2.2 maatschappelijk contract
de verzetstheorie bood niet genoeg tegengewicht tegen de absolute theorie. De
natuurrechtelijke contractenleer deed dit wel. deze leer gaat uit van naar het
individu toekomende vrijheidsrechten. de individu is een vrij ontbonden persoon,
gelijkwaardig aan alle andere. deze individuen richten gezamenlijk een contract op,
waar zij vrijheden afgeven in ruil voor hun resterende vrijheden in rustig genot, dus
een centrale macht → de staat.
voldeed de staat niet aan het contract? contractbreuk → individuen mochten in
opstand komen.
,2.3 de klassiek liberale rechtsstaat
de geformuleerde uitgangspunten vormen de basis van de klassiek-liberale
rechtsstaat idee waarbij het belangrijkste principe de individuele vrijheid is, die door
het recht beschermt dient te worden. hiervoor zijn de volgende principes ontwikkeld:
Eisen van de rechtsstaat
1. Legaliteit: de macht van de staat is gebonden aan de wet (negatief
aspect),overheidsoptredens moeten dus een wettelijke grondslag
hebben.(positieve aspect)
2. machtsverdeling: 3 basisbevoegdheden van de staat, wetgeving, bestuur
en rechtspraak moeten gespreid worden over verschillende organen die
elkaar in evenwicht houden → trias politica: wetgevende, uitvoerende,
rechtsprekende macht. De overheidsorganen dienen elkaar te controleren.
3. Grondrechten: het primaat van het individu en zijn rechten zijn een
fundamenteel uitgangspunt van de klassiek-liberale rechtsstaat.
Fundamentele vrijheden dienen gewaarborgd te zijn in de vorm van
grondrechten, vervat in een document van hogere orde dan de gewone
formele , zodra deze rechten ook grenzen stellen aan de bevoegdheid van
de wetgever zelf.
4. rechterlijke controle: een neutrale derde beslist aan de hand van wetten
en dergelijke. De burger dient toegang te hebben tot een onafhankelijke
rechter.
machtsverdeling: niet alleen de rechter, maar ook de uitvoerende macht op
tweevoudige wijze aan de wet gebonden is. Het bestuur dient zich niet alleen te
houden aan de door de wet gestelde beperkingen, maar ontleent nu ook zijn
basisbevoegdheden aan de wet → legaliteitsbeginsel.
→ De wet is niet meer alleen een negatieve begrenzing, maar vormt ook de
positieve, funderende grondslag van de macht van het bestuur.
Grondrechten: een ieder heeft zijn eigen definitie van geluk en heeft het recht om
dat geluk na te streven. De paternalistische staat; die meent te weten wat zijn
onderdanen gelukkig maakt , is de grootste bedreiging van de individuele vrijheid. →
terugval naar de theocratische vorst.
De overheid dient zich zo veel mogelijk te onthouden van identificatie met een
bepaald mensbeeld, bepaalde godsdienst of politieke ideologie. → neutrale staat →
non-identificatie beginsel
omdat alle van nature gelijk zijn, dient ieder eenzelfde recht op vrijheid te
hebben. gelijkheid voor de wet betekent ook dat de wetgeving geen privileges
bevatten. deze voorrechten worden door de bataafse staatsregeling 1798 afgeschaft
, rechterlijke controle is enerzijds een uitwerking van het beginsel van
machtenspreiding, anderzijds het belangrijkste mechanisme om toe te zien op de
inachtneming van het legaliteitsbeginsel en de grondrechten. niemand dient rechter
te zijn in eigen zaak, deze gedachte is uitgewerkt, dat hiertoe een met waarborgen
voor onafhankelijkheid omgeven instantie aangewezen wordt → de rechterlijke
macht.
2.4 de democratische rechtsstaat
de belemmeringen van het feodale stelsel vormden de gildestelsel waarmee er een
verplichting was van het verrichten van onbetaalde arbeid ten behoeve van de adel
en de onvreembaarheid van van eigendommen, vooral onroerende goederen.
De klassieke-liberale denkers die toegang tot de politieke macht - de wetgever-
lieten afhangen van de economische wedloop → census/zelfstandigen kiesrecht
→ kiezen wanneer je een bepaald bezit, inkomen hebt.
- In strijd met de vrijheid en gelijkheid van ieder individu, economische
minderheden worden uitgezonderd in dit kiesrecht terwijl ieder individu
een gelijk aandeel kan hebben aan de invulling van de staatsmacht.
1848: vestiging van het parlementaire stelsel, maar hier was nog geen sprake van
een democratie. → kiesrecht aan de hand van census → genoeg belasting betalen.
democratie en rechtsstaat zijn twee aparte ideeën. Vanaf 1917 kwam het algemeen
mannen kiesrecht en in 1919 algemeen vrouwenkiesrecht → vanaf dat moment was
er sprake van de democratische rechtsstaat.
- doel van democratische rechtsstaat: bescherming van individuele
vrijheid van burgers.
democratie: de wil van de meerderheid is beslissend
Rechtsstaat: burgers hebben bepaalde rechten, onafhankelijk van de wil van de
meerderheid, iedereen krijgt deze rechten.
2.5 de sociale rechtsstaat
niet ieder individu heeft gelijke kansen, een dergelijke staat beschermt individuen die
gelijkwaardig en vrij zijn tot elkaar. verschillen kunnen opgeheft worden door
algemeen kiesrecht. maar dit is nog onvoldoende.
De overheid is steeds meer gaan ingrijpen in de sociaaleconomische sfeer. dit om
een situatie te creëren van gelijke kansen en iedereen de mogelijkheid had om van
zijn politieke en vrijheidsrechten gebruik te kunnen maken. Nederland werd steeds
meer een sociale rechtsstaat.
- taak klassiek liberale rechtsstaat: vrijheden en rechten van burgers in acht
te nemen en te beschermen tegen inbreuken van derden. (de vrijheid van,
juridisch geformuleerd in de klassieke grondrechten, te waarborgen)
- taak sociale rechtsstaat: actief omstandigheden te creëren die het de burger
daadwerkelijk mogelijk maakt zijn leven gestalte te geven. (vrijheid
garanderen)